Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV1628

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-04-2006
Datum publicatie
28-04-2006
Zaaknummer
01615/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV1628
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking ex art. 322 Sr. 2. Voor valsheid in geschrift ex art. 225.1 Sr is enig gebruik van het geschrift niet vereist. Ad 1. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen had verdachte de desbetreffende gelden onder zich omdat hij in zijn hoedanigheid van bezoldigd bestuurder van de ACP door zijn werkgever (ACP) als beheerder van die gelden was aangesteld. ‘s Hofs oordeel dat die hoedanigheid van beheerder zozeer verknocht was met zijn dienstbetrekking bij de ACP, dat kan worden gezegd dat verdachte die gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had ex art. 322 Sr is – ook gelet op de overige inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen – onjuist noch onbegrijpelijk. Ad 2. Het ten onrechte ontbreken van een uitdrukkelijke met redenen omklede beslissing op het verweer dat van valsheid in geschrifte geen sprake kan zijn als het geschrift de boekhouding niet heeft verlaten, behoeft i.c. niet tot cassatie te leiden omdat het hof het verweer slechts had kunnen verwerpen. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 225.1 Sr. Bestanddeel daarvan is “het oogmerk om het (geschrift) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken”. De opvatting dat het begrip valsheid in geschrift ex art. 225.1 Sr enig gebruik van het geschrift veronderstelt, is onjuist. Het enkele valselijk opmaken of vervalsen van een tot bewijs van enig feit bestemd geschrift met bedoeld oogmerk is voldoende om die gedraging als valsheid in geschrift aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2006, 463
JOL 2006, 286

Uitspraak

25 april 2006

Strafkamer

nr. 01615/05

AG/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem van 12 november 2004, nummer 21/002109-03, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Utrecht van 11 april 2003 - de verdachte ter zake van 1 primair "verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd" en "verduistering, gepleegd door een beheerder van een stichting ten opzichte van enig goed dat hij als zodanig onder zich heeft, meermalen gepleegd", 2. "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en/of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd" en 3. "het medeplegen van valsheid in geschrift" veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van € 50.000,-, subsidiair 360 dagen hechtenis, waarvan € 25.000,-, subsidiair 180 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt erover dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte de geldbedragen die hij zich wederrechtelijk heeft toegeëigend, uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft gehad.

3.2. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 1991 tot 1 april 1998 te Nieuwegein en/of te Woerden en/of te Kamerik, gemeente Woerden en/of te Putten en/of te Leusden en/of te Utrecht opzettelijk enig goed, te weten

- op of omstreeks 14 december 1993 een geldbedrag van fl. 19.000 en

- op of omstreeks 22 februari 1994 een geldbedrag van fl. 17.130,00 en

- op of omstreeks 5 februari 1996 een geldbedrag van fl. 12.000,00 en

- op of omstreeks 17 september 1994 een geldbedrag van fl. 100.000,00 en

- op of omstreeks 5 februari 1996, geldbedragen van totaal fl. 21.717,63 bestaande uit geldbedragen van fl. 1.104,96 en fl. 1.684,91 en fl. 8.684,95 en fl. 10.242,81 en

- op of omstreeks 3 augustus 1996, een geldbedrag van fl. 2.400,00 en

- op of omstreeks 13 november 1996, een geldbedrag van fl. 20.216,11 en

- op of omstreeks 6 maart 1996, een geldbedrag van totaal fl. 3.593,55 bestaande uit geldbedragen van fl. 214,18 en fl. 3.379,37 en

- op of omstreeks 10 april 1991 een geldbedrag van fl. 4.500,00 en

- op of omstreeks 29 november 1993 een geldbedrag van fl. 15.000,00 en

- op of omstreeks 10 november 1994 een geldbedrag van fl. 75.000,00 en

- op of omstreeks 23 juni 1992 een geldbedrag van fl. 11.990,00 en

- op of omstreeks 8 oktober 1993 een geldbedrag van fl. 5.000,00 en

- op of omstreeks 2 februari 1994 een geldbedrag van fl. 465,00,

een geldbedrag van totaal fl. 111.995,00 en

- op of omstreeks 3 juni 1991 een geldbedrag van fl. 15.000,00 en

- op of omstreeks 5 januari 1993 een geldbedrag van fl. 55.000,00 en

- op of omstreeks 2 juni 1994 een geldbedrag van fl. 35.000,00 en

- op of omstreeks 23 juni 1992 een geldbedrag van fl. 6.666,26 en

- op of omstreeks 18 augustus 1992 een geldbedrag van fl. 1.426,65 en

- op of omstreeks 31 juli 1995 een geldbedrag van fl. 2.000,00 en

- op of omstreeks 6 december 1995 een geldbedrag van fl. 5.500,00 en

- op of omstreeks 10 oktober 1992 een geldbedrag van fl. 10.000,00 en

- op of omstreeks 13 april 1996 een geldbedrag van fl. 15.000,00 en

- op of omstreeks 2 juli 1996 een geldbedrag van fl. 5.000,00

geheel of ten dele toebehorend aan de Stichting Arbeidsmarkt en Opleidingsfonds voor de Overheid (A&O-fonds) en/of het Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel en/of de Algemene Christelijke Politiebond, in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, welke geldbedragen verdachte als (mede)beheerder van de Stichting Arbeidsmarkt en Opleidingsfonds voor de Overheid (A&O-fonds) en uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking (bestuurder, althans als penningmeester en/of voorzitter van de Algemene Christelijke Politiebond (ACP)), onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend"

3.3. De tenlastelegging is toegesneden op art. 322 Sr. Deze bepaling luidt:

"Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep, of tegen geldelijke vergoeding onder zich heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie."

3.4. De gebezigde bewijsmiddelen houden, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

(i) de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2004, inhoudende, voorzover van belang (bewijsmiddel 1):

"Op de bankrekening van het A&O-fonds staat het geld van meerdere projecten. Ik heb het wel eens een badkuip genoemd. Ik beheerde deze badkuip. Het geld dat op deze rekening stond, moest worden besteed aan de projecten van de ACP en werd ter beschikking gesteld door het A&O-fonds. Ik was als projectleider verantwoordelijk voor het beheer van het geld."

(ii) de verklaring van getuige-deskundige A.J.M. Klunder ter terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2004, inhoudende, voorzover van belang (bewijsmiddel 2):

"Ik weet dat de gelden in het A&O-fonds door het departement zijn verstrekt ter gezamenlijke besteding door alle politiebonden. De gelden van het A&O-fonds behoorden dus toe aan de politiebonden, niet aan verdachte als privé-persoon.

Ik ben bekend met de algemene machtiging van de ACP en de NPB aan onder meer verdachte. Deze machtiging heeft een zakelijk karakter. De machtiging is verstrekt aan personen in hun hoedanigheid van bestuurder. Het is geen vrijbrief om gelden uit het A&O-fonds te mogen overboeken naar privé-rekeningen, behoudens voor zover daarvoor een zakelijk onderbouwing voor zou zijn."

(iii) een als bijlage bij een proces-verbaal van politie gevoegd rapport van 31 maart 2000, inhoudende als relaas van bevindingen van A.J.M. Klunder, voorzover hier van belang (bewijsmiddel 3):

"4.2 Het beheer van de gelden

Tot 1 januari 1994 waren de vier voorzitters van de politiebonden, te weten ACP, Nederlandse Politie Bond (NPB), de Algemene Nederlandse Politie Vereniging (ANPV) en de Vereniging Middelbaar en Hoger Politiepersoneel (VMHP) gezamenlijk verantwoordelijk voor de besteding van A&O subsidies die bestemd waren voor de gezamenlijke politiebonden. Echter door de ANPV en VMHP was aan de ACP en NPB mandaat verleend voor het beheer van deze subsidies. Door de besturen van de ACP en de NPB was dit mandaat overgedragen aan [verdachte], vertegenwoordiger van de ACP alsmede aan [betrokkene 1], vertegenwoordiger van de NPB. Voor deze mandaten is een machtiging opgemaakt. De machtiging is niet gedateerd. Als slotzin wordt op de machtiging vermeld:

"Van de financiële stand van zaken zal door [verdachte en betrokkene 1], voor zover dat nodig en wenselijk wordt geoordeeld, rekenschap worden afgelegd naar het A&O fonds en naar de besturen van ACP en NPB".

In de praktijk was het [verdachte] die het geld feitelijk beheerde. Voor het beheer van de gelden is geen afzonderlijke rechtspersoon in het leven geroepen.

Deze situatie heeft zich tot 1 januari 1994 voortgezet; hierna is het beheer overgegaan naar het Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel. Vooraf werden de projecten beoordeeld door de Subsidiecommissie Arbeidsmarkt- en Opleidingsprojecten Politie (SAOP). De projecten die waren gestart vóór 1 januari 1994 werden door [verdachte] nog afgewikkeld tot in 1996.

[Verdachte] was in dienst van de ACP van 1 januari 1974 tot 1 april 1998. Vanaf 1981 was hij als secretaris werkzaam en vanaf 1993 als voorzitter van deze politiebond.

[Betrokkene 1] was voorzitter van de NPB.

Op 3 januari 1999 is [betrokkene 1] overleden.

De projecten werden voor een aanzienlijk deel door de ACP uitgevoerd en betaald. Verrekening van de te ontvangen subsidiegelden door de ACP in het kader van die projecten vond achteraf plaats met [verdachte] als beheerder van de A&O subsidiegelden."

(iv) een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 4):

"Ik ben in dienst geweest van de Algemene Christelijke Politiebond. Tot begin jaren negentig ben ik secretaris gebleven. Ik werd vervolgens voorzitter van de ACP.

(...)

Aan het einde van de jaren '80 kwamen er gelden vrij voor zogeheten A+O doelen. A+O doelen houdt in: Arbeidsmarkt en Opleiding. Later werd dit uitgebreid met wat meer emancipatoire doelen.

Ik kreeg het beheer voor dat deel van de subsidies dat was bedoeld voor de gezamenlijke projecten. Het ging om vele tonnen voor die gezamenlijke projecten, terwijl er daarnaast ook nog veel geld via de bankrekeningen die ik daarvoor had geopend, voor de afzonderlijke ACP-projecten binnenkwam."

(v) een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als relaas van bevindingen van de verbalisanten H.J. Rauwerdink en H.E. ter Maat (bewijsmiddel 5):

"De verdachte was als bezoldigd bestuurder van de ACP, voor de gezamenlijke politiebonden, (mede)beheerder van de zogenaamde A+O-gelden. Van deze gelden die hij in deze hoedanigheid onder zich had, heeft hij vernoemde bedragen overgemaakt naar de Nationale Nederlanden voor het aflossen van zijn privé-hypotheek."

3.5. Blijkens de hiervoor onder 3.4 weergegeven inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen had de verdachte de desbetreffende gelden onder zich omdat hij in zijn hoedanigheid van bezoldigd bestuurder van de ACP door zijn werkgever (ACP) als beheerder van die gelden was aangesteld. Het kennelijke oordeel van het Hof dat die hoedanigheid van beheerder zozeer verknocht was met zijn dienstbetrekking bij de ACP, dat kan worden gezegd dat de verdachte die gelden uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had in de zin van art. 322 Sr geeft - ook gelet op de overige inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen - geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk is.

3.6. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het derde middel

5.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen op het verweer dat van valsheid in geschrift in de zin van art. 225, eerste lid, Sr geen sprake kan zijn als, zoals hier het geval is, het desbetreffend geschrift de boekhouding van de verdachte niet heeft verlaten.

5.2. Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard

"hij op 4 januari 1993 te Kamerik, gemeente Woerden tezamen en in vereniging met een ander een schuldbekentenis (zie blz. 1162 en 1163 van het proces-verbaal) gedateerd 4 januari 1993, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt immers heeft verdachte en/of zijn mededader in strijd met de waarheid in deze schuldbekentenis opgenomen of doen opnemen dat [betrokkene 2] op 4 januari 1993 een som geld van fl. 55.000,00 ter leen heeft ontvangen van de Algemeen Christelijke Politiebond, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;"

5.3. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 29 oktober 2004 gehechte en daarvan deel uitmakende pleitnota houdt, voorzover hier van belang, in:

"Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde, persisteert de verdediging bij het gestelde bij de Rechtbank, dat hier geen sprake kan zijn van valsheid in geschrifte op grond van de geldende jurisprudentie dat van valsheid geen sprake kan zijn als het geschrift de boekhouding van de verdachte niet heeft verlaten."

5.4. Aldus is een verweer gevoerd waaromtrent het Hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing had moeten geven. Aangezien zodanige beslissing in de bestreden uitspraak niet voorkomt, is het middel gegrond.

Dat behoeft niet tot cassatie te leiden omdat het Hof het verweer slechts had kunnen verwerpen op grond van het volgende.

5.5. De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 225, eerste lid, Sr. Bestanddeel daarvan is "het oogmerk om het (geschrift) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken". Het verweer berust kennelijk op de opvatting dat het begrip valsheid in geschrift in de zin van art. 225, eerste lid, Sr enig gebruik van het geschrift veronderstelt. Die opvatting is onjuist. Het enkele valselijk opmaken of vervalsen van een tot bewijs van enig feit bestemd geschrift met bedoeld oogmerk is voldoende om die gedraging als valsheid in geschrift aan te merken.

5.6. Het middel faalt.

6. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 25 april 2006.