Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV4007

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-04-2006
Datum publicatie
11-04-2006
Zaaknummer
00440/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV4007
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2004:AR5874
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

De Ontvanger/Belastingdienst als benadeelde partij. O.g.v. art. 51a.1 Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich t.z.v. zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. De stelling dat alleen ‘een burger’ het recht heeft zich als benadeelde partij in een strafproces te voegen, vindt geen steun in het recht. De Ontvanger beschikt ter uitoefening van zijn taak niet alleen over de bijzondere aan de Invorderingswet ontleende bevoegdheden. Hij kan ook gebruik maken van de wettelijke bevoegdheden die een schuldeiser aan het burgerlijk recht kan ontlenen, waaronder maatregelen om op te komen tegen verkorting van zijn verhaalsrecht. Dit zgn. ‘open systeem’ brengt o.m. mee dat de Ontvanger t.z.v. een vordering die niet strekt tot invordering van belastingschulden, maar tot vergoeding van schade die de Ontvanger heeft geleden doordat de (volledige) invordering a.g.v. onrechtmatig handelen van de belastingplichtige niet meer mogelijk is, zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces waarin de belastingplichtige wegens dit handelen terechtstaat. ’s Hofs oordeel dat de Ontvanger ontvankelijk is in zijn vordering, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 51a
Invorderingswet 1990
Invorderingswet 1990 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2006, 165
NTFR 2006, 588 met annotatie van Thomas
NBSTRAF 2006/165
FutD 2006-0797
JOL 2006, 226
NJ 2006, 263
RvdW 2006, 402

Uitspraak

11 april 2006

Strafkamer

nr. 00440/05

PB/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 23 juni 2004, nummer 20/003485-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 1 juli 2003 - de verdachte ter zake van "opzettelijk enig goed aan het krachtens de Wet daarop gelegde beslag onttrekken" veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van dertig uren subsidiair vijftien dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de bestreden uitspraak voorzover daarbij is beslist aan de schadevergoedingsmaatregel geen vervangende hechtenis te verbinden, is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen voorzover daarbij aan de verdachte een verplichting tot betaling aan de Staat is opgelegd ten behoeve van de ontvanger van € 13.377,18 en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof de benadeelde partij ten onrechte ontvankelijk in haar vordering heeft verklaard, althans de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen.

3.2.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd:

"Ik merk op dat na bestudering van de memorie van toelichting van de Wet Terwee, mijns inziens met "het slachtoffer" een burger wordt bedoeld en niet een overheidsinstantie. Mijns inziens dient deswege de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard te worden. De belastingdienst heeft in casu een executoriale titel, een dwangbevel jegens mijn cliënt."

3.2.2. De bestreden uitspraak houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Door de raadsman is betoogd dat de "Wet Terwee" - door de nadruk die gelegd is op "het slachtoffer" - beoogt de positie van private personen in het strafproces te versterken. De Belastingdienst, als onderdeel van de Rijksoverheid, kan daarom niet als voegingsgerechtigde in de zin van artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering worden aangemerkt en zal derhalve niet ontvankelijk moeten worden verklaard in zijn vordering.

Volgens artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding voegen in het strafproces. Zoals kan worden afgeleid uit de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, 1989-90, 21345, nr. 3, pag. 5) zijn de bewoordingen van het huidige artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering ontleend aan het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 5 oktober 1965, NJ 1966, 292.

Wat reeds aanstonds opvalt is dat de Hoge Raad in dat arrest de rechtspersoon naar Engels recht die zich in die zaak als benadeelde partij had gesteld niet niet ontvankelijk verklaart omdat haar het recht om zich als beledigde partij te voegen in het strafproces zou moeten worden ontzegd, maar tot een inhoudelijk oordeel is gekomen.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever op enigerlei wijze de mogelijkheid om zich als benadeelde partij te voegen in het strafproces heeft willen beperken ten opzichte van de regeling zoals die eerder gold met betrekking tot de beledigde partij.

Gelet op de uitdrukkelijke bewoordingen van de wet valt - nu ook overigens uit de wetsgeschiedenis geen beperking op dit punt valt af te leiden - niet in te zien waarom rechtspersonen - of dit nu privaatrechtelijke dan wel publiekrechtelijke rechtspersonen zijn - zich niet als benadeelde partij zouden mogen voegen in het geval dat zij door het strafbare feit getroffen zijn in een belang dat de betrokken bepaling beoogt te beschermen. Nu door de onttrekking van de auto aan het beslag de verhaalsmogelijkheid van de Belastingdienst is gefrustreerd, is de Belastingdienst, en daarmee de Rijksoverheid, getroffen in een belang dat artikel 198 van het Wetboek van Strafrecht beoogt te beschermen en staat er, naar het oordeel van het hof, niets aan in de weg dat hij zich als benadeelde partij voegt in het strafproces tegen verdachte."

3.3.1. Op grond van art. 51a, eerste lid, Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Van rechtstreekse schade is sprake indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. De stelling in het middel dat alleen 'een burger' het recht heeft zich als benadeelde partij in een strafproces te voegen, vindt geen steun in het recht.

3.3.2. De Ontvanger beschikt ter uitoefening van zijn taak, die bestaat in de invordering van de rijksbelastingen (art. 3, eerste en derde lid, Invorderingswet 1990), niet alleen over de bijzondere aan de Invorderingswet ontleende bevoegdheden. Hij kan ook gebruik maken van de wettelijke bevoegdheden die een schuldeiser aan het burgerlijk recht kan ontlenen, waaronder maatregelen om op te komen tegen verkorting van zijn verhaalsrecht. Dit zogenoemde 'open systeem' brengt onder meer mee dat de Ontvanger ter zake van een vordering die niet strekt tot invordering van belastingschulden, maar tot vergoeding van schade die de Ontvanger heeft geleden doordat de (volledige) invordering als gevolg van onrechtmatig handelen van de belastingplichtige niet meer mogelijk is, zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces waarin de belastingplichtige wegens dit handelen terechtstaat.

3.4. Gezien het voorgaande getuigt het oordeel van het Hof dat de Belastingdienst Eindhoven (waarmee is bedoeld: de Ontvanger) ontvankelijk is in zijn vordering, niet van een onjuiste rechtsopvatting.

3.5. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onder-worpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 11 april 2006.