Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AW1860

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-06-2006
Datum publicatie
16-06-2006
Zaaknummer
R05/072HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AW1860
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige partners over het verzoek van de man om vervangende toestemming tot erkenning van de uit zijn relatie met de vrouw geboren kind (art. 1:204 lid 3 BW); erkenning relatie kind/verwekker als familierechtelijke rechtsbetrekking; verwachting omtrent toekomstige risico’s als gevolg van erkenning, belangenafweging, onbegrijpelijk oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 373
NJ 2006, 339
RvdW 2006, 611
FJR 2007, 39 met annotatie van P. Dorhout
JWB 2006/204
JPF 2006/103 met annotatie van PVl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 juni 2006

Eerste Kamer

Rek.nr. R05/072HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De moeder],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. K.T.B. Salomons,

e n

Mr. J.C. DE DOOD,

kantoorhoudende te Zaandam,

BELANGHEBBENDE in cassatie,

advocaat: Mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 1 december 2003 ter griffie van de rechtbank te Haarlem ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht hem vervangende toestemming tot erkenning, als bedoeld in art. 1:204 lid 3 BW, van de uit een relatie van de man met verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de moeder - op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] geboren minderjarige [het kind] te verlenen.

Bij beschikking van 16 december 2003 heeft de rechtbank mr. J.C. de Dood, advocaat te Zaandam, tot bijzonder curator over de minderjarige benoemd.

De moeder heeft het verzoek bestreden.

De bijzonder curator heeft bij brief van 29 januari 2004 aan de rechtbank medegedeeld niet te kunnen beoordelen of de belangen van de minderjarige kunnen worden geschaad indien de moeder verplicht wordt mee te werken aan erkenning en een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming geadviseerd.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

De rechtbank heeft bij beschikking van 18 mei 2004 de man vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige verleend en het meer of anders verzochte afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

De man heeft verzocht voormelde beschikking te bekrachtigen.

De bijzonder curator heeft een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming geadviseerd.

De advocaat-generaal bij het hof heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking.

Bij beschikking van 3 maart 2005 heeft het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen en de bijzonder curator heeft de Hoge Raad verzocht de bestreden beschikking te vernietigen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.

Mr. H.A. Groen, advocaat bij de Hoge Raad, heeft namens de advocaat van de moeder bij brief van 21 februari 2006 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is op [geboortedatum] 2001 [het kind] (hierna: het kind) geboren. Ten tijde van de geboorte van het kind was de man gehuwd met een andere vrouw. Inmiddels is zijn huwelijk met die andere vrouw geëindigd. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over het kind, dat bij haar verblijft. De man heeft sinds mei 2003 niet of nauwelijks meer contact gehad met het kind.

3.2 Het gaat in dit geding om de vraag of aan de man op de voet van art. 1:204 lid 3 BW vervangende toestemming moet worden verleend om het kind, dat de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, te erkennen. De moeder heeft verweer gevoerd tegen het door de man gedane verzoek om vervangende toestemming en zich daarbij beroepen op een reeks, in de stukken nader uitgewerkte, misdragingen van de man tegenover haar, die onder meer zijn uitgemond in een strafrechtelijke veroordeling van de man wegens mishandeling, terwijl de man bij een ander incident tegenover de politie heeft verwezen naar "de zaak van Marion en Romy van Buuren". Zij stelt, kort samengevat, dat door deze misdragingen een zware druk op haar leven is gelegd, dat ook het kind daaronder heeft te lijden, en dat dit alles zal verergeren als de vervangende toestemming wordt verleend.

De rechtbank heeft het verzoek toegewezen. Het hof heeft deze beschikking bekrachtigd.

3.3 Bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige komt het aan op een afweging van de belangen van betrokkenen, waarbij tot uitgangspunt dient te worden genomen dat zowel het kind als de verwekker aanspraak erop heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. Door de rechter zullen het belang en de aanspraak van de man op erkenning moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder en het kind bij niet-erkenning (HR 12 november 2004, nr. R03/098, NJ 2005, 248).

Het hof heeft onderzocht of door toewijzing van het verzoek schade wordt toegebracht aan de belangen van het kind en heeft geoordeeld dat daarvan slechts sprake is indien ten gevolge van de erkenning voor het kind reële risico's bestaan dat het belemmerd wordt in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. Dit zou onder meer het geval kunnen zijn wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft. Weliswaar is gebleken van omstandigheden met betrekking tot de vader die begrijpelijkerwijs bij de moeder onrustgevoelens en een gevoel van onveiligheid teweegbrengen en dat de moeder daardoor stress ervaart, die enige neerslag op het kind kan hebben. Dit is evenwel onvoldoende om te concluderen dat de zojuist vermelde reële risico's zich in dit geval voordoen, aldus nog steeds het hof.

3.4 De onderdelen 1.1 en 1.2, in samenhang bezien, klagen terecht dat het hof aldus een onbegrijpelijk gemotiveerd oordeel heeft gegeven. Tegenover de uitvoerige en onderbouwde stellingen van de moeder over de behandeling die zij gedurende langere tijd van de zijde van de man heeft moeten ervaren en de zware druk die dit op haar en op haar relatie tot het kind heeft gelegd, heeft de man ermee volstaan om, enerzijds, die gedragingen grotendeels te erkennen maar het belang daarvan te relativeren en, anderzijds, als zijn eigen belang slechts naar voren te brengen dat hij zijn verantwoordelijkheid voor het kind wil nemen in erfrechtelijke en financiële zin en dat hij als vader een rol wil spelen in het leven van het kind. Tussen het gewicht van de aldus door beide partijen gestelde belangen bestaat op het eerste gezicht een zodanige discrepantie dat het oordeel van het hof, dat de belangen van de man te dezen het zwaarst dienen te wegen, meer motivering behoefde dan het hof heeft gegeven, ook bij het uitgangspunt dat zowel het kind als de verwekker aanspraak erop heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. Bij de afweging van de belangen dient in aanmerking te worden genomen dat het bij het door het hof bedoelde reële risico noodzakelijkerwijs gaat om een verwachting omtrent toekomstige feiten, alsmede dat de na verkregen toestemming gedane erkenning onomkeerbaar is.

De onderdelen treffen daarom doel. Onderdeel 1.3 behoeft geen beoordeling meer.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 3 maart 2005;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 16 juni 2006.