Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV9436

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-04-2006
Datum publicatie
28-04-2006
Zaaknummer
C05/076HR (1428)
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV9436
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onteigeningszaak; berekening van schadeloosstelling aan pachter van landbouwgrond (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2006-04-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 283
RvdW 2006, 461
JWB 2006/163

Uitspraak

28 april 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/076HR (1428)

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te 's-Gravenhage,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga.

1. Het geding in feitelijke instantie

Eiser tot cassatie (hierna: de Staat) heeft bij exploot van 29 augustus 2000 [betrokkene 1], wonende te [woonplaats] (hierna: [betrokkene 1]) gedagvaard voor de rechtbank te Utrecht, welk exploot de Staat tevens heeft doen betekenen bij exploot van 1 september 2000 aan verweerder in cassatie (hierna: [verweerder]) onder mededeling dat [verweerder] bij procureur in voormelde procedure kan tussenkomen. Daarbij heeft de Staat ten behoeve van de aanleg van de verbreding van de rijksweg A2 in de gemeenten Loenen en Breukelen ten algemenen nutte gevorderd ten name van de Staat vervroegd uit te spreken de onteigening van de in de dagvaarding omschreven gedeelten ter grootte van 6.59.07 hectare (grondplannummer [001]) en 2.01.60 hectare (grondplannummer [002]) van de onroerende zaken met de kadastrale aanduiding gemeente Breukelen, sectie [A], respectievelijk nrs. [003] en [004], waarvan [betrokkene 1] als eigenaar is aangewezen welke objecten zijn verpacht aan [verweerder]. Het bedrag van de door de Staat aangeboden schadeloosstelling voor [betrokkene 1] bedroeg ƒ 602.835,-- (€ 273.554,60), dat aan de pachter [verweerder] ƒ 188.660,-- (€ 85.610,18).

Bij incidentele conclusie heeft [verweerder] de rechtbank verzocht hem toe te laten als tussenkomende partij.

Bij vonnis van 8 november 2000 heeft de rechtbank [verweerder] als tussenkomende partij toegelaten.

Bij vonnis van 31 oktober 2001, dat op 22 februari 2002 is ingeschreven in de openbare registers, heeft de rechtbank - voor zover in cassatie van belang - onder meer de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor [verweerder] vastgesteld op ƒ 169.794,-- (€ 77.049,16), bepaald dat de Staat ten behoeve van [verweerder] zekerheid dient te stellen voor een bedrag van ƒ 18.866,-- (€ 8.561,02) en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd.

Bij vonnis van 29 december 2004 heeft de rechtbank de schadeloosstelling voor [verweerder] vastgesteld op € 169.795,56, en, gelet op het reeds betaalde voorschot van € 77.049,16, de Staat veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerder] te betalen een bedrag van € 92.746,40 te vermeerderen met een rente van 4% vanaf 1 oktober 2003 tot aan 29 december 2004 en met de wettelijke rente vanaf 29 december 2004 tot aan de dag der voldoening. Dit vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

De Staat heeft tegen het vonnis van de rechtbank van 29 december 2004 beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de Staat heeft bij brief van 24 februari 2006 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 1.171,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 28 april 2006.