Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV9372

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-06-2006
Datum publicatie
30-06-2006
Zaaknummer
C04/243HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV9372
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Geschil tussen erfgenamen over de ouderlijke boedelverdeling en over nietigverklaring van de clausule in het testament van de erflater van niet-opeisbaarheid van de vordering wegens overbedeling zoals opgenomen ter voldoening van diens verzorgingsplicht jegens zijn tweede echtgenote “voortvloeiende uit moraal en fatsoen” (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 429
RvdW 2006, 679
JWB 2006/236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 juni 2006

Eerste Kamer

Nr. C04/243HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

1. [Verweerster 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Verweerder 2],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. J.P. van Ginkel,

e n

3. [Verweerster 3],

wonende te [woonplaats],

thans de erfgenamen van [verweerster 3],

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 25 januari 1999 verweerders in cassatie - verder afzonderlijk te noemen: [verweerster 1], [verweerder 2] en [verweerster 3] - gedagvaard voor de rechtbank te Zwolle en na wijziging van eis gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

i) te verklaren voor recht dat de clausule van niet-opeisbaarheid van het erfdeel van [eiser] -zoals deze voorkomt in het testament van [betrokkene 1], hierna: de erflater van 21 maart 1974 - nietig is, althans tot het beloop van zijn wettelijk erfdeel nietig is en derhalve tevens de in voornoemd testament neergelegde ouderlijke boedelverdeling nietig is;

ii) te verklaren voor recht dat hij recht heeft zijn erfdeel althans zijn wettelijk erfdeel onvoorwaardelijk in contanten van de nalatenschap van de erflater te ontvangen;

subsidiair:

i) te verklaren voor recht dat de clausule van niet-opeisbaarheid van het erfdeel van [eiser] -zoals deze voorkomt in het testament van [betrokkene 1], hierna: de erflater van 21 maart 1974 - nietig is, althans tot het beloop van zijn wettelijk erfdeel nietig is en derhalve tevens de in voornoemd testament neergelegde ouderlijke boedelverdeling nietig is;

ii) te verklaren voor recht dat hij recht heeft zijn erfdeel althans zijn wettelijk erfdeel onvoorwaardelijk in contanten van de nalatenschap van erflater te ontvangen;

iii) [verweerster 1] te veroordelen tot betaling van het erfdeel, althans zijn wettelijk erfdeel, te vermeerderen met de bij testament bepaalde rente en met de wettelijke rente met ingang van de datum van overlijden van erflater althans met ingang van de datum van de inleidende dagvaarding.

Voorts heeft [eiser] zowel primair, subsidiair als meer subsidiair gevorderd:

iv) te bepalen dat [verweerder 2] en [verweerster 3] het in deze tegen [verweerster 1] te wijzen vonnis zullen gehengen en gedogen;

v) alle gedaagden te veroordelen om met [eiser] over te gaan tot de verdeling van de nalatenschap van de op 3 december 1996 te Nunspeet overleden erflater, met benoeming van een notaris;

vi) een onzijdig persoon te benoemen om één of meer gedaagden te vertegenwoordigen bij niet-verschijnen voor de benoemde notaris dan wel - verschenen zijnde - bij weigering om aan de verdeling mee te werken;

vii) te bepalen dat de kosten van de notaris en van deze onzijdig persoon ten laste zullen komen van de te verdelen nalatenschap;

viii) [verweerster 1] althans alle gedaagden te veroordelen in de kosten.

[Verweerster 1] en [verweerder 2] hebben de vorderingen bestreden. Tegen de niet verschenen [verweerster 3] is verstek verleend.

Bij conclusie van repliek heeft [eiser] zijn eis gewijzigd en de primaire vordering ingetrokken.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 8 december 1999 een comparitie van partijen gelast en bij vonnis van 19 april 2000 partijen veroordeeld over te gaan tot de verdeling van de nalatenschap van erflater met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon en met bepaling dat de kosten van de benoemde notaris en onzijdig persoon ten laste van de nalatenschap zullen komen. Voorts heeft de rechtbank een deskundige voor de waardering van het woonhuis en een andere deskundige voor de waardering van de bedrijfspanden benoemd, dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

Tegen beide vonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Bij memorie van grieven heeft hij zijn eis gewijzigd.

Bij tussenarrest van 29 oktober 2002 heeft het hof een comparitie van partijen gelast en bij eindarrest van 28 oktober 2003 heeft het de bestreden vonnissen, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigd, de proceskosten in hoger beroep tussen partijen gecompenseerd, en het in hoger beroep meer of anders gevorderde afgewezen.

Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het anticipatie-exploot zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

[Verweerster 1] en [verweerder 2] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Tegen de niet verschenen [verweerster 3] is verstek verleend.

De zaak is voor de verschenen partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster 1] en [verweerder 2] begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, en aan de zijde van [verweerster 3] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, E.J. Numann, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 30 juni 2006.