Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV5025

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-03-2006
Datum publicatie
17-03-2006
Zaaknummer
40635
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2003:AO0049
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Overdrachtsbelasting; art. 4, lid 1, letter a, WBR; kwalificatie als ‘art. 4-vennootschap’.

Wetsverwijzingen
Wet op belastingen van rechtsverkeer 2
Wet op belastingen van rechtsverkeer 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2006/221 met annotatie van B.G. van Zadelhoff
FED 2006/58 met annotatie van J.C. VAN STRAATEN
Belastingadvies 2006/7.11
V-N 2006/18.26 met annotatie van Redactie
FutD 2006-0517
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 40.635

17 maart 2006

JBH

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. (voorheen: A B.V.), statutair gevestigd te Z, tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 oktober 2003, nr. 02/04381, betreffende na te melden op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting.

1. Voldoening, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbende heeft ter zake van de verkrijging van aandelen in B B.V. op aangifte voldaan een bedrag van ƒ 8910 aan overdrachtsbelasting. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag vervolgens bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf daarvan, welk verzoek bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende heeft op 29 december 2000 9,9 percent van de aandelen in B B.V. (hierna: de BV) verkregen. Ten tijde van die verkrijging verhuurde de BV haar vastgoed aan een aantal vennootschappen waarin belanghebbende op 29 december 2000 eveneens een (on)middellijk aandelenbelang van 9,9 percent verkreeg. Laatstgenoemde vennootschappen exploiteerden op dat moment in het door hen gehuurde vastgoed een of meer pizzeria's. Het financieel belang bij de overige 90,1 percent in de BV en de overige genoemde vennootschappen berustte op dat moment bij de broer van de enig aandeelhouder van belanghebbende. Deze broer oefende het gezag uit in alle betrokken vennootschappen.

3.2. Voor het Hof was in geschil of ter zake van de onderhavige verkrijging van aandelen in de BV overdrachtsbelasting verschuldigd is. Het geschil spitste zich toe op de vraag of de in onderdeel 4.2 van het arrest van de Hoge Raad van 6 november 1985, nr. 22834, BNB 1986/34, geformuleerde algemene regel ook van toepassing is indien de vennootschap waarin aandelen worden verkregen, weliswaar zelf geen zeggenschap uitoefent, maar behoort tot een juridisch conglomeraat van vennootschappen waarover een enkele (rechts)persoon uiteindelijk alle zeggenschap uitoefent, waardoor economisch sprake is van één bedrijf, "waarbij het bezit van onroerende zaken een noodzakelijkheid is voor de uitoefening van dat bedrijf (bijv. een hotelbedrijf)" (vgl. Kamerstukken II 1969/1970, 10 560, nr. 3, blz. 18).

3.3. Het Hof heeft - met juistheid - voor zijn oordeel als uitgangspunt genomen (zie onderdeel 4.2 van de uitspraak) dat voor de vraag of een vennootschap is aan te merken als een zogenoemde vastgoedvennootschap, die vennootschap in beginsel als afzonderlijke eenheid moet worden beschouwd. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de in het arrest BNB 1986/34 gemaakte uitzondering op dat uitgangspunt alleen kan worden aanvaard in het geval de BV zelf een bedrijf uitoefent, direct of, zoals in BNB 1986/34, indirect via een vennootschap waarover zij daartoe voldoende zeggenschap uitoefent. Tegen laatstvermeld oordeel keert zich het middel.

3.4. Ingevolge artikel 4, lid 1, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (tekst geldig vanaf 28 december 2000; hierna: de Wet) is voor het aanmerken van een lichaam als een zogenoemde vastgoedvennootschap vereist - voorzover thans van belang - dat haar in Nederland gelegen onroerende zaken als geheel genomen geheel of hoofdzakelijk dienstbaar zijn of waren aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken.

3.5. Zoals is geoordeeld in het arrest BNB 1986/34, is een vennootschap niet als een zogenoemde vastgoedvennootschap aan te merken als zij niet alleen onroerend goed exploiteert door middel van verhuur aan een andere besloten vennootschap waarin een ander bedrijf wordt uitgeoefend dan dat van handel in en/of exploitatie van onroerend goed, maar bovendien als houdstermaatschappij van die andere vennootschap over haar de feitelijke zeggenschap uitoefent. 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de BV niet als houdstermaatschappij de feitelijke zeggenschap uitoefende over de vennootschappen waaraan zij haar onroerende goederen verhuurde, en voorts dat zij geen andere activiteiten uitoefende dan die van de verhuur van haar onroerende goederen. Gelet hierop moet de BV worden aangemerkt als een lichaam zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, van de Wet. Het middel faalt derhalve.

3.6. Ten overvloede wijst de Hoge Raad erop dat in een situatie zoals die zich voordeed in het arrest BNB 1986/34 - waarin de betrokken vennootschap tevens houdstermaatschappij was -, sedert 28 december 2000 de vraag of een zodanige vennootschap is aan te merken als vastgoedvennootschap, moet worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in artikel 4, lid 4, van de Wet. In zodanig geval heeft bij het bepalen van de bezittingen van die houdstermaatschappij, ingevolge genoemde bepaling, naar evenredigheid van de onmiddellijke of middellijke deelneming in het andere lichaam, toerekening plaats van de bezittingen en schulden van het andere lichaam aan die houdstermaatschappij, mits die houdstermaatschappij voor ten minste een derde gedeelte van het geplaatste kapitaal onmiddellijk of middellijk aandeelhouder is van het andere lichaam. Blijkens haar ontstaansgeschiedenis heeft deze bepaling ook gevolgen voor de toetsing aan de zogenoemde doeleis (Kamerstukken II 1999/2000, 27030, nr. 3, blz. 15).

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.A. Streefkerk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2006.