Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV7892

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-07-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
C05/117HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV7892
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Invorderingszaak; sprongcassatie. Geschil tussen de ontvanger en een particulier over de vraag of de ontvanger op de voet van de verrekeningsregeling van het Burgerlijk Wetboek zijn schuld uit hoofde van een proceskostenveroordeling in een eerder kort geding – zie HR 29 oktober 2004, nr. C03/022, NJ 2005, 90 – mag verrekenen met zijn vordering wegens onverschuldigde betaling; bijzondere verrekeningsregeling van art. 24 Iw 1990 geldt alleen voor belastingvorderingen en niet voor civielrechtelijke vorderingen als de onderhavige.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 457
NJ 2006, 638 met annotatie van J.W. Zwemmer
RvdW 2006, 734
V-N 2006/38.23 met annotatie van Redactie
JWB 2006/251
FutD 2006-1480 met annotatie van Fiscaal up to Date
JOR 2006/275 met annotatie van A.J. Tekstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 juli 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/117HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats], Polen,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/OOST BRABANT, voorheen de Ontvanger van de Belastingdienst/Ondernemingen Eindhoven,

kantoorhoudende te Eindhoven,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.J. Schenck.

1. Het geding in feitelijke instantie

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de Ontvanger - heeft bij exploot van 6 januari 2005 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch en na vermeerdering van eis ter terechtzitting van 4 februari 2005 gevorderd bij vonnis, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. de door [eiser] op of omstreeks 4 januari 2005 ten laste van de Ontvanger gelegde beslagen onder de Postbank en onder de Nederlandsche Bank op te heffen, althans [eiser] te gelasten deze beslagen op te heffen binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- voor elke dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke is aan voormeld bevel tot opheffing van de beslagen te voldoen;

b. [eiser] te verbieden (verdere) executiemaatregelen te nemen om te komen tot de tenuitvoerlegging van het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 19 december 2002 en/of het arrest van de Hoge Raad van 29 oktober 2004, op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere overtreding van dit verbod, en

c. [eiser] te veroordelen in de kosten van het geding.

[Eiser] heeft de vorderingen bestreden.

De voorzieningenrechter heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 1 maart 2005 de vorderingen van de Ontvanger met matiging van de gevorderde dwangsom toegewezen en [eiser] in de kosten van dit geding veroordeeld.

Het vonnis van de voorzieningenrechter is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de voorzieningenrechter heeft [eiser] op de voet van art. 398 lid 2º Rv. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat en voor de Ontvanger namens zijn advocaat door mr. M. Ynzonides, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 14 april 2006 op deze conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) In het arrest van de Hoge Raad van 29 oktober 2004, nr. C03/002, NJ 2005, 90, gewezen tussen de Ontvanger en [eiser], en in het daaraan voorafgaande arrest van het gerechtshof te Amsterdam is de Ontvanger veroordeeld in de proceskosten. Uit dien hoofde heeft [eiser] een vordering op de Ontvanger tot een bedrag van € 2.772,94. Bij brief van 15 november 2004 heeft [eiser] de Ontvanger verzocht dit bedrag te voldoen.

(ii) Bij brief van 19 november 2004 heeft de Ontvanger aan [eiser] medegedeeld dat hij de vordering van [eiser] uit hoofde van de proceskostenveroordelingen wenst te verrekenen met een vordering die de Ontvanger op [eiser] heeft ter zake van onverschuldigde betaling tot een bedrag van € 5.705,38.

3.2 Het gaat in deze zaak om de vraag of de Ontvanger op de voet van de verrekeningsregeling van het Burgerlijk Wetboek zijn schuld aan [eiser] mag verrekenen met de vordering die hij op [eiser] heeft. De voorzieningenrechter heeft deze vraag bevestigend beantwoord, onder verwijzing naar art. 24 Invorderingswet 1990 (Iw 1990) en de parlementaire geschiedenis van dit artikel. De voorzieningenrechter heeft in rov. 4.2 beide vorderingen - onbestreden in cassatie - gekwalificeerd als civielrechtelijke vorderingen, niet zijnde belastingschulden in de zin van art. 24 Iw 1990.

3.3.1 Het eerste middel, dat met een rechtsklacht opkomt tegen het oordeel van de voorzieningenrechter, betoogt dat art. 24 Iw 1990 iedere verrekening door de ontvanger op de voet van het Burgerlijk Wetboek uitsluit, ook als het gaat om enkel civielrechtelijke vorderingen.

Het middel faalt.

In art. 24 Iw 1990 wordt in het eerste lid bepaald dat met betrekking tot rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen, voor zover de invordering daarvan aan de ontvanger is opgedragen, verrekening op de voet van afdeling 12 van Titel 1 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek niet mogelijk is. In de volgende leden van het artikel is een bijzondere verrekeningsregeling neergelegd met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde vorderingen. Blijkens de tekst van art. 24 Iw 1990 ziet de uitsluiting van verrekening op de voet van het Burgerlijk Wetboek slechts op, kort gezegd, belastingvorderingen. Ook uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8 en 10 weergegeven parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever de uitsluiting heeft willen beperken tot laatstbedoelde vorderingen en dat de bijzondere verrekeningsregeling van art. 24 Iw 1990 is ingegeven door "het specifieke karakter van de belastingvorderingen". Dit betekent dat indien het gaat om verrekening van vorderingen die niet kunnen worden aangemerkt als belastingvorderingen en het specifieke karakter van die vorderingen dus geen rol speelt, geen grond bestaat voor uitsluiting van de verrekeningsregeling van het Burgerlijk Wetboek. In een geval als het onderhavige, waarin de voorzieningenrechter - onbestreden in cassatie - heeft vastgesteld dat zowel de schuld van de Ontvanger aan [eiser] als de vordering van de Ontvanger op [eiser] civielrechtelijk van aard is, staat art. 24 Iw 1990 dan ook niet aan verrekening op de voet van het Burgerlijk Wetboek in de weg. Anders dan het middel betoogt, dwingt eerdergenoemd arrest van de Hoge Raad van 29 oktober 2004 niet tot een andere opvatting. Het middel miskent dat het in dat arrest niet ging om tegenover elkaar staande civielrechtelijke vorderingen maar om de vraag of de ontvanger een belastingvordering op de belastingschuldige mag verrekenen met een civielrechtelijke vordering van de belastingschuldige op de ontvanger.

3.3.2 Het tweede middel, dat op het eerste voortbouwt, faalt eveneens.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 362,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 juli 2006.