Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV1146

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-04-2006
Datum publicatie
20-04-2006
Zaaknummer
01034/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV1146
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bekennende verdachte. Art. 359.3 Sv kan in ieder geval geen toepassing vinden indien door of namens verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit. ‘s Hofs oordeel dat kon worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen ex art. 359.3 Sv, is - nu de raadsman vrijspraak heeft bepleit - derhalve onjuist. De bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2006, 158
NBSTRAF 2006/158
JOL 2006, 249
NJ 2006, 645
RvdW 2006, 428

Uitspraak

18 april 2006

Strafkamer

nr. 01034/05

KD/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 31 maart 2005, nummer 21/000424-04, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 24 december 2003 - de verdachte ter zake van "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven, alsmede tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv berustende beslissing als aan de Hoge Raad gepast voorkomt.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan art. 359, derde lid, Sv en heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

3.2. Ten laste van de verdachte is overeenkomstig hetgeen primair is tenlastegelegd bewezenverklaard dat:

"zij op 20 juli 2002 te Barneveld, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een personenauto (merk Mercedes) en een safe, toebehorende aan [A], waarbij verdachte en haar mededaders die personenauto onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel (weggenomen autosleutels) welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld met bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, die [slachtoffer] voornoemd onder schot heeft gehouden met een vuurwapen, en dat tegen die [slachtoffer] werd geroepen dat hij op de grond moest liggen en dat tegen die [slachtoffer] werd gezegd dat hij rustiger moest lopen anders zou hij schieten, en dat verdachte en diens mededaders die [slachtoffer] voornoemd hebben opgesloten in een kluis."

3.3. De aanvulling als bedoeld in art. 365a Sv op het arrest houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Gelet op de bekennende verklaringen van verdachte volstaat het hof, conform artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen."

3.4. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota heeft de raadsman van de verdachte onder meer het volgende aangevoerd:

"Ik verzoek u [verdachte] vrij te spreken van het primair ten laste gelegde."

3.5. Art. 359, derde lid, Sv luidt:

"De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit."

3.6. Uit de bewoordingen van art. 359, derde lid, Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden, indien door of namens de verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit. Het oordeel van het Hof dat in het onderhavige geval kon worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv, is - nu de raadsman blijkens het onder 3.4 weergegevene vrijspraak heeft bepleit - derhalve onjuist. De bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd.

3.7. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, J. de Hullu en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 18 april 2006.