Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV4316

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-04-2006
Datum publicatie
07-04-2006
Zaaknummer
C05/094HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV4316
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2003:AS3109
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bedrijfsongeval. Geschil tussen een opdrachtgever tot levering en plaatsing van een stoomketel en een werknemer van een onderaannemer, die tijdens zijn isolatiewerkzaamheden door een ontploffing van een PVC-leiding lichamelijk letsel heeft opgelopen, over de aansprakelijkheid van deze opdrachtgever; bevrijdende verjaring, aanvangstijdstip termijn, bekendheidsvereiste als bedoeld in art. 3:310 lid 1 BW, passeren van een essentiële stelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2006/118
JOL 2006, 222
RvdW 2006, 378
JAR 2006, 118
VR 2006, 103
JWB 2006/115

Uitspraak

7 april 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/094HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: eerst mr. M.H. van Woude,

thans mr. N.T. Dempsey,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploten van 29 juni 1999 thans eiseres tot cassatie en daarnaast [A] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], - verder afzonderlijk te noemen: [A] en [eiseres] - gedagvaard voor de rechtbank te Roermond en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat [A] en [eiseres] beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van het bedrijfsongeluk op 18 mei 1994, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet met bijrekening van de wettelijke rente over die schade vanaf 18 mei 1994 tot de dag der algehele voldoening, althans subsidiair vanaf de dag der dagvaarding met veroordeling van hen hoofdelijk in de kosten van deze procedure.

[A] en [eiseres] hebben de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 20 juli 2000 de vordering ten aanzien van [A] en [eiseres] afgewezen met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten van beiden en dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Tegen het vonnis heeft [verweerder] bij exploot van 5 oktober 2000 in de zaak tegen [A] en bij exploot van 30 september 2002 in de zaak tegen [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Op verzoek van [verweerder] heeft het hof bij arrest van 22 juli 2003 in het incident beide zaken gevoegd en de hoofdzaak naar de rol verwezen voor voortprocederen.

Bij arrest van 30 november 2004 heeft het hof inzake de eis tegen [A] het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, [verweerder] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [A] veroordeeld, en inzake de eis tegen [eiseres] het vonnis waarvan beroep vernietigd voor zover daarbij de vordering van [verweerder] jegens [eiseres] is afgewezen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [verweerder] alsnog toegewezen en [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van [verweerder] in beide instanties veroordeeld.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiseres], toen nog Boka (Handelmaatschappij B.V.) geheten, heeft aan Agriculture Engineering Maasbree B.V. (hierna: AEM) opdracht gegeven een stoomketel (ketel en gasstraat) te plaatsen in het nieuwbouwpand waarmee haar bedrijf werd uitgebreid.

(ii) AEM heeft de levering en de plaatsing van de stoomketel en gasstraat uitbesteed aan diverse bedrijven.

(iii) Het isoleren van PVC-leidingen heeft AEM uitbesteed aan [A] B.V., die op haar beurt CA-LA B.V. (hierna: CA-LA) als (onder)onderaannemer heeft aangesteld.

(iv) Op dinsdag 18 mei 1994 kwam [verweerder], in dienst van CA-LA, met twee collega's op het bedrijf van Boka. Zij zijn op de zolder die zich bevond boven de ruimte waar de hiervoor genoemde ketel en gasstraat waren geplaatst, isolatiewerkzaamheden gaan uitvoeren, waarbij kunststofschuimrubber rondom PVC-koelleidingen werd aangebracht. De PVC-leidingen waren geplaatst door AEM. Kort nadat [verweerder] en zijn collega's met het isolatiewerk begonnen, ontplofte de PVC-leiding waaraan [verweerder] werkte. Dit gebeurde direct nadat de lasser van AEM zijn lasapparaat in werking zette.

(v) Het rondvliegend PVC raakte en verwondde aldaar werkzame werknemers van AEM en CA-LA. [Verweerder] kreeg onder meer een stuk PVC in zijn rechteroog, dat daardoor blind werd, en door de explosie is het trommelvlies van zijn rechteroor geperforeerd en lijdt hij aan gehoorverlies wegens lawaaischade.

(vi) De inspectiedienst SZW (de arbeidsinspectie) is op 24 mei 1994 in kennis gesteld van het ongeval en heeft op 4 juni 1994 ter plekke een onderzoek ingesteld. Het rapport is pas op 13 februari 1996 voltooid. Hierin wordt geconcludeerd dat de oorzaak van het ongeval zeer waarschijnlijk is gelegen in de opeenhoping van gas in de naar de zolder lopende en aan de onderkant in het ketelhuis nog open zijnde PVC-leidingen, die geëxplodeerd zijn op het moment dat de lasser van AEM met zijn laswerk begon op diezelfde zolder.

(vii) [Verweerder] is sinds het ongeval arbeidsongeschikt in de zin van de WAO.

3.2 [Verweerder] heeft gevorderd, kort gezegd, een verklaring voor recht dat [eiseres] aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden tengevolge van dit bedrijfsongeval.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen en overwoog daartoe dat de raadsman van [verweerder] bij brief van 13 juni 1994 [eiseres] aansprakelijk heeft gesteld ter zake van dit bedrijfsongeval en eerst bij brief van 23 juni 1999 aan de verzekeraar van [eiseres] heeft medegedeeld dat zijn cliënt [eiseres] in rechte ging betrekken. De dagvaarding van [eiseres] is betekend op 29 juni 1999. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat, hoewel de omvang van de schade nog moest worden vastgesteld, in de onderhavige kwestie het schadefeit bekend was en ook de aansprakelijke persoon aan [verweerder] bekend was, getuige het feit dat hij reeds op 13 juni 1994 [eiseres] aansprakelijk heeft gesteld. Nu aan beide wettelijke vereisten voor toepassing van art. 3:310 lid 1 BW is voldaan, heeft de rechtbank het verweer van [eiseres] dat de vorderingen jegens haar zijn verjaard, gegrond geoordeeld.

3.3 Het hof heeft wel de door [verweerder] gevorderde verklaring voor recht gegeven en heeft daartoe onder meer geoordeeld dat de vordering van [verweerder] nog niet was verjaard. Het heeft overwogen dat [verweerder] destijds alle betrokkenen aansprakelijk heeft gesteld, maar nog onvoldoende omtrent de toedracht van het ongeval en de mogelijke aansprakelijke personen wist om gericht een vordering in te stellen; pas door de ontvangst van het rapport van de arbeidsinspectie van 13 februari 1996 kon hij bekend zijn met de aansprakelijke personen. Eerst na ontvangst van de rapportage omtrent het onderzoek dat naar het ongeval is ingesteld, waarbij de toedracht zo goed mogelijk kon worden vastgesteld en eveneens de diverse hoedanigheden van de betrokken aannemers, leveranciers en opdrachtgevers duidelijk werden, kon [verweerder], aldus het hof, redelijkerwijs beslissen omtrent het instellen van een rechtsvordering. De korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW ving derhalve pas na 14 februari 1996 aan en [verweerder] heeft [eiseres] derhalve tijdig gedagvaard. (rov. 7.4.3)

3.4 Onderdeel II is gericht tegen het in rov. 7.4.3 vervatte oordeel dat de vordering van [verweerder] niet is verjaard. Onderdeel II.a klaagt dat het hof in deze rechtsoverweging geen aandacht heeft besteed aan de in de memorie van antwoord (nr. 14) van [eiseres] gegeven reactie op het betoog van [verweerder] in diens memorie van grieven (blz. 8-9). [Verweerder] heeft aldaar betoogd dat hij van een brief van AEM aan haar verzekeraar van 18 mei 1994, waarin AEM het een en ander schrijft over de vermoedelijke oorzaak van het ongeval, eerst kennis heeft gekregen na de ontvangst van het volledige rapport van de arbeidsinspectie, waarbij zich een kopie van deze brief als bijlage bevond. [Eiseres] heeft in haar memorie van antwoord erop gewezen dat [verweerder] niet pas bij ontvangst van het rapport van de arbeidsinspectie kennis kreeg van dit door hem als cruciaal voor de aansprakelijkstelling van [eiseres] aangemerkte schrijven doch dat juist deze brief van AEM van 18 mei 1994 ten grondslag lag aan de brief van 13 juni 1994 van de raadsman van [verweerder], waarmee [verweerder] [eiseres] voor het eerst aansprakelijk heeft gesteld en de verjaring heeft gestuit. In deze laatste brief schreef de raadsman van [verweerder] dat hij de beschikking had over de brief van AEM van 18 mei 1994 en dat [verweerder] [eiseres] mede op basis van de in deze brief vervatte informatie aansprakelijk stelde.

De klacht is gegrond. De stelling van [eiseres] kan niet anders worden begrepen dan als inhoudend dat [verweerder] ten tijde van het doen uitgaan van de aansprakelijkstelling bij brief van 13 juni 1994 beschikte over zodanige gegevens dat de termijn van verjaring van zijn eventuele vordering op [eiseres] een aanvang had genomen: hij was toen in staat om [eiseres] aansprakelijk te stellen, de verjaring te stuiten en (ook) om daadwerkelijk een eventuele vordering tegen [eiseres] in te stellen. Indien de hiervoor weergegeven - essentiële - stelling van [eiseres] juist is, kan het in rov. 7.4.3 gegeven oordeel omtrent de verjaring van de vordering van [verweerder], geen stand houden.

3.5 Nu onderdeel II.a doel treft, behoeven de overige klachten van onderdeel II geen behandeling evenmin als de klachten van onderdeel I.

4. De beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 november 2004;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 456,78 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadheer E.J. Numann op 7 april 2006.