Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV4824

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-04-2006
Datum publicatie
18-04-2006
Zaaknummer
01082/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV4824
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Voor een veroordeling t.z.v. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is - voorzover hier van belang - vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen (HR NJ 2005, 448). Het hof heeft geoordeeld dat de door verdachte jegens verbalisanten X en Y gedane uitlatingen (“Vuile klootzakken als ik jullie weer tegenkom schiet ik jullie door de kop.” ”Jullie gaan eraan.”) onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij hen de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering, ook niet in het licht van de tweede volzin van art. 359.2 Sv. Daarbij verdient opmerking dat de aan het pv van de appèlzitting gehechte pleitnota weliswaar inhoudt dat verdachte kenbaar “stomdronken was en niet met hem te spreken viel”, maar ook dat “de aan beide verbalisanten nageroepen woorden op zichzelf genomen voldoende zijn om bij de bedreigden de redelijke vrees te doen ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2006, 397
JOL 2006, 248
RvdW 2006, 427

Uitspraak

18 april 2006

Strafkamer

nr. 01082/05

SG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 1 maart 2005, nummer 24/000772-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Grittenborgh" te Hoogeveen.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden van 27 mei 2004, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van 3. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed nu het Hof heeft verzuimd te beslissen op het verweer dat de in de bewezenverklaring genoemde personen zich redelijkerwijs niet bedreigd konden voelen.

3.2.1. Overeenkomstig de inleidende dagvaarding is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 30 december 2003 te Heerenveen [H.] (agent van politie) en [B.] (hoofdagent van politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [H.] en [B.] dreigend de woorden toegevoegd: "Vuile klootzakken als ik jullie weer tegenkom schiet ik jullie door de kop." "Jullie gaan eraan"."

3.2.2. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. een proces-verbaal van bevindingen van 1 maart 2004, opgemaakt door [H.], agent van politie, en [B.], hoofdagent van politie, voorzover inhoudende als relaas van verbalisanten:

"Op 30 december 2003 werden wij gezonden naar perceel [a-straat 1] te Heerenveen, alwaar iemand mishandeld zou zijn. Het bleek te gaan om [verdachte]. Hij ging vrijwillig mee naar het bureau. Daar begon hij zich steeds recalcitranter te gedragen. Wij wilden dat [verdachte] het bureau zou verlaten. Op dat moment zagen wij dat de man zich omdraaide en de volgende woorden tegen ons sprak: 'Vuile klootzakken, als ik jullie weer tegenkom schiet ik jullie door de kop. Jullie gaan eraan'."

b. een proces-verbaal van politie van 31 december 2003, voorzover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik ben gisteravond, 30 december 2003, naar [betrokkene 1], wonende aan de [a-straat] te Heerenveen, gegaan. Ik ben toen vrijwillig met de beide politiemannen meegegaan naar het politiebureau om de zaak daar te bepraten. Die agenten en ik lagen elkaar niet. Over en weer hadden wij onenigheid in woorden. Toen mocht ik weggaan. Een van die agenten zei tegen mij dat hij mij daar nooit meer wilde zien. Toen maakte ik mogelijk een opmerking."

3.3.1. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is - voorzover hier van belang - vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen (vgl. HR 7 juni 2005, NJ 2005, 448).

3.3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de door de verdachte jegens [H.] en [B.] gedane uitlatingen onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij hen de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent de in art. 285 Sr voorkomende woorden "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht", die in de tenlastelegging en bewezenverklaring klaarblijkelijk in overeenkomstige zin zijn gebezigd. Dat oordeel, dat - gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen - niet onbegrijpelijk is, behoefde geen nadere motivering, ook niet in het licht van het voorschrift van de tweede volzin van het tweede lid van art. 359 Sv. Daarbij verdient opmerking dat de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota weliswaar inhoudt - zoals in het middel wordt aangevoerd - dat de raadsman aldaar heeft betoogd dat de verdachte kenbaar "stomdronken was en niet met hem te spreken viel", maar dat diezelfde pleitnota ook inhoudt dat de raadsman heeft gesteld dat "de aan de beide verbalisanten nageroepen woorden op zichzelf genomen voldoende zijn om bij de bedreigden de redelijke vrees te doen ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen".

3.4. Het middel faalt derhalve.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 18 april 2006.