Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV1162

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
15-06-2006
Zaaknummer
02528/05 H
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV1162
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Art. 457.1.1 en art. 461 Sv; Antilliaanse uitspraak gelijkgesteld met buitenlands vonnis. Aanvraagster is door de pr veroordeeld voor een feit gepleegd op 4-9-03 in Eindhoven, terwijl zij door GEA te Curaçao is veroordeeld voor een feit gepleegd op diezelfde datum op Curaçao. Art. 457.1.1 Sv komt niet in aanmerking, omdat in die bepaling onder arresten of vonnissen, gelet op art. 461.1 Sv – dat bij aangenomen tegenstrijdigheid vernietiging van beide uitspraken voorschrijft – slechts uitspraken van Nederlandse gerechten zijn te begrijpen. In dit opzicht moet een onherroepelijk geworden uitspraak van het GEA worden gelijkgesteld met een buitenlands vonnis; de HR is niet bevoegd verklaard om een zodanig vonnis in herziening te vernietigen. Gelet op de tijdstippen waarop de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden, en op de duur van de ophouding van de aangehouden persoon voor verhoor in de Nederlandse zaak, ontstaat het ernstig vermoeden dat de pr, ware hij met de veroordeling van het GEA bekend geweest, aanvraagster zou hebben vrijgesproken. Uit het vorenoverwogene volgt dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 457.1.2 Sv zodat de aanvrage gegrond is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 364
NJ 2006, 342
RvdW 2006, 623
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juni 2006

Strafkamer

nr. 02528/05 H

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 4 februari 2004, nummer 01/028182-03, ingediend door mr. A.G. van den Biezenbos, advocaat te Venlo, namens:

[aanvraagster], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, domicilie kiezende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter heeft de aanvraagster vrijgesproken van het onder 1. en 2. tenlastegelegde en haar ter zake van 3. "door het bevoegd gezag naar zijn identiteitsgegevens gevraagd, een valse naam opgeven" veroordeeld tot een geldboete van € 180,-, subsidiair 3 dagen hechtenis.

2. De aanvrage tot herziening

2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De aanvrage is schriftelijk toegelicht.

2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 1°, dan wel 2°, Sv. De aanvraagster voert daartoe aan dat zij bij voormeld vonnis is veroordeeld voor een feit gepleegd op 4 september 2003 in Eindhoven, terwijl zij door het Gerecht in Eerste Aanleg te Curaçao bij vonnis van 30 januari 2004 is veroordeeld voor een feit gepleegd op diezelfde datum op Curaçao en dat zij gelet op het tijdsverschil tussen Nederland en Curaçao het feit in Eindhoven niet kan hebben gepleegd.

3. De conclusie van de Advocaat-Generaal

3.1. De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter zal bevelen en de zaak zal verwijzen opdat deze op de voet van art. 467 Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

4. Beoordeling van de aanvrage

4.1. Bij de stukken van het geding bevindt zich een extractvonnis van de Politierechter te 's-Hertogenbosch van 4 februari 2004, dat inhoudt dat ten laste van de aanvraagster is bewezenverklaard dat zij op 4 september 2003 een valse naam heeft opgegeven toen zij door het bevoegd gezag naar haar identiteitsgegevens werd gevraagd. Blijkens de zich bij de stukken bevindende inleidende dagvaarding en het proces-verbaal van politie vond dit feit plaats nadat de aanvraagster die dag omstreeks 10.15 uur ter zake van diefstal was aangehouden in Eindhoven. Uit het proces-verbaal van politie volgt voorts dat de aanvraagster diezelfde dag omstreeks 17.15 uur in vrijheid is gesteld.

4.2. Een zich bij de stukken van het geding bevindend extractvonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 30 januari 2004 houdt in dat de aanvraagster is veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met art. 3 lid 1 onder A van de Opiumlandsverordening 1960. Uit het proces-verbaal van de Inspectie Invoerrechten en accijnzen Nederlandse Antillen volgt dat de aanvraagster op 4 september 2003, derhalve op dezelfde dag als onder 4.1 genoemd, omstreeks 13.30 uur op het vliegveld Hato bij de controle van vertrekkende passagiers met bestemming Amsterdam werd staande gehouden en dat in haar koffer 3 blikken werden aangetroffen met in totaal ongeveer 2645 gram cocaïne. Uit het proces-verbaal volgt voorts dat de aanvraagster nadat haar op 4 september 2003 te 17.25 uur een dagvaarding was uitgereikt is heengezonden. Genoemde - onherroepelijk geworden - veroordeling is uitgesproken ter zake van dat vervoer c.q. bezit van verdovende middelen.

4.3. De aanvrage steunt primair op de grond dat sprake is van de omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid sub 1, Sv, namelijk dat bij onderscheiden arresten of vonnissen, in kracht van gewijsde gegaan (...) bewezenverklaringen zijn uitgesproken, welke niet zijn overeen te brengen. Die grond komt evenwel niet in aanmerking, omdat in die bepaling onder arresten of vonnissen, gelet op art. 461, eerste lid, Sv - dat bij aangenomen tegenstrijdigheid vernietiging van beide uitspraken voorschrijft - slechts uitspraken van Nederlandse gerechten zijn te begrijpen. De Hoge Raad komt immers geen rechtsmacht toe om buitenlandse gewijsden te vernietigen. In dit opzicht moet een onherroepelijk geworden uitspraak van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen worden gelijkgesteld met een buitenlands vonnis, nu de Hoge Raad niet bevoegd is verklaard om een zodanig vonnis in herziening te vernietigen.

4.4. Subsidiair strekt de aanvrage ten betoge dat hetgeen bij het onherroepelijk geworden vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen is bewezenverklaard heeft te gelden als een novum. Dienaangaande is het volgende van belang.

4.5. Het is een feit van algemene bekendheid dat het tijdsverschil tussen Nederland en Curaçao in september 2003 zes uur bedroeg, met dien verstande dat het in Nederland zes uur later was dan op Curaçao. Het is eveneens een feit van algemene bekendheid dat de reistijd tussen Nederland en Curaçao circa negen uur bedraagt.

Gelet op de tijdstippen waarop de in de hiervoor onder 4.1 en 4.2 bewezenverklaarde gedragingen hebben plaats-gevonden, en op de duur van de ophouding van de aangehouden persoon voor verhoor in de Nederlandse zaak, ontstaat het ernstig vermoeden dat de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch, ware hij met de veroordeling van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 30 januari 2004 bekend geweest, de aanvraagster van het haar tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.

5. Slotsom

Uit het vorenoverwogene volgt dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, zodat de aanvrage gegrond is en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;

Beveelt voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 4 februari 2004;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier D.N.I. Gjaltema, en uitgesproken op 13 juni 2006.