Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV6128

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
14-06-2006
Zaaknummer
01342/05 A
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV6128
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Art. 429.1 SvNA en art. 10.2 Cassatieregeling voor de NA en Aruba; na verstekvonnis in appèl verzet noch cassatie. Voor verdachte, die in appèl bij verstek is veroordeeld, heeft niet het rechtsmiddel van verzet opengestaan. Gelet hierop kan - anders dan in HR NJ 1997, 577- het cassatieberoep niet worden verstaan als verzet tegen het vonnis van het hof. Uit het voorgaande vloeit voort dat verdachte in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 363
NJ 2006, 420 met annotatie van J.M. Reijntjes
RvdW 2006, 619
NBSTRAF 2006/257
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juni 2006

Strafkamer

nr. 01342/05 A

SG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 29 maart 2005, nummer H-13/2002, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao van 19 oktober 2001 - de verdachte ter zake van 1. "doodslag vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren", 2. "overtreding van het verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapen- verordening 1930, meermalen gepleegd" en 3. "opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, van de Opiumlandsverordening" veroordeeld tot twaalf jaren gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. Daarbij zijn geen middelen van cassatie tegen het bestreden vonnis voorgesteld, doch is verzocht dat de Hoge Raad het ingestelde cassatieberoep aldus zal verstaan dat de verdachte verzet heeft gedaan tegen dat vonnis. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het cassatieberoep.

3. Procesgang

De verdachte is bij vonnis van 19 oktober 2001 van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, vrijgesproken van de hem onder 1. en 2. tenlastegelegde feiten, te weten gekwalificeerde doodslag en vuurwapenbezit. De verdachte, die zich toen in voorlopige hechtenis bevond, is evenals zijn raadsman bij de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting in eerste aanleg aanwezig geweest. Ter terechtzitting van 29 januari 2002 is de behandeling van de zaak in hoger beroep aangevangen. De verdachte is niet op die zitting verschenen. Op de nadere terechtzitting van 14 december 2004 is de verdachte evenmin verschenen en heeft de raadsman de afwezigheid van de verdachte toegelicht.

De oproeping voor de zitting van 15 maart 2005 is aan de verdachte in persoon betekend. Ter terechtzitting van 15 maart 2005 waar de verdachte wederom niet was verschenen heeft de raadsman het woord ter verdediging gevoerd. Bij vonnis van 29 maart 2005 heeft het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba de verdachte bij verstek veroordeeld, zoals hiervoor onder 1 is vermeld.

4. Beoordeling van de schriftuur

4.1. In de schriftuur wordt aangevoerd dat ingevolge art. 10, tweede lid, Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba tegen het bestreden vonnis geen cassatieberoep openstaat, dat het ingestelde cassatieberoep zal moeten worden verstaan als verzet en dat de stukken van het geding naar de Griffier van het Hof dienen te worden gezonden. Daarbij verwijst de schriftuur naar HR 27 mei 1997, NJ 1997, 577.

4.2. Art. 10, tweede lid, Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba luidt:

"De verdachte kan geen beroep in cassatie instellen tegen bij verstek gewezen vonnissen."

4.3. Art. 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen luidt sedert 1 oktober 1997, voorzover hier van belang:

"Tegen een bij verstek gewezen vonnis, in eerste aanleg als einduitspraak gegeven, kan degene die daarbij niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken, noch daaraan geheel of gedeeltelijk heeft voldaan, verzet doen:

(...)"

Genoemd wetboek kent geen vergelijkbare bepaling voor in hoger beroep gegeven einduitspraken.

4.4. Ingevolge laatstgenoemde bepaling heeft voor de verdachte, die in hoger beroep bij verstek is veroordeeld, niet het rechtsmiddel van verzet opengestaan. Gelet hierop kan - anders dan in de zaak beslist bij arrest van de Hoge Raad van 27 mei 1997, NJ 1997, 577 - het beroep in cassatie niet worden verstaan als verzet tegen het vonnis van het Hof.

4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat de verdachte in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 13 juni 2006.