Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV1589

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
10-04-2006
Zaaknummer
00816/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV1589
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verduistering ex art. 322 Sr. 1. ’s Hofs oordeel dat verdachte opzettelijk wederrechtelijk zich geldbedragen heeft toegeëigend door daarover zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester te gaan beschikken, getuigt niet van een onjuiste uitleg van art. 322 Sr terwijl het evenmin onbegrijpelijk is, in aanmerking genomen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte de geldbedragen in haar zak stopte nadat zij de consumpties op de kassa had aangeslagen en de kassalade had geopend. De omstandigheid dat de bewijsmiddelen niet inhouden dat verdachte de geldbedragen buiten het pand van X heeft gebracht, doet daar niet aan af. 2. Art. 322 Sr vordert niet dat het verduisterde goed toebehoort aan degene tot wie verdachte in een persoonlijke dienstbetrekking staat (HR NJ 1930, p. 1532). Voldoende is dat verdachte het geld in beheer heeft gekregen vanwege en in haar functie van werkneemster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

4 april 2006

Strafkamer

nr. 00816/05

LR/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 21 december 2004, nummer 20/001702-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1942, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Breda van 18 september 2003 - de verdachte ter zake van "verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair zestig dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S. Arts, advocaat te Breda, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd.

3.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"zij op tijdstippen in de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 januari 2003, te Ulvenhout, gemeente Breda, telkens opzettelijk een of meerdere geldbedragen, die geheel of ten dele toebehoorden aan [A] en/of [B] en/of [C], en welke geldbedragen verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking als kantine-medewerkster onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend."

3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

(a) De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voorzover inhoudende:

"In de periode van 1 januari 2002 tot en met 3 januari 2003 was ik in dienst van [B] te Ulvenhout. Ik stond daar onder meer achter de bar. Ik maakte bestelde consumpties klaar en rekende die af met de klanten. De kassa, waarin de door mij ontvangen geldbedragen dienden te worden gedeponeerd stond op de bar."

(b) Een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [A]:

"Ik ben als exploitant werkzaam in [B] en als beheerder in dienst bij [B], [C], gevestigd [a-straat 1] te Ulvenhout. In 1987 heb ik als oproepkracht aangenomen: [verdachte], wonende te [woonplaats], [b-straat 1]. In 2000 ben ik met [verdachte] een arbeidsovereenkomst aangegaan.

Afgelopen voorjaar 2002 kwam haar collega, [getuige 1], naar mij toe. Zij zei tegen mij dat zij gezien had dat [verdachte] geld uit de kassa had weggepakt en dit in haar broekzak had gestopt.

[Verdachte] werkte gemiddeld anderhalve dienst per week. Dit waren zowel dag als avond diensten. Ongeveer 80% van haar diensten werkte zij alleen. Als er aan de kassa afgerekend wordt moet op de kassa worden aangegeven tot welke categorie diensten het afgeleverde product hoort. Zo kan er een onderscheid worden gemaakt in producten welke geleverd worden door de [B], dranken en snacks, en de producten die geleverd worden door [C], de verhuur van de diverse sportaccommodaties. Beiden zijn gedupeerd door de diefstallen.

[Verdachte] heeft in haar persoonlijke dienstbetrekking geld weggenomen dat zij uit hoofde van haar functie onder zich had. Dit geld was eigendom van zowel [B] en [C]."

(c) Een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [getuige 2]:

"Ik ben als horecamedewerkster in dienst bij [B] te Ulvenhout. Op vermoedelijk 12 mei 2002 was ik aan het werk in de kantine samen met [verdachte]. Ik stond achter de bar. Ik stond vlakbij [verdachte] en kort in de buurt van de kassa.

Ik zag toen dat [verdachte] twee bankbiljetten van € 10,00 in de kassa stopte. Ik zag dat [verdachte] één van die bankbiljetten weer uit de kassalade pakte. Ik zag dat zij dat bankbiljet in haar linker broekzak stopte."

(d) Een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [getuige 3]:

"Op een zondagmiddag na de zomervakantie van 2002 was ik met mijn man in de kantine. Ik zag toen dat [verdachte] met een bankbiljet van € 5,00 naar de kassa liep. Ik zag dat zij iets op de kassa aansloeg. Ik zag dat [verdachte] het bankbiljet in de palm van haar linkerhand vast hield. Toen de kassalade open ging zag ik dat [verdachte] met haar linkerhand naar de kassalade ging kennelijk om dat bankbiljet in die lade te stoppen. Ik zag echter dat ze de € 5,00 er niet in stopte maar in haar hand hield. Op dat moment deed zij ook de kassalade weer dicht. Vervolgens liep [verdachte] in de richting van de keuken. Toen [verdachte] weg liep zag ik dat zij haar hand, met daarin nog steeds het geld, in haar linker vestzak stopte."

(e) Een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [getuige 4]:

"Op een zaterdagmiddag in juli of augustus 2002 was ik in de kantine (het hof leest: de kantine van [B]). Ik was daar samen met [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Met hen heb ik toen een aantal consumpties gebruikt. [Verdachte] heeft ons al deze consumpties geserveerd. Verder was er niemand in de kantine. De door ons genuttigde consumpties werden bijgehouden op een kaartje. Toen wij op enig moment zijn weggegaan hebben wij de consumpties bij [verdachte] afgerekend. [betrokkene 2] en ik moesten beiden een bedrag van € 20,00 betalen en [betrokkene 1] moest € 32,00 betalen. Ons totaal bedrag was € 72,00.

Toen wij de kantine verlaten hadden en buiten liepen spraken we nog met elkaar over de bedragen die we hadden moeten betalen. Wij vonden namelijk dat we teveel hadden moeten betalen.

De eerste zaterdag na de vakantiesluiting waren wij met zijn drieën weer op [B]. Ik heb [A] toen gevraagd of hij kon nagaan wat wij op die zaterdag vier weken daarvoor geconsumeerd hadden. Omdat de kantine 4 weken gesloten was geweest zat de kassarol van die eerste zaterdag nog in de kassa. [A] heeft de kassarol toen gecontroleerd. Hij kon aan de datum en tijd zien wat wij hadden afgerekend. Op de kassarol waren de bedragen aangeslagen van € 25,00, € 15,00 en nog eens € 15,00.

Dit is dus in de plaats van de € 32,00, € 20,00 en nog eens € 20,00 die wij betaald hadden. Hieruit bleek dat [verdachte] ongeveer € 17,00 die ze van ons ontvangen had niet verwerkt had via de kassa."

3.4. Voorts heeft het Hof het volgende overwogen:

"De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Ten aanzien van het bewezenverklaarde overweegt het hof het volgende.

Op grond van onder meer de door [getuige 2] (collega van verdachte), [getuige 5] (regelmatig bezoeker kantine), [getuige 3] en [getuige 4] (klanten in de kantine en het sportpark) afgelegde verklaringen acht het hof het aan verdachte tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Het hof wijst onder meer op hetgeen [getuige 2] op 23 januari 2003 bij de politie verklaart, namelijk dat zij op (vermoedelijk) 12 mei 2003 zag dat verdachte een biljet van € 10,00 in haar broekzak stopte. Op 6 augustus 2003 verklaart [getuige 2] hetzelfde bij de rechter-commissaris.

[Getuige 5] verklaart op 28 januari 2003 bij de politie dat het hem is opgevallen dat verdachte verkeerde bedragen op de kassa aansloeg. Eind 2002 heeft [getuige 5] gezien dat verdachte geld uit de kassa pakte en de keuken in liep. Op 6 augustus 2003 legt [getuige 5] bij de rechter-commissaris een overeenkomstige verklaring af.

[Getuige 3] verklaart op 10 februari 2003 bij de politie dat zij in de zomer van 2002 heeft gezien dat verdachte het bankbiljet waarmee zij betaalde niet in de kassa deed maar in haar vestzak stopte en vervolgens de keuken in liep.

[Getuige 4] verklaart op 10 februari 2003 bij de politie dat hij en twee vrienden in juli of augustus 2002 hun consumpties afrekenden bij verdachte die op dat moment achter de bar stond. Daar dit vrij hoge bedragen (€ 20,00, € 20,00 en € 32,00) waren hebben ze [A] (leidinggevende van verdachte/benadeelde partij) gevraagd of hij de kassabon van die bewuste zaterdag kon nakijken. [A] heeft dat gedaan en hierop was aangeslagen € 25,00 en twee maal € 15,00. Verdachte had derhalve € 17,00 teveel ontvangen die zij niet in de kassa verwerkt had.

Voorts blijkt uit videobandfragmenten van [D] dat verdachte geld in haar mouw of zak stopt.

Het hof gaat voorbij aan de door verdachte ter terechtzitting in hoger beroep - naar aanleiding van het bekijken van de video - aangevoerde verklaring dat zij verkouden zou zijn geweest en haar zakdoek in en uit haar broekzak heeft gepakt dan wel in de mouw van haar trui/vest heeft bewaard. Ook de verklaring dat verdachte geld uit de kassa pakte om (aan haar dochter) te lenen en op een later moment terug te stoppen in de kassa, acht het hof onaannemelijk. Dat er zelden een kastekort zou zijn is niet verwonderlijk wanneer er bepaalde consumpties niet worden aangeslagen op de kassa maar wel worden afgerekend."

3.5. Aldus heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte opzettelijk wederrechtelijk zich de geldbedragen heeft toegeëigend door daarover zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester te gaan beschikken. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste uitleg van art. 322 Sr terwijl het evenmin onbegrijpelijk is, in aanmerking genomen dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de geldbedragen in haar zak stopte nadat zij de consumpties op de kassa had aangeslagen en de kassalade had geopend. De omstandigheid dat de bewijsmiddelen niet inhouden dat de verdachte de geldbedragen buiten het pand van [B]/[C] heeft gebracht, doet, anders dan het middel wil, daaraan niet af.

3.6. Het middel behelst voorts de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet volgt dat het weggenomen geld aan [A] en/of [B] en/of [C] toebehoorde. Deze klacht miskent dat art. 322 Sr niet vordert dat het verduisterde goed toebehoort aan degene tot wie de verdachte in een persoonlijke dienstbetrekking staat (vgl. HR 23 juni 1930, NJ 1930, p. 1532). Voldoende is dat de verdachte het geld onder zich heeft gekregen vanwege en in de functie van werknemer.

3.7. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 4 april 2006.