Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV1108

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-04-2006
Datum publicatie
28-04-2006
Zaaknummer
C05/057HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV1108
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2004:AR6462
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geschil tussen een afvalverwerkingsbedrijf en een provincie over de nakoming van een afspraak die het bedrijf tijdens een zitting van de ABRvS met gedeputeerde staat had gemaakt (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2006-04-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 282
RvdW 2006, 460
JWB 2006/160

Uitspraak

28 april 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/057HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

B&R RECYCLING B.V.,

gevestigd te Middelharnis,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.E. Gelpke,

t e g e n

DE PROVINCIE ZUID-HOLLAND,

zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema.

1. Het geding in feitelijke instanties

Op 22 oktober 1998 is op verzoek van verweerster in cassatie - verder te noemen: de provincie - aan eiseres tot cassatie - verder te noemen: B&R - een dwangbevel van 18 september 1998 betekend ten bedrage van ƒ 107.803,12 (inclusief kosten). Op 23 februari 1999 is aan B&R een dwangbevel van de provincie van 8 februari 1999 betekend, strekkende tot de invordering van de derde verbeurde dwangsom van ƒ 50.000,--.

Bij exploten van 19 november 1998 respectievelijk 26 februari 1999, ingeschreven onder rolnummers 98/4281 en 99/716, is B&R bij de rechtbank te 's-Gravenhage in verzet gekomen tegen voormelde dwangbevelen. B&R heeft in oppositie gevorderd te verklaren voor recht dat zij terecht en op goede gronden in verzet is gekomen, de dwangbevelen buiten werking dan wel effect te stellen en de provincie te veroordelen in de kosten van het geding.

De provincie heeft incidenteel tot voeging van beide zaken geconcludeerd en de vordering bestreden.

Nadat B&R had ingestemd met de door de provincie verzochte voeging van zaken, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 20 juli 1999 beide zaken gevoegd. Hierna heeft de rechtbank bij eindvonnis van 23 januari 2002 de vorderingen van B&R afgewezen.

Tegen het eindvonnis van de rechtbank heeft B&R hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 11 november 2004 heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft B&R beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De provincie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt B&R in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de provincie begroot op € 362,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 28 april 2006.