Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AW1749

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-04-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
42089
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2005:AT5148
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verplaatsing pensioen-BV.

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8, geldigheid: 2006-04-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-0687
PJ 2006, 86
BNB 2006/228
V-N 2006/21.16

Uitspraak

Nr. 42.089

14 april 2006

RvS

gewezen op het beroep in cassatie van X N.V. te Curaçao (Nederlandse Antillen) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 13 april 2005, nr. 04/01287, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag en bezwaar

Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.706.578, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

2. Loop van het geding tot dusverre

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De uitspraak van dit hof van 7 februari 2003 is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2004, nr. 39376, BNB 2004/354, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Arnhem (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.620.179. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

3. Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

4. Beoordeling van het middel

In het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, nu de overname door belanghebbende van de pensioenverplichtingen een onderdeel vormde van het samenhangend geheel van rechtshandelingen gericht op de verplaatsing van de feitelijke leiding van belanghebbende en daarna het afzien van de pensioenrechten door A, voor de vaststelling van het belastbare bedrag het bedrag dat ter zake van de overname van de pensioenverplichting aan belanghebbende is betaald evenzeer moet worden gecorrigeerd. Bij deze correctie zal de prijs gesteld moeten worden op het bedrag dat onder zakelijke voorwaarden tussen partijen in aanmerking zou zijn genomen, waarbij eveneens rekening wordt gehouden met het voornemen van A van zijn pensioenrechten af te zien. Het Hof heeft geoordeeld dat gezien het geringe aandelenbelang dat A in B B.V. bezat hij niet van zijn pensioenrechten zou afzien zolang de pensioenverplichting tot het vermogen van B B.V. zou behoren. Uitgaande van dit oordeel heeft het Hof geoordeeld dat de waarde van de pensioenverplichting op het onmiddellijk aan de overdracht van de pensioenverplichting voorafgaande ondeelbare moment kan worden gesteld op de bij de overdracht in aanmerking genomen prijs van ƒ 1.689.988. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk. Het ligt immers niet voor de hand de tussen B B.V. en belanghebbende in aanmerking genomen prijs te corrigeren op grond van onzakelijkheid, nu A slechts 8,5 percent van de aandelen van B B.V. bezat en er derhalve geen sprake was van gelieerde vennootschappen. Het middel faalt derhalve.

5. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2006.