Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AW0066

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
17-10-2006
Zaaknummer
00153/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AW0066
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Niet voor het eerst in cassatie klagen over dagvaarding/oproeping. 2. Bewijs oplichting. 3. Rechtstreekse schade ex art. 51a en 361.2b Sv. Ad 1. In cassatie kan niet met vrucht worden geklaagd over de wijze van dagvaarding van verdachte dan wel oproeping voor de nadere terechtzitting van verdachte in eerste aanleg ingeval de raadsman namens de niet-verschenen verdachte de gelegenheid heeft gehad een zodanige klacht aan de feitenrechter voor te leggen (HR NJ 1997, 91). Ad 2. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte (i) X, voor wie hij een ruzie in een café ‘had opgelost’, een wederdienst heeft gevraagd, die inhield dat X t.b.v. verdachte een lening van ƒ 50.000,- op zijn naam zou nemen. Verdachte heeft tegen X gezegd dat hij zelf de lening zou regelen en dat X alleen maar de papieren behoefde te ondertekenen en daarna het geld en de papieren aan verdachte te geven. De aflossingen van de lening zou verdachte verder zelf regelen; (ii) zich ervan bewust was dat X hem blindelings vertrouwde; (iii) telefonisch contact heeft opgenomen met een tussenpersoon van Y BV respectievelijk Z, zich daarbij heeft voorgedaan als X en aanvragen heeft gedaan voor kredietverstrekkingen, waarbij hij telkens – i.s.m. de waarheid – heeft opgegeven dat er geen andere financieringen waren (aangevraagd); (iv) X per auto naar het kantoor van de desbetreffende kredietverstrekker heeft gebracht, zelf in de auto is blijven zitten, X het kantoor heeft aangewezen, waarna X op dat kantoor het al opgemaakte contract heeft ondertekend; (v) nadien met X naar het kantoor van diens bank is gereden, waar X het op de door verdachte geregelde kredietaanvrage door Y BV overgemaakte geldbedrag heeft opgenomen en aan verdachte heeft afgegeven; (vi) en voorts dat Y BV niet zou zijn overgegaan tot het verstrekken van krediet indien de ware toedracht van de kredietaanvrage bij haar bekend was geweest. Gelet op de manier waarop verdachte heeft bewerkstelligd dat een overeenkomst van kredietverstrekking tot stand is gekomen tussen X en Y BV, is ’s hofs oordeel dat verdachte door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid bedrieglijk heeft gehandeld en dat Y BV hierdoor is bewogen tot afgifte van het geld, onjuist noch onbegrijpelijk. Ad 3. Het hof heeft onjuist noch onbegrijpelijk geoordeeld dat gezien de uit de bewijsmiddelen blijkende gedragingen van verdachte – welke erop neerkomen dat hij, met gebruikmaking van een valse naam en valse hoedanigheid, X in schijn een kredietovereenkomst heeft doen sluiten met Y BV met het oogmerk zelf de beschikking te krijgen over het geldkrediet, dit terwijl verdachte besefte dat niet hij (verdachte) maar X als formele wederpartij door Y BV aansprakelijk zou worden gehouden voor de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende verplichtingen – de door X geleden schade, in zodanig nauw verband staat met de bewezenverklaarde oplichting, dat die schade door de oplichting rechtstreeks aan X is toegebracht ex art. 51a en 361.2.b, Sv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 326
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 51a
Wetboek van Strafvordering 361
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2006, 413
NBSTRAF 2006/413
JOL 2006, 639
NJ 2006, 590
RvdW 2006, 1006

Uitspraak

17 oktober 2006

Strafkamer

nr. 00153/05

LR/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 juni 2004, nummer 23/002100-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring "Lelystad" te Lelystad.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 14 oktober 1999 - de verdachte ter zake van 1. "oplichting" en 2. "poging tot oplichting, meermalen gepleegd" veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Tevens heeft het Hof aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover daarbij de vordering van de benadeelde partij is ontvankelijk verklaard en toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, en tot zodanige op art. 440 Sv berustende beslissing als de Hoge Raad gepast voorkomt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten de oproeping van de verdachte voor de nadere terechtzitting van de Politierechter van 14 oktober 1999 nietig te verklaren.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de Politierechter van 14 oktober 1999 en de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 9 april 2004 en 28 mei 2004 houden in dat de raadsman van de niet-verschenen verdachte aldaar het woord ter verdediging heeft gevoerd.

3.3. Het middel miskent dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over de wijze van dagvaarding van de verdachte dan wel oproeping voor de nadere terechtzitting van de verdachte in eerste aanleg ingeval - zoals volgt uit het hiervoor onder

3.2 overwogene - de raadsman namens de niet-verschenen verdachte de gelegenheid heeft gehad een zodanige klacht aan de feitenrechter voor te leggen (vgl. HR 1 oktober 1996, NJ 1997, 91).

3.4. Het middel faalt derhalve.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat de onder 1 bewezenverklaarde oplichting niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.

4.2. Het Hof heeft onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 21 oktober 1997 tot en met 23 oktober 1997 in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid [A] BV heeft bewogen tot afgifte van fl. 52.487,-, hebbende verdachte met vooromschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk bedrieglijk en in strijd met de waarheid telefonisch zich naar een tussenpersoon voorgedaan als [betrokkene 1] en een kredietaanvraag gedaan en een overeenkomst door die [betrokkene 1] laten tekenen, waardoor [A] BV werd bewogen tot bovenomschreven afgifte."

4.3. Deze bewezenverklaring berust - voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang - op de volgende bewijsmiddelen:

a) een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3]:

"Ik ben namens de benadeelde partijen gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik ben werkzaam als bedrijfsrechercheur bij [B], concern veiligheid. [C] en [A] BV maken deel uit van [B].

Op 21 oktober 1997 is een telefonische aanvraag gedaan voor een geldverstrekking aan [betrokkene 1] voor een bedrag van fl. 50.000,- bij de financieringstussenpersoon [D], gevestigd te Opmeer.

Deze tussenpersoon heeft de aanvraag doorgegeven aan [A] BV, gevestigd te Amsterdam. Tijdens het aanvragen van de geldverstrekking is door de aanvrager verklaard dat deze geen andere financieringen had noch aangevraagd had en derhalve geen andere kredietverstrekkingen genoot. De aanvraag is akkoord bevonden en op 22 oktober 1997 werd de kredietovereenkomst ondertekend door [betrokkene 1].

Het kredietbedrag kwam op fl. 52.487,- inclusief een verzekering. Van dit bedrag werd fl. 50.000,- telefonisch overgemaakt ten gunste van de bankrekening van [betrokkene 1]. Op verzoek van [betrokkene 1] werd het restantbedrag van fl. 2.487,- overgemaakt aan [G].

Beide bedragen zijn uitbetaald op 23 oktober 1997. Op 23 oktober 1997 is opnieuw een telefonische aanvraag gedaan voor een geldverstrekking aan [betrokkene 1] voor een geldbedrag van fl. 50.000,- via de tussenpersoon [E] te Amsterdam.

(...)

Op 22 oktober 1997 is er ook een telefonische aanvraag door [betrokkene 1] voor kredietverstrekking van fl. 50.000,- gedaan via de tussenpersoon [F] te Rhenen.

(...)

Op 27 oktober 1997 valt het [C] op dat er drie kredietverstrekkingen zijn op naam van [betrokkene 1].

Dit komt omdat [C] onderdeel uitmaakt van de Interadvies zoals ook [A] daarvan een onderdeel is.

(...)

Hierop werd [betrokkene 1] uitgenodigd in persoon te verschijnen ten kantore van [C] te Amsterdam.

(...)

Mijn collega die bij dit gesprek en bij de invulling van het formulier aanwezig was, en ik wisten nu dat dit de derde aanvraag voor kredietverstrekking was en dat de man dus geen juiste gegevens had opgegeven bij de aanvraag voor kredietverstrekking. Daarom hebben wij de man aangehouden en direct de politie gebeld. Op dat moment verklaarde [betrokkene 1] dat, als hij moest hangen, de man die hem begeleidde en die hem tot dit alles had aangezet, ook moest hangen. Ik vroeg aan [betrokkene 1] wie de man was die hem begeleidde. Ik hoorde dat [betrokkene 1] zei: "Die man is met mij meegekomen en zit buiten in een rode auto. Het is een Indische man met een snor en ongeveer 38 jaar oud." Mijn collega liep naar buiten en zag daar inderdaad een geparkeerde rode auto met daarin een man met het opgegeven signalement. Op aanwijzingen van deze collega is de verdachte vervolgens aangehouden.

Ik wil hierbij namens de benadeelden aangifte doen van oplichting. Als de ware toedracht van de kredietaanvragen bekend was geweest bij de kredietverstrekkers, waren deze niet overgegaan tot het verstrekken van krediet."

b) een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Ongeveer twee weken geleden werd ik benaderd door een man die zich uitgaf als een oude vriend van mij. Hij stelde zich voor als [...] maar later heb ik op het politiebureau gehoord dat hij [verdachte] heet. [Verdachte] deed zich voor als echte vriend. Op 21 oktober 1997 heeft [verdachte] een probleempje, een ruzie met een man in het café, voor mij opgelost.

Nadat [verdachte] toen met die betreffende man had gesproken, vroeg hij mij of ik een wederdienst voor hem wilde doen. [Verdachte] vroeg mij of ik een lening voor hem wilde sluiten van fl. 50.000,-. Ik moest de lening op mijn naam nemen en hoefde alleen maar de papieren te ondertekenen. Hij zou de lening verder regelen. Als men om de reden van de lening vroeg, moest ik zeggen dat het voor een auto en een keuken was. Vervolgens moest ik [verdachte] het geld geven en het contract van de lening. [Verdachte] zou de aflossingen van de lening verder zelf regelen. Op 22 oktober 1997 ben ik met [verdachte] meegereden naar een plaats in het noorden van het land. [Verdachte] bleef in de auto zitten en ik ben het door [verdachte] aangewezen kantoor binnengegaan. In het kantoor heb ik een contract ondertekend voor een lening van fl.50.000,-. Het contract was al opgemaakt. Ik moest alleen tekenen.

Kennelijk had [verdachte] telefonisch de lening geregeld en had zich daarbij als [betrokkene 1] uitgegeven. Op 23 oktober 1997 was het geld op mijn rekening gestort. [Verdachte] is met mij naar de bank gereden en ik heb het geld opgehaald. Ik heb de fl. 50.000,- vervolgens aan [verdachte] gegeven. Later, op 25 oktober 1999, heb ik het contract ontvangen en dit ook aan [verdachte] gegeven. (...)

Op 27 oktober 1997 heeft [verdachte] gebeld en kreeg hij te horen dat hij, [betrokkene 1], naar Amsterdam moest komen omdat er iets fout zou zijn gegaan. [Verdachte] heeft mij toen opgehaald. In Amsterdam werd ik aangehouden."

c) een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Op 21 oktober 1997 heb ik tegen [betrokkene 1] gezegd dat ik een lening van fl. 50.000,- af wilde sluiten, maar dat ik dat niet kon doen omdat ik nog een lening had lopen en omdat ik in de gevangenis had gezeten. Ik heb toen aan [betrokkene 1] gevraagd of hij de lening op zijn naam wilde nemen. Ik zou de kosten en de afbetaling voor mijn rekening nemen. [Betrokkene 1] vertrouwde mij blindelings en had geen bezwaar. Ik heb vervolgens uit naam van [betrokkene 1] de lening aangevraagd. De lening werd toegezegd en op 22 oktober 1997 heeft [betrokkene 1] het contract op het kantoor in Opmeer getekend.

Het geld zou de volgende dag op zijn rekening worden gestort. Diezelfde dag heb ik ook uit naam van [betrokkene 1] bij de [F] een aanvraag gedaan voor fl. 50.000,-. Op 23 oktober 1997 heeft [betrokkene 1] de geleende fl. 50.000,- aan mij gegeven. Op deze dag heb ik nog een kredietverstrekker, de [E] te Amsterdam, gebeld. Ik heb toen uit naam van [betrokkene 1] wederom een lening aangevraagd van fl. 50.000,-.

(...)

Op 27 oktober 1997 zijn [betrokkene 1] en ik naar Amsterdam gereden omdat het met de aanvraag niet helemaal goed was gegaan. Men vertelde mij dat [betrokkene 1] zijn paspoort, loonstrookje en bankafschrift moest meenemen. Ik heb [betrokkene 1] voor het kantoor afgezet en ben zelf buiten in de auto blijven zitten. Buiten, in mijn auto, werd ik aangehouden door de politie. Ik heb inmiddels begrepen dat de lening bij [C] verstrekt via [F] te Rhenen ook niet is doorgegaan.

Ik heb alle kredietaanvragen uit naam van [betrokkene 1] gedaan en mij als zodanig voorgesteld bij de telefoontjes."

4.4. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan het volgende worden afgeleid.

i) De verdachte heeft [betrokkene 1], voor wie hij een ruzie in een café 'had opgelost', gevraagd of hij bereid was daarvoor een wederdienst te verrichten, die inhield dat [betrokkene 1] ten behoeve van de verdachte een lening van ƒ 50.000,- op zijn naam zou nemen. De verdachte heeft tegen [betrokkene 1] gezegd dat hij zelf de lening zou regelen en dat [betrokkene 1] alleen maar de papieren behoefde te ondertekenen en daarna het geld en de papieren aan de verdachte behoefde te geven. De aflossingen van de lening zou de verdachte verder zelf regelen.

ii) De verdachte was zich ervan bewust dat [betrokkene 1] hem blindelings vertrouwde.

iii) De verdachte heeft telefonisch contact opgenomen met een tussenpersoon van [A] BV respectievelijk [C], zich daarbij voorgedaan als [betrokkene 1] en aanvragen gedaan voor kredietverstrekkingen, waarbij hij telkens - in strijd met de waarheid - heeft opgegeven dat er geen andere financieringen waren (aangevraagd).

iv) De verdachte heeft [betrokkene 1] per auto naar het kantoor van de desbetreffende kredietverstrekker gebracht, is zelf in de auto blijven zitten, heeft [betrokkene 1] het kantoor aangewezen, waarna [betrokkene 1] op dat kantoor het al opgemaakte contract heeft ondertekend.

v) De verdachte is nadien met [betrokkene 1] naar het kantoor van diens bank gereden, waar [betrokkene 1] het op de door de verdachte geregelde kredietaanvrage door [A] BV overgemaakte geldbedrag heeft opgenomen en aan de verdachte heeft afgegeven.

vi) [A] BV zou niet zijn overgegaan tot het verstrekken van krediet indien de ware toedracht van de kredietaanvrage bij haar bekend was geweest.

4.5. Gelet op de uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende manier waarop de verdachte heeft bewerkstelligd dat een overeenkomst van kredietverstrekking tot stand is gekomen tussen [betrokkene 1] en [A] BV, getuigt 's Hofs oordeel dat de verdachte door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid bedrieglijk heeft gehandeld en dat [A] BV hierdoor is bewogen tot afgifte van het geld, niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het ook zonder nader motivering niet onbegrijpelijk is. De bewezenverklaring is dus toereikend gemotiveerd.

4.6. Het middel faalt dus.

5. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Beoordeling van het vierde middel

6.1. Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat [betrokkene 1], die zich als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd, rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit.

6.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 april 2004 van het Hof houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De voorzitter stelt vast dat namens de benadeelde partij [betrokkene 1], in de zaal van de terechtzitting is verschenen [betrokkene 2]. Zij verklaart de zuster te zijn van [betrokkene 1] die zwakbegaafd is en onvoldoende in staat zijn belangen zelf te behartigen. Zij verklaart gemachtigde te zijn van de benadeelde partij en zich in hoger beroep, binnen de grenzen van de eerste vordering, wegens geleden materiële schade tot een bedrag van ƒ109.500,- te voegen. Voor wat betreft de inhoud van de vordering en de gronden waarop deze berust volstaat zij met een verwijzing naar de opgave van de eerste vordering, aangezien deze ongewijzigd is gebleven.

(...)

De advocaat-generaal voert het woord (...).

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij vordert zij dat deze wordt toegewezen tot een bedrag van ƒ60.000,- bestaande uit ƒ58.000,- materiële schade en ƒ2000,- immateriële schade.

De raadsman deelt mede dat de benadeelde partij zich alleen ter zake van geleden materiële schade in het geding heeft gevoegd en dat het daarom niet is toegestaan, zoals de advocaat-generaal nu vordert, in hoger beroep een deel daarvan als immateriële schade toe te wijzen, ook niet indien het totaal gevorderde bedrag binnen de grenzen blijft van het in eerste aanleg gevorderde. De raadsman is van oordeel dat de vordering tot een bedrag van ƒ50.000,- ter zake van materiële schade kan worden toegewezen, maar dat het overige van de vordering afgewezen dient te worden.

De advocaat-generaal merkt in tweede instantie op dat de benadeelde partij een vordering heeft ingediend van ƒ109.500,- voor materiële schade en dat het binnen de grenzen van die vordering in hoger beroep wel degelijk is toegestaan om daarvan thans een deel als immateriële schade toe te wijzen."

6.3. De bestreden uitspraak houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering, [betrokkene 1], heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde. De vordering van de benadeelde partij is in eerste aanleg toegewezen tot een bedrag van fl. 53.196,41 (thans € 24.139,48), en voor het overige is de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in haar vordering. Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen geachte strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot een bedrag van € 22.689,- worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren."

6.4. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat gezien de uit de bewijsmiddelen blijkende gedragingen van de verdachte - welke erop neerkomen dat hij, met gebruikmaking van een valse naam en valse hoedanigheid, [betrokkene 1] in schijn een kredietovereenkomst heeft doen sluiten met [A] BV met het oogmerk zelf de beschikking te krijgen over het geldkrediet, dit terwijl de verdachte besefte dat niet hij (verdachte) maar [betrokkene 1] als formele wederpartij door [A] BV aansprakelijk zou worden gehouden voor de uit de kredietovereenkomst voortvloeiende verplichtingen - de door [betrokkene 1] geleden schade in zodanig nauw verband staat met de bewezenverklaarde oplichting, dat die schade door de oplichting rechtstreeks aan [betrokkene 1] is toegebracht als bedoeld in art. 51a en 361, tweede lid onder b, Sv.

Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk, terwijl het, mede in aanmerking genomen hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, geen nadere motivering behoefde.

6.5. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

7. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte heeft op 16 juni 2004 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.

Dit moet leiden tot strafvermindering.

8. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen andere dan de onder 7 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

9. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

Vermindert deze in die zin dat deze twee maanden en drie weken beloopt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, J.W. Ilsink, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 oktober 2006.

Mr. Thomassen is buiten staat dit arrest te ondertekenen.