Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV1559

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-06-2006
Datum publicatie
30-06-2006
Zaaknummer
C05/056HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV1559
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2004:AT4008
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Geschil tussen een grondeigenaar/projectontwikkelaar van landhuizen met botenhuis en een buurman – die bij een schikking afstand heeft gedaan van zijn erfdienstbaarheid van uitzicht en zijn bezwaren tegen de verlening van bouwvergunningen heeft ingetrokken – over de opheffing van ten laste van de buurman gelegde conservatoire (derden)beslagen op de grond dat de eis in de hoofdzaak door de bodemrechter in eerste aanleg bij een nog niet in kracht van gewijsde uitspraak is afgewezen. Strekking art. 705 in verbinding met 704 lid 2 Rv.; summierlijk gebleken ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht als bedoeld in art. 705 lid 2 Rv.; belangenafweging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 704
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 705
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2006/62 met annotatie van M.A.J.G. Janssen
NJ 2007, 483 met annotatie van H.J. Snijders
JOL 2006, 432
RvdW 2006, 670
JWB 2006/234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 juni 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/056HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. F.E. Vermeulen,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

wonende te [woonplaats],

2. [Verweerster 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. M. Ynzonides.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 5 juli 2004 verweerders in cassatie - verder in enkelvoud te noemen: [verweerder] - in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam. Hij heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de op grond van het verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2004 gelegde beslagen als omschreven in het lichaam van deze dagvaarding op te heffen.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 22 juli 2004 de gevraagde voorziening geweigerd.

Tegen het vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 16 december 2004 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerder] mede door mr. C.A. Baarsma, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaat van [verweerder] heeft bij brief van 24 februari 2006 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de onder 1.2-1.14 van de conclusie van de Advocaat-Generaal opgesomde feiten en omstandigheden. Deze komen op het volgende neer.

(i) Partijen zijn buren. Bij [verweerder] ontstond het voornemen op de aan hem toebehorende grond een aantal landhuizen te bouwen. [Eiser] heeft zich tegen de verwezenlijking van dit voornemen verzet; hij heeft zich daartoe beroepen op een ten gunste van het aan hem in eigendom toebehorende perceel gevestigde erfdienstbaarheid van uitzicht. Tussen partijen is daarop een kort geding gevoerd voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam. Dit geding is uitgemond in een schikking, die is neergelegd in een vaststellingsovereenkomst, waarin [eiser] afstand deed van de erfdienstbaarheid van uitzicht. [Verweerder] heeft vervolgens van de gemeente vergunning verkregen voor de bouw van (uiteindelijk) vijf landhuizen en een botenhuis op zijn grond.

(ii) [Eiser] heeft tegen de verlening van deze vergunningen bezwaar gemaakt. De gemeente heeft deze bezwaren ongegrond verklaard. [Eiser] heeft tegen die beslissing beroep ingesteld bij de sector bestuursrecht van de rechtbank Amsterdam. [Verweerder] heeft daarop in kort geding gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld om zijn bezwaren tegen de aan [verweerder] afgegeven bouwvergunningen in te trekken. Deze vordering is door de voorzieningenrechter van de hand gewezen, maar in hoger beroep door het hof toegewezen. Aan dit arrest heeft [eiser] gevolg gegeven.

(iii) Vervolgens is aan [verweerder] rechterlijk verlof verleend om conservatoire (derden)beslagen te doen leggen ter verzekering van de vordering die, naar zijn stelling, is ontstaan doordat [eiser] in strijd heeft gehandeld met de voor de voorzieningenrechter getroffen schikking van het oorspronkelijke geschil tussen partijen. De hiermee samenhangende bodemzaak is door [verweerder] aanhangig gemaakt voor de rechtbank Amsterdam.

(iv) Nadat [verweerder] conservatoire beslagen ten laste van [eiser] had gelegd, heeft de rechtbank in de bodemzaak de vordering van [verweerder] afgewezen. [Verweerder] heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Hij heeft de gelegde beslagen niet opgeheven.

3.2 In dit kort geding heeft [eiser] gevorderd, kort gezegd, dat de hiervoor in 3.1 onder (iii) bedoelde conservatoire (derden)beslagen zullen worden opgeheven. Hij heeft zich daartoe beroepen op het hiervoor in 3.1 onder (iv) bedoelde vonnis in de bodemzaak.

De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorziening geweigerd. In hoger beroep heeft het hof dit vonnis bekrachtigd. Het oordeelde, kort gezegd, dat het vonnis van de bodemrechter weliswaar een belangrijk gezichtspunt is bij de beantwoording van de vraag of summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht, maar niet van beslissende betekenis. Het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2000, nr. C99/228, NJ 2001, 407, brengt in het onderhavige geval niet anders mee (rov. 4.4). Het hof voegde daaraan toe dat tegenover het evidente - en op zichzelf onbestreden - belang van [verweerder] bij handhaving van het beslag, van [eiser] kan worden gevergd dat hij behoorlijk motiveert waarom zijn belang bij opheffing zwaarder dient te wegen, welke motivering echter ontbreekt (rov. 4.7).

3.3 Onderdeel 1 van het middel, dat is gericht tegen hetgeen het hof in rov. 4.4 van zijn arrest heeft overwogen, stelt dat het hof met die overweging heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Ook in een kort geding tot opheffing van een conservatoir beslag geldt onverkort de regel dat de rechter zijn oordeel over de (summierlijk gebleken) ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht dient af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, tenzij dat laatstbedoelde oordeel op een klaarblijkelijke misslag berust of er andere bijzondere omstandigheden zijn waarom op de hoofdregel een uitzondering zou moeten worden gemaakt. Deze regel dient in elk geval te worden aanvaard indien de bodemrechter bij (eind)vonnis de vordering waarvoor het conservatoire beslag is gelegd heeft afgewezen, aldus nog steeds het onderdeel.

3.4 De Hoge Raad heeft in zijn hiervoor in 3.2 aangehaalde arrest van 19 mei 2000 overwogen dat, indien de voorzieningenrechter moet beslissen op een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, hij zijn vonnis in beginsel dient af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenvonnis of in een eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum van het vonnis, en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Onder omstandigheden kan er plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op deze regel, hetgeen het geval zal kunnen zijn indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht.

Het onderdeel stelt in feite de vraag aan de orde of het voorgaande onverkort heeft te gelden indien - anders dan in de zaak van 19 mei 2000 het geval was - de voorzieningenrechter heeft te beslissen over een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag, die erop is gebaseerd dat de vordering tot verzekering waarvan dit beslag is gelegd, door de bodemrechter in eerste aanleg is afgewezen, in het geval tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld.

3.5 Het systeem van de wet wijst in de richting van een ontkennende beantwoording van deze vraag. Art. 705 Rv. dient immers te worden uitgelegd in samenhang met art. 704 lid 2 Rv., waarin is bepaald dat een conservatoir beslag van rechtswege vervalt indien de eis in de hoofdzaak wordt afgewezen en deze afwijzing in kracht van gewijsde is gegaan. Deze laatstgenoemde bepaling, die beoogt te voorkomen dat een conservatoir beslag blijft liggen als het zijn zin heeft verloren, is minder goed te verenigen met de door het onderdeel bepleite uitleg van art. 705 Rv. Die uitleg komt immers erop neer dat, indien de bodemrechter in eerste aanleg de vordering heeft afgewezen ter verzekering waarvan het conservatoire beslag is gelegd, de voorzieningenrechter dat beslag desverlangd moet opheffen - behoudens (kort gezegd) klaarblijkelijke misslagen in de uitspraak van de bodemrechter, of andere bijzondere omstandigheden -, hoewel tegen het vonnis van de eerste rechter hoger beroep is ingesteld en dat vonnis dus juist nog niet in kracht van gewijsde is gegaan.

Ook de wetsgeschiedenis van art. 705 Rv. is niet goed te verenigen met de door het onderdeel verdedigde opvatting. In de MvA I Inv. (Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), blz. 314) wordt immers onder meer opgemerkt:

" (...) dat (...) de opsomming van art. 705 lid 2 niet limitatief is. Daaruit vloeit voort dat de thans door de rechter in kort geding aanvaarde opheffingsgronden - dat wil zeggen gronden waarop hij het beslag mag opheffen - voor het nieuwe recht hun betekenis behouden. Met name is een belangrijke grond gelegen in de afweging of de belangen van de beslaglegger voldoende zwaar wegen om de gevolgen van het beslag (blokkering van de door dat beslag getroffen vermogensbestanddelen) te rechtvaardigen. Of dit zo is, zal van de omstandigheden van het geval afhangen en bijvoorbeeld bij beslag op een uitkering waarvan de schuldenaar moet leven, anders liggen dan bij beslag op roerende of onroerende zaken die bij de schuldenaar in gebruik kunnen blijven tot een executoriale titel is verkregen. Deze afweging beweegt zich naar huidig recht tussen twee uitersten. Het ene uiterste is te vinden in H.R. 20 maart 1959, N.J. 1959, 246: indien de beslaglegger zijn vordering niet aannemelijk maakt, noopt dit nog niet tot opheffing; er moet zelfs dan nog een belangenafweging plaatsvinden. Het andere uiterste kan men afleiden uit de slotoverweging van H.R. 22 april 1983, N.J. 1984, 180: het kan zich voordoen dat een vordering wel degelijk in zekere mate aannemelijk gemaakt wordt, maar niet voldoende om de ingrijpende gevolgen van het betreffende beslag voor de schuldenaar te rechtvaardigen.

De kritiek van Cremers richt zich mede tegen het arrest van 1959. De daarin verworpen, maar door Cremers voorgestane regel dat het enkele feit dat de beslaglegger zijn vordering niet aannemelijk kan maken noodzakelijk tot opheffing van het beslag behoort te leiden, is met de aard van de figuur van een conservatoir beslag niet goed te verenigen. De vordering moet worden aangetoond in de bodemprocedure. Dat heeft geen zin als zij dan niet te verhalen blijkt. Het conservatoir beslag strekt ertoe dit laatste te voorkomen. De mogelijkheid moet daarom open blijven dat ook voor een vooralsnog onbewezen vordering conservatoir beslag kan worden gelegd, zij het dat de voorzieningenrechter in het in art. 705 bedoelde kort geding kan oordelen dat het belang dat de schuldeiser hierbij heeft, niet tegen de belangen van de schuldenaar opweegt."

Met name de opvatting van de wetgever "dat ook voor een vooralsnog onbewezen vordering conservatoir beslag kan worden gelegd" spoort niet met hetgeen door het onderdeel wordt verdedigd.

Ten slotte staat de door het onderdeel verdedigde opvatting op gespannen voet met de rechtspraak van de Hoge Raad, waarin is geoordeeld (a) dat de enkele omstandigheid dat de beslaglegger zijn vordering nog niet aannemelijk heeft kunnen maken, niet noodzakelijk tot opheffing van het ter verzekering van die vordering gelegde conservatoire beslag behoeft te leiden (HR 20 maart 1959, NJ 1959, 246) en (b) dat bij de beoordeling van een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag de wederzijdse belangen van partijen dienen te worden afgewogen, waarbij in aanmerking dient te worden genomen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade zal kunnen worden aangesproken (HR 14 juni 1996, nr. 16008, NJ 1997, 481).

3.6 Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor in 3.4 en 3.5 is overwogen, heeft te gelden dat een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag op de grond dat de vordering tot verzekering waarvan dat beslag is gelegd, door de bodemrechter in eerste aanleg is afgewezen, in het geval tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld, niet zonder meer moet worden toegewezen, ook niet onder het voorbehoud van kennelijke misslagen in de uitspraak van de bodemrechter. Ook in een zodanig geval dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen. De omstandigheid dat de bodemrechter in eerste aanleg in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient daarbij wél te worden meegewogen. Van de voorzieningenrechter kan overigens niet worden gevergd dat hij in zijn vonnis mede een voorlopige beoordeling geeft van de kans van slagen van het door de beslaglegger tegen het vonnis in eerste aanleg ingestelde hoger beroep.

3.7 Uit het hiervoor overwogene volgt dat onderdeel 1 geen doel treft. Hetzelfde geldt voor onderdeel 2, waardoor het oordeel van het hof in rov. 4.7 met rechts- en motiveringsklachten wordt bestreden. Het onderdeel verdedigt dat in een geval als het onderhavige de voorzieningenrechter het beslag in beginsel dient op te heffen, tenzij de beslaglegger aannemelijk maakt dat zijn belangen bij handhaving van het beslag zwaarder wegen dan de belangen van de beslagene bij opheffing daarvan. Een zodanige regel zou de voorzieningenrechter echter te zeer beperken in de te dezen geboden belangenafweging, waarin alle omstandigheden van het geval moeten worden betrokken, waaronder omstandigheden die niet de deugdelijkheid van de vordering betreffen ter zake waarvan het beslag is gelegd, zoals de mate waarin het beslag bezwaarlijk is voor de beslagene. Ook in een geval als het onderhavige ligt het in de eerste plaats op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert, met inachtneming van de beperkingen van de kort geding procedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is, - waarvoor het afwijzende vonnis in de bodemprocedure, gelet op hetgeen hiervoor in 3.6 is overwogen, dus niet zonder meer beslissend is - of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd (vgl. het hiervoor in 3.5 al aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 14 juni 1996 alsmede HR 22 april 1983, nr. 12142, NJ 1984, 180). De rechtsklacht van het onderdeel faalt dus. Dit geldt ook voor de motiveringsklacht omdat het oordeel van het hof geen nadere motivering behoefde dan door het hof is gegeven om begrijpelijk te zijn.

3.8 De omstandigheid dat de onderdelen 1 en 2 falen, brengt mee dat ook onderdeel 3, dat op deze onderdelen voortbouwt, geen doel kan treffen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 362,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, E.J. Numann, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 30 juni 2006.