Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AW1750

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-04-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
42547
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2005:AV0885
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Berekening rente langlopende lening.

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8, geldigheid: 2006-04-14
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 13, geldigheid: 2006-04-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 536 met annotatie van De Jonge
FutD 2006-0686
BNB 2006/229
FED 2006/69
Belastingadvies 2006/10.3
V-N 2006/20.13

Uitspraak

Nr. 42.547

14 april 2006

RvS

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 juli 2005, nr. P04/00476, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 15.359, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft het incidentele beroep beantwoord en een conclusie van repliek ingediend.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1. Belanghebbende heeft op 16 februari 2000 een overeenkomst van geldlening gesloten met B B.V. (hierna: B), van welke vennootschap alle aandelen worden gehouden door C (hierna: C). Het bedrag van de lening, ƒ 10.000, heeft belanghebbende van B ontvangen. In de overeenkomst, waarin belanghebbende als partij 1 en B als leningverstrekker wordt aangegeven, komen onder meer de volgende bepalingen voor:

"2. Het bedrag van de lening verhoogd met de bijgeschreven rente en verminderd met de betalingen wordt door partij 1 (...) aan de leningverstrekker betaald op 31-12-2210 (...).

3. De door partij 1 (...) te vergoeden rente bedraagt f 80.000 (...) per jaar en wordt ieder jaar verhoogd met een bedrag van f 1.000 (...). De rente over het eerste jaar bedraagt derhalve f 80.000, over het tweede jaar f 81.000, over het derde jaar f 82.000, enzovoort. (...) De rente over het eerste jaar vervalt op de datum van ontvangst van het leningbedrag door partij 1 (...). De rente over het tweede jaar en volgende jaren vervalt steeds na 12 (...) maanden volgend op het vervallen van de rente over het voorafgaande jaar.

4. De vervallen jaarlijkse rente wordt (...) niet jaarlijks (...) betaald maar telkens bijgeschreven (...).

5. Het bedrag van de lening verhoogd met de bijgeschreven rente kan (...) niet tussentijds worden opgeëist met uitzondering van het tussentijds opeisen van de bijgeschreven rente in de gevallen hieronder in dit nummer 5 genoemd. De (...) tussentijdse opeising (...) is met uitsluiting van elk ander geval of elke andere grond of alle situaties hoe ook genoemd waarin partij 1 (...) op enig moment verkeert of komt te verkeren, alleen mogelijk indien

1. (...) de AEX-index of de opvolger van die index, over een kalenderjaar gemeten ... een stijging 90 % (...) of meer heeft doorgemaakt, of

2. op de postcode 0000 AA (...) of 0001 BB (...) of 0002 CC (...) een prijs valt in (...) Nationale Postcodeloterij, waarbij in dat geval geldt dat het bedrag (...) dat tussentijds kan worden opgeeist wordt beperkt tot het bedrag dat gemiddeld aan de winnaars met de postcode 0000 AA en 0001 BB en 0002 CC wordt uitbetaald.

In het geval van surséance van betaling, van faillissement van partij 1 (...) en in het geval dat door derden op enig vermogensbestanddeel van partij 1 (...) conservatoir of executoriaal beslag wordt gelegd is (...) tussentijdse opeising (...) niet mogelijk (...)."

3.2. Belanghebbende heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2000 ƒ 80.000 opgenomen als kosten van schulden in verband met deze lening.

4. Beoordeling van de in het principale beroep aangevoerde klachten

4.1. Het Hof heeft - voorzover van belang - geoordeeld dat de schuld op haar contante waarde moet worden gewaardeerd en dat in het eerste jaar als rentekosten slechts in aftrek kan worden gebracht de contante waarde van de voor het eerste jaar bedongen rente ten bedrage van ƒ 80.000. Afgezien van het antwoord op de vraag of voor die contantmaking moet worden uitgegaan van het door de Inspecteur genoemde rentepercentage dan wel het door belanghebbende genoemde rentepercentage, bedragen, aldus het Hof, de contante waarde van de lening en de renteverplichting tezamen niet meer dan ƒ 25, zodat de aanslag niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

4.2. Voorzover de klachten dit oordeel bestrijden, slagen zij. Uitgaande van 's Hofs oordeel dat geen sprake is van een schenking door C aan de enig aandeelhouder in belanghebbende gevolgd door een informele kapitaalinbreng door laatstgenoemde in belanghebbende, alsmede de oordelen dat aannemelijk is dat over de volledige looptijd van de lening beoordeeld de verschuldigde rente 4,016 percent cumulatief per jaar bedraagt en bij de waardering van de schuld met een eventuele tussentijdse aflossing geen rekening behoeft te worden gehouden, mag op grond van goed koopmansgebruik gedurende de looptijd van de lening ieder jaar bij de bepaling van de winst van belanghebbende geen hoger bedrag dan 4,016 percent van het gepassiveerde bedrag - in het onderhavige jaar 4,016 percent van ƒ 10.000, derhalve ƒ 401,60, - als rentekosten in aanmerking worden genomen.

4.3. Voor het overige kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

Het Hof heeft geoordeeld dat de lening niet kan worden aangemerkt als een zogenoemde deelnemerschapslening in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 1998, nr. 32240, BNB 1998/208, omdat de vergoeding voor de verstrekte lening niet afhankelijk is van de winst van belanghebbende. Het middel dat zich tegen dit oordeel keert faalt daar dit oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst.

6. Slotsom

Gelet op het hiervoor onder 4.2 overwogene kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

7. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het principale beroep gegrond,

verklaart het incidentele beroep ongegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Inspecteur,

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 14.957, en

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 414, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 232, derhalve in totaal € 646.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2006.