Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AW1641

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-04-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
40687
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2004:AO6459
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 22, lid 1, (oud) Wet OB’68, artikel 98 jo artikel 129, lid 3, Wet inzake de douane. De verlengde termijn voor navordering van douanerechten geldt ook als de douaneautoriteiten binnen de gewone termijn van 3 jaar in staat waren de douaneschuld vast te stellen (cfm HR 17-6-2005, nr. 39.626, BNB 2005/301). Geen mede-aansprakelijkheid op grond van artikel 130a, lid 1 Wet inzake de douane.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 18, geldigheid: 2006-04-14
Wet op de omzetbelasting 1968 22, geldigheid: 2006-04-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 980 met annotatie van Benning
FutD 2006-0694
BNB 2006/226
V-N 2006/20.19

Uitspraak

Nr. 40.687

14 april 2006

whk

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 februari 2004, nr. DK 02/3658, betreffende na te melden aan X te Z (België) gedane uitnodigingen tot betaling van omzetbelasting.

1. Uitnodigingen tot betaling, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbende is bij één aanslagbiljet van 22 oktober 1998 uitgenodigd tot betaling van bedragen aan omzetbelasting van in totaal ƒ 206.840,50. De uitnodigingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem, dat de zaak ter verdere behandeling heeft verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof).

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de bestreden uitspraak vernietigd, alsmede de uitnodigingen tot betaling. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

In de periode januari 1994 tot en met april 1994 zijn partijen melkpoeder, afkomstig uit Litouwen, in Duitsland aangegeven voor de regeling extern communautair douanevervoer en vervolgens naar Nederland vervoerd.

In 1996 heeft de Inspecteur E B.V. (hierna: de B.V.), waarvan belanghebbende directeur is, uitgenodigd bedragen aan omzetbelasting te betalen, omdat de partijen melkpoeder tijdens het douanevervoer in Nederland zouden zijn onttrokken aan het douanetoezicht en hij de B.V. voor de op grond daarvan verschuldigd geworden omzetbelasting als belastingplichtige aanmerkte. Op 22 oktober 1998 heeft de Inspecteur hetzelfde gedaan ten aanzien van belanghebbende.

3.2. Het Hof heeft overwogen dat de Inspecteur, nu hij de B.V. reeds in 1996 had uitgenodigd tot betaling van de voor de hiervóór in 3.1 vermelde partijen melkpoeder verschuldigde omzetbelasting, de mogelijkheid had de douaneschuld binnen een termijn van drie jaar na het ontstaan daarvan vast te stellen, en daarvan uitgaande goordeeld dat artikel 221, lid 3 (oud), van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) de navordering wegens het verstrijken van de in die bepaling vermelde termijn van drie jaar in dit geval niet toestaat.

Tegen dit oordeel richt zich het middel.

3.3.1. Vooropgesteld wordt dat ingevolge artikel LV van de Invoeringswet Douanewet (Stb. 1995, 554) de bij die wet op 1 juni 1996 ingetrokken wetten, alsmede de bij die wet gewijzigde wetten en de daarop berustende bepalingen van toepassing blijven, voorzover zij betrekking hebben op de heffing van belastingen waarvan de feiten die aanleiding gaven tot het ontstaan van de verschuldigdheid van die belastingen zich hebben voorgedaan voor de dag van inwerkingtreding van deze invoeringswet.

Deze overgangsbepaling brengt met zich dat ter zake van de onderhavige uitnodigingen tot betaling, waarvan de rechtsgrond in de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) is gelegen, artikel 22, lid 1, van de Wet, zoals dat artikel tot 1 juni 1996 luidde, van toepassing is, nu de feiten die aanleiding gaven tot het ontstaan van de verschuldigdheid van de belasting zich hebben voorgedaan in 1994.

3.3.2. Ingevolge voormeld artikel 22, lid 1, (tekst tot 1 juni 1996) is voor de wijze waarop de omzetbelasting bij invoer wordt geheven de Wet inzake de douane (zoals deze heeft gegolden tot 1 juni 1996; hierna: de WD) van overeenkomstige toepassing, zodat aan de hand van de bepalingen van die wet, in het bijzonder de artikelen 98 juncto 114, 116 en 129, lid 3, moet worden beoordeeld hoever de periode van navordering ten aanzien van belanghebbende wettelijk strekt. Daarbij heeft te gelden dat artikel 129, lid 3, van de WD niet inhoudt dat de daar vermelde termijn van vijf jaar wordt beperkt tot drie jaar in de situatie waarin de inspecteur binnen een termijn van drie jaar in staat was het verschuldigde bedrag aan omzetbelasting vast te stellen (vergelijk Hoge Raad 17 juni 2005, nr. 39626, BNB 2005/301).

3.4.1. Hoewel het middel, gelet op het hiervóór overwogene gegrond is, kan het niet tot cassatie leiden.

3.4.2. De Inspecteur heeft zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat de onderwerpelijke T1-documenten (mede) door toedoen van belanghebbende niet dan wel ten onrechte zijn gezuiverd, zodat hij op grond van artikel 130a, lid 1, van de WD mede-aansprakelijk is voor de wegens die niet-zuivering verschuldigde omzetbelasting.

Daartoe heeft de Inspecteur in hoofdzaak het volgende aangevoerd.

Belanghebbende wist of had behoren te weten dat de door de verschillende dadergroepen (waartoe belanghebbende niet behoorde) aan de B.V. geleverde melkpoeder onttrokken was aan het douanetoezicht. Toch werd de melkpoeder in opdracht van belanghebbende "vrij van heffingen" afgeleverd bij en opgeslagen in de aan een derde toebehorende opslagloods. Voorts had belanghebbende op basis van de door hem gehanteerde inkoopprijzen moeten begrijpen dat voor de melkpoeder de verschuldigde heffingen niet waren voldaan, zodat de melkpoeder aan het douanetoezicht moest zijn onttrokken. Dit te meer in het licht van de grote hoeveelheid aan de B.V. geleverde partijen met een hoog vetgehalte. Gezien de hoge heffingen die verschuldigd zijn voor melkpoeder met een vetpercentage van meer dan 1,5, had belanghebbende kunnen en moeten weten dat naast de door hem betaalde prijs de heffingen niet voldaan konden worden. Door dit alles is belanghebbende niet opgetreden als een normale handelaar, maar veeleer als degene die voor een met name genoemde persoon ongezien de afzet van de aan het douanetoezicht onttrokken partijen garandeerde en, door feitelijk te regelen waar de partijen konden worden afgeleverd, die persoon de mogelijkheid heeft verschaft die partijen via hem in de reguliere markt af te zetten, waartoe die persoon zelf hoogstwaarschijnlijk niet in staat zou zijn geweest. Hieraan doet niet af dat niet belanghebbende, maar de B.V. de goederen heeft gekocht en bij de vermelde opslagplaats heeft doen afleveren en daarin doen opslaan. Er is feitelijk gehandeld door belanghebbende en de afspraken, waardoor de B.V. juridisch was verbonden, zijn door hem persoonlijk gemaakt.

3.4.3. Bij het navolgende gaat de Hoge Raad veronderstellenderwijs ervan uit dat, zoals de Inspecteur voor het Hof heeft betoogd, de onderwerpelijke partijen melkpoeder in Nederland zijn onttrokken aan de douaneregeling extern communautair douanevervoer, zodat omzetbelasting verschuldigd is geworden op de voet van artikel 18, lid 1, van de Wet juncto artikel 7, lid 3, van de Zesde richtlijn (vergelijk Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 11 juli 2002, Liberexim, C-371/99, BNB 2003/158). Om te kunnen beoordelen of belanghebbende belastingplichtige is voor de door de onttrekking verschuldigd geworden omzetbelasting moet ingevolge artikel 22, lid 1, van de Wet (tekst tot 1 juni 1996) worden bepaald of hij een persoon is die in de WD als belastingplichtige wordt aangewezen (vergelijk Hoge Raad 23 juni 1999, nr. 34332, BNB 1999/291).

3.4.4. Ingevolge artikel 130a, lid 1, van de WD is voor de wegens niet-zuivering van (onder meer) een document verschuldigde belasting hoofdelijk aansprakelijk degene van wie blijkt dat door diens toedoen de gehele of gedeeltelijke niet-zuivering heeft plaatsgevonden. Zoals is overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2003, nr. 34332, BNB 2003/159, is deze bepaling blijkens de parlementaire behandeling in de wet opgenomen om degene die in feite de niet-zuivering van het document heeft veroorzaakt, hoofdelijk mede-aansprakelijk te stellen voor de belasting.

Ook indien aannemelijk zou zijn hetgeen de Inspecteur voor het Hof in feitelijke zin naar voren heeft gebracht (zie hiervóór in 3.4.2), is belanghebbende niet aan te merken als een persoon die de niet-zuivering van de onderhavige documenten in feite heeft veroorzaakt. Daarvoor zijn niet voldoende de door de Inspecteur gestelde omstandigheden dat belanghebbende de B.V. grote hoeveelheden melkpoeder heeft laten inkopen van onbekenden voor relatief zeer lage prijzen, met een bepaalde persoon - kennelijk behorende tot een dadergroep - en met de opslaghouder afspraken heeft gemaakt inzake het vervoer en de aflevering, en heeft beseft of heeft moeten beseffen dat bij een prijsstelling als hiervóór vermeld heffingen werden ontdoken, in het bijzonder niet nu de Inspecteur niet anders heeft gesteld dan dat de tot een dadergroep behorende personen, onder wie niet belanghebbende, de niet-zuivering van de documenten in feite hebben veroorzaakt.

3.4.5. Aangezien de Inspecteur geen andere feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit zou zijn af te leiden dat belanghebbende in feite betrokken zou zijn bij de niet-zuivering van de documenten en hij de uitnodigingen tot betaling uitsluitend heeft gebaseerd op vermeld artikel 130a, lid 1, van de WD, is belanghebbende ten onrechte aangesproken voor de in geding zijnde omzetbelasting en is 's Hofs beslissing juist, wat er zij van de gebezigde gronden.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 40688, 40689 en 40690 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep ongegrond,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een kwart van € 1932, derhalve € 483, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2006.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 422.