Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV1109

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-07-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
C05/077HR (1429)
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV1109
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onteigeningszaak. Geschil tussen de Staat en de exploitant van een hotel/café-restaurant over de vervroegde onteigening ten algemenen nutte (Hogesnelheidslijn-Zuid c.a.); schadeloosstelling; ontvankelijkheid in cassatie, onteigeningsvonnis dat bij latere beslissing op de voet van art. 31 Rv. wordt verbeterd, beroep tegen niet verbeterd deel van onteigeningsvonnis niet-ontvankelijk wegens overschrijding van termijn ex art. 52 Ow; doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 31 lid 4 Rv., vonnis meervoudige kamer kan niet door enkelvoudige kamer worden verbeterd, geen belang bij vernietiging van verbetering.

Wetsverwijzingen
Onteigeningswet 52
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 454
NJ 2006, 601
RvdW 2006, 732
JWB 2006/253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 juli 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/077HR (1429)

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te 's-Gravenhage,

EISER tot cassatie, voorwaardelijk

incidenteel verweerder,

advocaten: mrs. H.A. Groen en M.W. Scheltema,

t e g e n

HOTEL-CAFÉ, RESTAURANT PRINCEVILLE BEHEER B.V.,

gevestigd te Breda,

VERWEERSTER in cassatie, voorwaardelijk

incidenteel eiseres,

advocaat: mr. P.S. Kamminga.

1. Het geding in feitelijke instantie

Eiser tot cassatie (hierna: de Staat) heeft bij exploot van 12 februari 2001 verweerster in cassatie (hierna: Princeville) gedagvaard voor de rechtbank te Breda en ten behoeve van de aanleg van de:

I. Hogesnelheidslijn-Zuid, vanaf de grens tussen de gemeenten Moerdijk/Drimmelen en Breda (km. 37.035) tot aan de Oude Berkloop (km. 49.400) met inbegrip van de verbindingsbogen in en uit de richting Breda tot aan km. 22.320, de verlegging van de spoorlijn Breda-Dordrecht tussen HSL km. 37.040 en km. 37.990 en de verlegging van de spoorlijn Roosendaal-Breda tussen km. 19.750 en km. 22.320, met bijkomende werken, in de gemeente Breda;

alsmede

II. de verbreding en verlegging van de weg Rotterdam-Dordrecht-Breda-Belgische grens (Rijksweg 16), vanaf de grens tussen de gemeenten Moerdijk/Drimmelen en Breda (km. 54.630) tot aan de Oude Berkloop (km. 67.055), met inbegrip van de realisering van knooppunt Princeville tussen km. 60.400 en km. 61.900, met bijkomende werken, in de gemeente Breda;

alsmede

III. de ombouw van de weg Eindhoven-Breda-Vlissingen-Breskens-Belgische grens (Rijksweg 58) tot autosnelweg tussen het knooppunt Princeville en de grens met de gemeente Etten-Leur (km. 3.120), met bijkomende werken in de gemeente Breda,

gevorderd ten name van de Staat ten algemene nutte vervroegd uit te spreken de onteigening van de in de dagvaarding omschreven gedeelten ter grootte van 0 00 11 hectare (grondplannummer [001]), 0 00 23 hectare (grondplannummer [002]) met kadastrale aanduiding gemeente Princenhage, sectie [A] [003], en 0 02 65 hectare (grondplannummer [004]) met kadastrale aanduiding gemeente Princenhage, sectie [A] [005], en 0 07 60 (grondplannummer [006]) met kadastrale aanduiding gemeente Princenhage, sectie [A] [007], waarvan Princeville als eigenares is aangewezen en het bedrag van de schadeloosstelling te bepalen.

Bij vonnis van 18 juni 2002, verbeterd bij beslissing van 5 november 2002, dat op 14 november 2002 is ingeschreven in de openbare registers, heeft de rechtbank onder meer de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor Princeville vastgesteld op € 87.352,69, en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd.

Na deskundigenbericht heeft de rechtbank bij vonnis van 1 december 2004, later bij beslissing van 9 februari 2005 ter zake van de kosten van technische en rechtskundige bijstand verbeterd, het bedrag van de te dezer zake door de Staat aan Princeville verschuldigde schadeloosstelling vastgesteld op een bedrag van € 148.386,13, de Staat veroordeeld om aan Princeville tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag waarmee de schadeloosstelling het voorschot te boven gaat en mitsdien tot betaling van een bedrag van € 61.033,44, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 november 2002 tot 1 december 2004, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 1 december 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, en (zoals verbeterd bij beslissing van 9 februari 2005) de Staat veroordeeld in de kosten van het geding, deze voor zover aan de zijde van Princeville gevallen tot op deze uitspraak begroot op € 13.088,84 (exclusief BTW), zijnde de kosten van technische en rechtskundige bijstand.

Het vonnis van 9 februari 2005 is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

De Staat heeft tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 februari 2005 beroep in cassatie ingesteld. Princeville heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Princeville heeft in het principale beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel ten aanzien van middelonderdeel 1 tot verwerping van het beroep en ten aanzien van middelonderdelenl 2 en 3 tot referte. De Staat heeft in het voorwaardelijk incidentele beroep geconcludeerd tot verwerping daarvan.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de Staat in zijn principaal beroep.

Mr. M.W. Scheltema heeft namens de Staat bij brief van 16 februari 2006 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het principale beroep

3.1 Het cassatieberoep is op 15 februari 2005 ingesteld door middel van een verklaring ter griffie van de rechtbank. Het beroep is, volgens de van die verklaring opgemaakte akte, gericht tegen het "vonnis" van die rechtbank van 9 februari 2005, onder rolnummer 95310/HAZA 01-761 gewezen. De rechtbank heeft in de zaak met dat rolnummer bij vonnis van 1 december 2004 einduitspraak gedaan en bij op 9 februari 2005 uitgesproken beslissing dat vonnis op de voet van art. 31 Rv. verbeterd. De onderdelen 1-2.6 van het cassatiemiddel behelzen klachten tegen het niet verbeterde deel van het vonnis van 1 december 2004. De uitspraak waarbij dat vonnis is verbeterd kan, anders dan de Staat blijkbaar veronderstelt, niet worden aangemerkt als de uitspraak van een verbeterd vonnis. Door de verbetering is ook geen nieuwe termijn voor het instellen van cassatieberoep tegen het vonnis van 1 december 2004 gaan lopen (vgl. MvT bij art. 31 Rv., Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, blz. 175). Het cassatieberoep is derhalve, voorzover de Staat daarmee het vonnis van 1 december 2004 wil aantasten, na afloop van de in art. 52 Ow. bedoelde termijn ingesteld. Dit brengt mee dat het beroep niet-ontvankelijk is wat betreft de onderdelen 1 en 2 van het middel.

Het beginsel dat de onteigeningsrechter in één en hetzelfde vonnis de totale schadeloosstelling moet vaststellen maakt dit niet anders, omdat de verbetering niet wegneemt dat de totale schadeloosstelling, met inbegrip van de vergoeding van kosten van juridische bijstand terzake waarvan door middel van de verbetering een veroordeling van de Staat aan het dictum van het vonnis van 1 december 2004 is toegevoegd, geacht moet worden te zijn vastgesteld in dat vonnis.

3.2 Het derde onderdeel van het middel is gericht tegen de verbetering. Geklaagd wordt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1999, nrs. C98/183, C98/238 en C98/239, NJ 2000, 171, dat verbetering van een door een meervoudige kamer gewezen vonnis niet door de enkelvoudige kamer kan plaatsvinden. In zoverre beroept de Staat zich op een essentieel vormverzuim dat doorbreking van de in art. 31 lid 4 Rv. neergelegde rechtsmiddelenuitsluiting rechtvaardigt en is hij ontvankelijk in zijn cassatieberoep.

4. Beoordeling van het derde onderdeel van het middel in het principale beroep

Hoewel het onderdeel terecht tot uitgangspunt neemt dat de verbetering van het door de meervoudige kamer gewezen vonnis van 1 december 2004 eveneens had moeten geschieden door de meervoudige kamer en de klacht dat de rechtbank zulks miskend heeft dus gegrond is, kan het toch niet tot cassatie leiden. Blijkens de verbetering heeft de advocaat van de Staat bij brief van 8 december 2004 medegedeeld dat de Staat bereid was de kosten van juridische bijstand aan de zijde van Princeville, die in het vonnis aanvankelijk abusievelijk niet bij de kosten van technische bijstand waren opgeteld, aan Princeville te betalen. Aangenomen moet dan ook worden dat de Staat, die niets heeft aangevoerd waaruit het tegendeel zou kunnen voortvloeien, geen belang erbij heeft dat de verbetering wordt vernietigd en alsnog vervangen door een verbetering in dezelfde zin, gedaan door de meervoudige kamer.

5. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep

Nu in het incidentele beroep slechts klachten zijn aangevoerd tegen oordelen van de rechtbank die neergelegd zijn in het niet verbeterde deel van haar vonnis van 1 december 2004, vat de Hoge Raad de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld aldus op, dat Princeville dat beroep slechts heeft willen instellen voor het geval dat de Staat ontvankelijk is in zijn cassatieberoep voor zover daarin geklaagd wordt over in het niet verbeterde deel van het vonnis van 1 december 2004 vervatte oordelen van de rechtbank. Waar de Staat in zoverre niet-ontvankelijk is, is aan de voorwaarde niet voldaan en behoeft het incidentele beroep dus geen behandeling.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verklaart de Staat niet-ontvankelijk voorzover het beroep van de Staat gericht is tegen oordelen, vervat in het niet verbeterde deel van het vonnis van de rechtbank van 1 december 2004 en verwerpt het beroep voor het overige;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van Princeville begroot op € 1.901,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 juli 2006.