Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV4978

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-04-2006
Datum publicatie
02-05-2006
Zaaknummer
01770/05 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV4978
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Klaagschrift tegen beslag op pand in Engeland. 1. Het middel klaagt dat de Rb een te beperkte uitleg heeft gegeven aan het klaagschrift. De Rb heeft geoordeeld dat klager zijn beklag heeft doen steunen op de gronden als in de bestreden beschikking vermeld. Die aan de Rb als feitenrechter voorbehouden uitleg van het klaagschrift en het verhandelde in raadkamer, zoals daarvan blijkt uit het pv, is niet onbegrijpelijk. 2. In aanmerking genomen dat de stukken van het SFO, waaronder een uittreksel van HM Land Registry, waaruit zou blijken “dat requirant sedert 16-1-95 aldaar als eigenaar van het pand staat geregistreerd”, bij de behandeling van een eerder klaagschrift niet voldoende waren voor het oordeel dat het pand uitsluitend aan klager in eigendom toebehoort, is het oordeel van de Rb dat door de nadien overgelegde verklaring van klager, inhoudende dat hij de enige eigenaar is van de inbeslaggenomen zaak, niet buiten twijfel is komen te staan dat het pand uitsluitend aan hem in eigendom toebehoort, niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

18 april 2006

Strafkamer

nr. 01770/05 B

LR/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Breda, van 20 mei 2005, nummer RK 05/267, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:

[Klager], wonende te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk), ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden beschikking

De Rechtbank heeft ongegrond verklaard het door de klager ingediende klaagschrift strekkende tot teruggave aan hem van de in bovenvermelde beschikking omschreven onroerende zaak.

2. Geding in cassatie

Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de ontvankelijkverklaring van de klager in zijn klaagschrift, is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. A.G. van der Plas, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking, doch uitsluitend voorzover het beklag daarin ongegrond is verklaard en tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beklag.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel strekt ten betoge dat de Rechtbank een te beperkte uitleg heeft gegeven aan het klaagschrift.

3.2. Het klaagschrift strekt tot opheffing van het naar aanleiding van een Nederlands rechtshulpverzoek op 27 maart 1998 gelegde beslag op het pand gelegen [a-straat 1], [plaats], met last tot teruggave aan de klager. De Rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe het volgende overwogen:

"De rechtbank stelt vast dat de betreffende onroerende zaak onderwerp van een door veroordeelde ingediend klaagschrift is geweest. In de beslissing van 1 juli 2003 heeft de rechtbank het volgende overwogen.

"Wat betreft het beslag op [a-straat 1] overweegt de rechtbank dat uit voormeld onderzoek (verwezen wordt naar voormelde samenvatting) blijkt dat [betrokkene 1] met zijn gezin dit pand bewoonde en dat de drie broers met hun gezin dit pand thans nog bewonen. Uit dit onderzoek zijn diverse tegenstrijdigheden met betrekking tot de eigendom naar voren gekomen. In een van de verhoren is bijvoorbeeld naar voren gekomen dat het pand door klagers gezamenlijk is gekocht. Waar de rechtbank onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat dit pand uitsluitend aan een derde in eigendom toebehoort, moet worden geoordeeld dat het beslag op deze zaak op goede gronden berust."

Deze beslissing van de rechtbank is, voorzover het bovenstaande overweging en het daaraan verbonden oordeel betreft, in rechte onaantastbaar geworden.

In de bijlage bij het klaagschrift is een persoonlijke verklaring opgenomen, waarin hij (de Hoge Raad leest: klager) onder meer verklaart de enige eigenaar van de in beslag genomen zaak te zijn.

Deze louter subjectieve verklaring kan niet afdoen aan voormelde overwegingen van de rechtbank.

Dit betekent dat niet buiten twijfel staat dat de betreffende zaak uitsluitend in eigendom aan klager toebehoort. De zaak komt derhalve niet voor teruggave aan klager in aanmerking. Voor zover klager mede-eigenaar is van de zaak, is naar het oordeel van de rechtbank niet hoogst onwaarschijnlijk dat een eventueel aan de veroordeelde/beslagene op te leggen

betalingsverplichting kan worden verhaald op diens aandeel in de in beslag genomen zaak, zodat zij tot zekerheid kan strekken voor de nakoming van die verplichting."

3.3. De Rechtbank heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat de klager zijn beklag heeft doen steunen op de gronden als in de bestreden beschikking vermeld. Die aan de Rechtbank als feitenrechter voorbehouden uitleg van het klaagschrift en het verhandelde in raadkamer, zoals daarvan blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal, is niet onbegrijpelijk.

3.4. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. Het middel klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel van de Rechtbank dat niet buiten twijfel staat dat het onderhavige pand uitsluitend aan de klager in eigendom toebehoort.

4.2. In aanmerking genomen dat de in het middel genoemde stukken van het Strafrechtelijk Financieel Onderzoek, waaronder een uittreksel van HM Land Registry, waaruit zou blijken "dat requirant sedert 16 januari 1995 aldaar als eigenaar van het pand staat geregistreerd", bij de behandeling van het eerdere klaagschrift niet voldoende waren voor het oordeel dat het onderhavige pand met uitsluiting van een ander of anderen aan de klager in eigendom toebehoort, is het oordeel van de Rechtbank dat door de nadien overgelegde verklaring van de klager, inhoudende dat hij de enige eigenaar is van de inbeslaggenomen zaak, niet buiten twijfel is komen te staan dat het onderhavige pand uitsluitend aan hem in eigendom toebehoort, niet onbegrijpelijk.

4.3. Het middel is ondeugdelijk.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 april 2006.