Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV6085

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-04-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
R06/012HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV6085
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Verzoek om voorwaardelijke machtiging, verlening van een voorlopige machtiging onder ontbindende voorwaarde dat de – ter zitting afwezige – officier van justitie op de voet van art. 8a Wet Bopz niet binnen enkele dagen een daartoe strekkend verzoek zal doen; rechtskracht van ter zitting gegeven beslissing; geen ambtshalve bevoegdheid rechter andere machtiging te verlenen dan verzocht; rechtszekerheid, strijd met art. 2 lid 1 Wet Bopz, art. 15 Gw. en 5 EVRM

Wetsverwijzingen
Grondwet 15, geldigheid: 2006-04-14
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 2, geldigheid: 2006-04-14
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 8a, geldigheid: 2006-04-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BJ 2006/25 met annotatie van W. Dijkers
NJ 2008, 436
JOL 2006, 233
RvdW 2006, 386
JWB 2006/137

Uitspraak

14 april 2006

Eerste Kamer

Rek.nr. R06/012HR

MK/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later.

t e g e n:

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT HAARLEM,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instantie

De officier van justitie in het arrondissement Haarlem heeft bij een op 9 november 2005 ter griffie van de rechtbank aldaar ingekomen verzoekschrift, gedateerd 26 oktober 2005, onder overlegging van een op 21 oktober 2005 ondertekende geneeskundige verklaring van psychiater [betrokkene 1], een niet bij de behandeling betrokken psychiater, een verzoek ingediend bij de rechtbank tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging om het verblijf van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: betrokkene - in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren.

Ter zitting van de rechtbank van 10 november 2005 zijn betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en de behandelend psychiater gehoord. De officier van justitie was niet aanwezig. Ter zitting is met instemming van alle aanwezigen gesproken over een voorlopige machtiging, in de verwachting dat de officier van justitie een verzoek daartoe binnen enkele dagen - overeenkomstig het bepaalde in art. 8a Wet Bopz - zou doen.

De rechtbank heeft bij een op 10 november 2005 gedateerde en ter zitting van diezelfde dag uitgesproken beschikking een voorlopige machtiging verleend tot het doen verblijven van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van zes maanden.

Op 16 november 2005 heeft de officier van justitie een nieuw verzoekschrift ingediend bij de rechtbank, met het verzoek een voorlopige machtiging te verlenen om het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren. Bij dit verzoek is geen geneeskundige verklaring gevoegd, maar is volstaan met een verwijzing naar de eerder overgelegde verklaring van voormelde psychiater [betrokkene 1].

De hiervoor genoemde beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank te Haarlem.

3. Beoordeling van het middel

3.1.1 De rechtbank heeft het hiervoor in 1 vermelde verzoek van de officier van justitie in het arrondissement Haarlem tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging het verblijf van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren, behandeld ter terechtzitting van 10 november 2005 in aanwezigheid van betrokkene, vergezeld van zijn raadsman, en de behandelaar. De officier van justitie was toen niet aanwezig.

Op die zitting heeft de rechtbank, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal medegedeeld:

"- dat het verzoek tot een voorwaardelijke machtiging op dit moment moet worden afgewezen, omdat betrokkene niet instemt met de door de psychiater noodzakelijk geachte voorwaarden;

- dat de officier van justitie op de voet van het bepaalde in art. 8a wet BOPZ benaderd zal worden;

- dat zoals besproken, te verwachten is dat de officier een verzoek tot een voorlopige machtiging zal doen;

- dat thans beslist wordt onder de ontbindende voorwaarde dat de officier binnen enkele dagen een verzoek tot voorlopige machtiging met betrekking tot betrokkene zal indienen."

Tot slot heeft de rechtbank op die zitting meegedeeld dat "de beschikking zo spoedig mogelijk zal worden gegeven".

3.1.2 Vervolgens heeft de officier van justitie bij op 16 november 2005 ter griffie ingekomen verzoekschrift de rechtbank verzocht een voorlopige machtiging te verlenen het verblijf van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis te doen voortduren.

Daags daarna, op 17 november 2005, heeft de rechtbank een schriftelijke beschikking afgegeven, waarbij zij een machtiging heeft verleend tot het doen verblijven van betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van zes maanden.

Deze beschikking vermeldt in de kop "beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 10 november 2005" en aan de voet dat zij in het openbaar is uitgesproken ter terechtzitting van 10 november 2005. Voorts wordt daarin, voor zover thans van belang, overwogen:

"Ter zitting van 10 november 2005 is het verzoek betreffende een voorwaardelijke machtiging besproken. Omdat er geen behandelplan was opgemaakt en betrokkene niet instemde met de door de psychiater noodzakelijk geachte voorwaarden (...), is besproken dat de officier van justitie in overweging gegeven zou worden een voorlopige machtiging te verzoeken. Ter zitting is vervolgens, met instemming van alle aanwezigen, gesproken over een voorlopige machtiging, in de verwachting dat de officier die zou gaan verzoeken. Beslist is ook op een verzoek tot voorlopige machtiging."

3.1.3 Gelet op al het voorgaande moet in cassatie ervan worden uitgegaan dat sprake is van één beschikking die op 10 november 2005 is uitgesproken en op 17 november 2005 in schriftelijke vorm is afgegeven.

3.2.1 Onderdeel I van het middel klaagt onder meer dat de beschikking, mede gelet op art. 5 EVRM, in strijd is met de wet omdat op 10 november 2005 nog niet een verzoek van de officier van justitie tot het geven van een (onvoorwaardelijke) machtiging voorlag.

3.2.2 Deze klacht is terecht voorgesteld. Op grond van het bepaalde in art. 2 lid 1 en 14a lid 1 Wet Bopz kan de rechtbank een voorlopige machtiging en een voorwaardelijke machtiging slechts verlenen na een daartoe strekkend verzoek van de officier van justitie. Zij heeft niet de bevoegdheid ambtshalve een andere machtiging te verlenen dan door de officier van justitie is verzocht. Indien de rechtbank op grond van het door haar ingestelde onderzoek zich afvraagt of in de gegeven omstandigheden een andere maatregel dan de verzochte niet passender is, kan zij op de voet van art. 8a Wet Bopz de officier van justitie hiermee confronteren, het aan hem overlatend te bezien of er grond is het verzoek te wijzigen dan wel het voorliggende verzoek nader te beargumenteren (zie voor een en ander HR 29 april 2005, nr. R05/018, RvdW 2005, 67).

3.2.3 In het onderhavige geval heeft de rechtbank geen gebruik gemaakt van de in art. 8a Wet Bopz geboden mogelijkheid de behandeling op een later tijdstip voort te zetten teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen zijn inleidend verzoek aan te passen. Zij heeft daarentegen terstond mondeling uitspraak gedaan, volgens de schriftelijke beschikking "op een verzoek tot een voorlopige machtiging", terwijl een dergelijk verzoek op dat moment ontbrak. De conclusie kan geen andere zijn dan dat zij ambtshalve een andere machtiging heeft verleend dan door de officier van justitie was verzocht, hetgeen, naar uit het overwogene in 3.2.2 volgt, in strijd is met het bepaalde in art. 2 lid 1 Wet Bopz.

Hieraan doet niet af dat de rechtbank haar beslissing op die zitting heeft gegeven onder de hiervoor onder 3.1.1 vermelde ontbindende voorwaarde dat de officier van justitie - naar de Hoge Raad begrijpt - niet binnen enkele dagen een verzoek tot voorlopige machtiging met betrekking tot betrokkene zal indienen, een voorwaarde die overigens niet in de schriftelijke beschikking is terug te vinden. Die voorwaarde kon namelijk rechtens geen effect sorteren. De wet voorziet in de mogelijkheid daartoe niet en die voorwaarde is ook niet aanvaardbaar. De rechtszekerheid eist op dit punt, in verband met de door art. 15 Grondwet en art. 5 EVRM gewaarborgde rechten van de betrokkene ten aanzien van zijn vrijheidsbeneming die een gedwongen opneming in een psychiatrisch ziekenhuis met zich brengt, dat geen enkele onduidelijkheid bestaat omtrent de rechtskracht van beschikkingen waarbij een machtiging ingevolge de Wet Bopz wordt verleend. Het verlenen van een voorwaardelijk of voorlopig karakter aan een zodanige beschikking - hetgeen dient te worden onderscheiden van de voorlopige of voorwaardelijke machtiging - is met die eis in strijd. Het vorenstaande is gezien de aard van de onderhavige materie - te weten: de gedwongen opneming van een persoon die gestoord is in zijn geestvermogens - niet anders ingeval de rechtbank op grond van hetgeen door of namens de betrokkene ter zitting is verklaard, mocht aannemen dat deze daarmee op dat moment instemde.

3.2.4 De omstandigheden dat de rechtbank haar beschikking eerst na ontvangst op 16 november 2005 van het verzoek tot voorlopige machtiging, op 17 november 2005 in schriftelijke vorm heeft afgegeven en dat zij in die beschikking overweegt "Beslist is ook op een verzoek tot voorlopige machtiging", voorzover zij daarmee tevens zou doelen op het op 16 november 2005 ontvangen verzoek van de officier van justitie, brengen niet mee dat de rechtbank haar beslissing alsnog kon doen berusten op laatstbedoeld verzoek. Haar eerder gegeven beslissing kreeg reeds op het moment dat zij ter zitting van 10 november 2005 was uitgesproken - naar uit het overwogene in 3.2.3 volgt - onvoorwaardelijke rechtskracht, zodat noch het op 16 november 2005 ontvangen verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een (onvoorwaardelijke) machtiging, noch de latere schriftelijke vastlegging, aan de inhoud daarvan iets kon veranderen.

3.3 Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en het middel voor het overige geen behandeling behoeft.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Haarlem van 10 november 2005;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar die rechtbank.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 april 2006.