Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV8719

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-04-2006
Datum publicatie
28-04-2006
Zaaknummer
C05/027HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV8719
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huwelijksgoederenrecht. Geschil tussen ex-echtelieden over vernietiging op grond van art. 3:196 BW van een overeenkomst tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap wegens dwaling omtrent de waarde van een aandelenpakket, bedrog en benadeling; geldt hier de voorwaarde van art. 6:228 lid 1, aanhef en onder b, BW?; tijdstip van verdeling als bedoeld in art. 3:196 lid 3 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2006/115
Ars Aequi AA20060621 met annotatie van A.J.M. Nuytinck
NJ 2008, 165
JOL 2006, 279
RFR 2006, 74
RvdW 2006, 449
JWB 2006/155

Uitspraak

28 april 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/027HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. M.H. van der Woude, thans mr. N.T. Dempsey,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft bij exploot van 16 mei 2002 verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - gedagvaard voor de rechtbank te Utrecht en gevorderd:

i. de tussen partijen op 28 februari 2001 gesloten akte van verdeling te vernietigen wegens benadeling voor meer dan een kwart, subsidiair wegens misbruik van omstandigheden, en te verklaren voor recht dat zij op grond van redelijkheid en billijkheid niet gehouden is tot nakoming van de akte van verdeling, en

ii. de man te veroordelen met de vrouw over te gaan tot verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap in dier voege dat toescheiding van de aandelen van [A] B.V. aan de man plaatsvindt tegen een waarde per 28 september 2001;

iii. met bepaling dat de man de wettelijke rente schuldig is voor het deel van het bedrag der overbedeling dat hij nog niet aan de vrouw heeft betaald vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

De man heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 26 februari 2003 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De vrouw heeft in hoger beroep haar eis deels gewijzigd.

Bij arrest van 7 oktober 2004 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de man mede door mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

De advocaat van de man heeft bij brief van 3 februari 2006 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende:

(i) Partijen zijn op 6 april 1982 in gemeenschap van goederen gehuwd; het huwelijk is op 9 maart 2000 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 22 december 1999 in de registers van de burgerlijke stand.

(ii) Tot de huwelijksgemeenschap behoorden onder meer 40 (zijnde alle) aandelen in de besloten vennootschap [A] B.V. (hierna: de Holding), die 50% van de aandelen van de werkmaatschappij [B] B.V. hield.

(iii) Partijen hebben tezamen een deskundige aangewezen om de waarde van de aandelen per 31 december 1998 bindend vast te stellen. Op 25 maart 1999 is dit advies verstrekt. De waarde werd bepaald op ƒ 3.546.000,-- (€ 1.609.104,65).

(iv) Partijen hebben nadien in afwijking van het advies de waarde van de aandelen in overleg vastgesteld op ƒ 3.000.000,-- (€ 1.361.340,65).

(v) Vervolgens heeft de man meteen na de afronding van de verdere verdelingsafspraken omstreeks begin juni 2000 de vordering die de vrouw wegens overbedeling op hem had verkregen, betaald met aftrek van reeds betaalde voorschotten.

(vi) Op 28 februari 2001 is een notariële akte van verdeling verleden, onder meer inhoudende:

"Partijen wensen bij deze akte over te gaan tot de verdeling van de tussen hen bestaan hebbende wettelijke algehele gemeenschap van goederen, voorzover deze verdeling niet reeds eerder heeft plaatsgevonden zulks (mede) op basis van mondelinge afspraken welke zijn vastgesteld in correspondentie tussen Accountants Adviesgroep Los B.V. en mevrouw mr. H.J. Witkamp de dato vijf juni tweeduizend (...)"

Accountants Adviesgroep Los B.V. trad op voor de man en Witkamp voor de vrouw. Bij deze akte zijn onder meer de 40 aandelen aan de man toegedeeld. De akte vermeldt daarenboven dat voor de interne verhouding tussen partijen 31 december 1998 als peildatum voor de samenstelling en waarde van de tot de ontbonden gemeenschap behorende goederen en schulden wordt aangenomen voor zover niets anders is vermeld.

(vii) De vrouw heeft op 26 februari 2002 de vernietiging van de overeenkomst van verdeling ingeroepen.

3.2 De vrouw heeft in de eerste instantie gevorderd te vernietigen de akte van verdeling van 28 februari 2001 wegens benadeling voor meer dan een kwart, subsidiair wegens misbruik van omstandigheden, en te verklaren voor recht dat zij op grond van de redelijkheid en billijkheid niet gehouden is tot nakoming van de akte van verdeling, en de man te veroordelen met haar over te gaan tot verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap in dier voege dat toescheiding van de aandelen in de Holding aan de man plaatsvindt tegen een waarde per 28 februari 2001. De vrouw heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat zij heeft gedwaald bij het sluiten van de overeenkomst tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en voor meer dan één vierde is benadeeld. Zij voert daartoe aan dat zij vijf dagen na de ondertekening van de akte van verdeling uit de pers heeft vernomen dat [B] aan de Kennemervis Groep B.V. is verkocht en dat zij de man diverse malen heeft gevraagd haar in te lichten over de verkoopprijs doch dat hij weigert die informatie aan haar te verschaffen, hetgeen met zich brengt dat de benadeling moet worden aangenomen. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

3.3.1 In het hoger beroep heeft de vrouw de grondslag van haar vordering aangevuld met een beroep op bedrog (art. 3:44 lid 1 en 3 BW) en tevens gesteld dat verrekend had moeten worden naar de waarde op het tijdstip van de totstandkoming van de obligatoire overeenkomst tot verdeling, 31 mei 2000, (de datum door de man in de eerste instantie gesteld en door de rechtbank in haar vonnis overgenomen) en niet, zoals zij eerder heeft betoogd, het tijdstip van notariële toedeling van de aandelen in de Holding, 28 februari 2001. De datum van 31 mei 2000 geldt, aldus de vrouw, niet alleen als peildatum voor de waardering van de aandelen doch ook voor de beoordeling van de vraag of benadeling heeft plaatsgevonden. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

3.3.2 Hetgeen het hof daartoe heeft overwogen, komt op het volgende neer. Niet in geschil is dat over de verdeling op 31 mei 2000 overeenstemming is bereikt. Daarnaast zijn partijen het erover eens dat de beoordeling van het beroep van de vrouw op bedrog, dwaling of redelijkheid en billijkheid dient te geschieden naar de situatie op die datum (rov. 4.3). In geschil is of de man op 31 mei 2000 heeft geweten of moest verwachten dat een overname van [B] door Kennemervis Groep B.V. zou plaatsvinden tegen een zodanig bedrag, dat dit een relevante waardeverhogende invloed zou hebben gehad op de waarde van de aandelen in de Holding, en of hij dit aan de vrouw had moeten melden (rov. 4.5). Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Partijen zijn overeengekomen dat als waarde van de aandelen in de Holding zou gelden de waarde die deze aandelen naar het oordeel van door hen aan te wijzen deskundigen hadden op 31 december 1998. Nadat deze deskundigen die waarde hadden bepaald op ƒ 3.546.000,--, hebben partijen dit bedrag enigszins naar beneden bijgesteld. Dat betekent echter niet dat de vrouw gerechtigd is mee te delen in een mogelijke waardevermeerdering als gevolg van de (verwachte) opbrengst van de overname van [B]. Bovendien was al in december 1999, en dus ruim voor maart/april 2000 toen - volgens de vrouw - sprake was van een mogelijke overname, overeenstemming bereikt over de bijstelling van de door de deskundigen bepaalde waarde van de aandelen. Onder die omstandigheden behoefde de man de vrouw van nieuwe ontwikkelingen, die plaatsvonden na de inschrijving op 9 maart 2000 van de echtscheidingsbeschikking, niet meer op de hoogte te houden (rov. 4.6).

3.4 Onderdeel 1 klaagt terecht dat het hof, dat met zijn weergave van het geschil in rov. 4.5 kennelijk heeft beoogd de naar zijn oordeel beslissende rechtsvraag nader te omschrijven, heeft miskend dat voor de door de vrouw nagestreefde vernietiging van de verdeling op grond van art. 3:196 BW niet vereist is dat voldaan is aan de voorwaarde van art. 6:228 lid 1, aanhef en onder b, BW, aldus dat wordt geoordeeld dat de man in verband met de invloed die een overname van [B] zou kunnen hebben op de waarde van de aandelen in de Holding de vrouw over die (verwachte) overname had behoren in te lichten. Bepalend voor die vernietiging is immers slechts of de vrouw toen zij instemde met een verdeling van de gemeenschap waarin de aandelen in de Holding voor een waarde van ƒ 3.000.000,-- werden opgenomen en aan de man toegedeeld, heeft gedwaald omtrent de waarde van die aandelen en daardoor voor meer dan een vierde is benadeeld.

3.5.1 De onderdelen 2 en 5a kunnen gezamenlijk worden behandeld voor zover zij klagen over (onderdeel 2) onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof in rov. 4.6 dat de vrouw gebonden is aan de afspraak in 1998 om de waarde van de aandelen per 31 december van dat jaar bindend te doen taxeren en over (onderdeel 5a) onbegrijpelijkheid van het oordeel in diezelfde rechtsoverweging dat partijen voor de waardering van de aandelen de peildatum van 31 december 1998 zijn blijven aanhouden en wat dit aangaat ook niet anders hebben gesteld.

3.5.2 In cassatie is niet bestreden het oordeel van het hof in rov. 4.3 dat de beoordeling van het beroep van de vrouw op bedrog, dwaling of redelijkheid en billijkheid volgens beide partijen moet plaatsvinden naar de situatie op (de peildatum van) 31 mei 2000. Dit oordeel moet, gelet ook op de wederzijdse standpunten in hoger beroep, aldus worden begrepen dat zowel voor de waardering van de te verdelen goederen als voor de beantwoording van de vraag of voormeld beroep van de vrouw gegrond is bepalend zijn de waarden van die goederen op 31 mei 2000.

3.5.3 Met dit uitgangspunt zijn de in 3.5.1 weergegeven oordelen van het hof niet te verenigen. Terecht worden die oordelen dan ook in de onderdelen 2 en 5a als onbegrijpelijk bestempeld.

3.6 De overige klachten behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 7 oktober 2004;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, P.C. Kop, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 28 april 2006.