Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV9439

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-2006
Datum publicatie
23-06-2006
Zaaknummer
C05/102HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV9439
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geschil tussen een bank en een klant over aansprakelijkheid van de bank als beleggingsadviseur voor vermogensschade die de klant bij door de bank bemiddelde transacties in putopties heeft geleden (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 403
RvdW 2006, 657
JWB 2006/212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

23 juni 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/102HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. F.E. Vermeulen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 2 mei 2000 en bij herstelexploot van 3 mei 2000 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Bank - gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Bank te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 149.052,-- (€ 67.636,85), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 1998 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede in de buitengerechtelijke incassokosten conform het tarief van NOVA ten bedrage van ƒ 9.007,28 (€ 4.087,33) exclusief BTW met veroordeling van de Bank in de kosten van deze procedure.

De Bank heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 21 november 2001 het gevorderde afgewezen, [eiser] in de proceskosten veroordeeld, en deze betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Tegen het vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij tussenarrest van 7 augustus 2003 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door [eiser] over de gevorderde schade en bij eindarrest van 9 december 2004 het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de Bank veroordeeld om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiser] te betalen een geldsom van € 16.858,94, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 1998 tot aan de dag van voldoening, de proceskosten in beide instanties tussen partijen gecompenseerd, dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Bank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Bank begroot op € 2.101,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 23 juni 2006.