Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV1106

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-07-2006
Datum publicatie
14-07-2006
Zaaknummer
C05/037HR (1427)
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV1106
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onteigeningszaak. Geschil tussen de Staat en de exploitant van een hotel/café-restaurant over de vervroegde onteigening ten algemenen nutte (Hogesnelheidslijn-Zuid c.a.); schadeloosstelling, vergoeding van de waardevermindering van een niet-onteigend gedeelte van een complex van percelen, maatstaf; integrale vergoeding van (eenmalige) kosten van aanpassing van overblijvend deel zonder aftrek van de (gekapitaliseerde) rente van het vrijkomende kapitaal; invloed van het rentevoordeel op de inkomensschade van de onteigende; vergoedbare schade moet rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 596 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
JOL 2006, 453
RvdW 2006, 731
BR 2007/12 met annotatie van E. van der Schans
Module Ruimtelijke ordening 2006/5152
JWB 2006/254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 juli 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/037HR (1427)

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

gevestigd te 's-Gravenhage,

EISER tot cassatie,

incidenteel verweerder,

advocaten: mrs. H.A. Groen en M.W. Scheltema,

t e g e n

HOTEL-CAFÉ, RESTAURANT PRINCEVILLE BEHEER B.V.,

gevestigd te Breda,

VERWEERSTER in cassatie,

incidenteel eiseres,

advocaat: mr. P.S. Kamminga.

1. Het geding in feitelijke instantie

Eiser tot cassatie (hierna: de Staat) heeft bij exploot van 12 februari 2001 verweerster in cassatie (hierna: Princeville) gedagvaard voor de rechtbank te Breda en ten behoeve van de aanleg van de:

I. Hogesnelheidslijn-Zuid, vanaf de grens tussen de gemeenten Moerdijk/Drimmelen en Breda (km. 37.035) tot aan de Oude Berkloop (km. 49.400) met inbegrip van de verbindingsbogen in en uit de richting Breda tot aan km. 22.320, de verlegging van de spoorlijn Breda-Dordrecht tussen HSL km. 37.040 en km. 37.990 en de verlegging van de spoorlijn Roosendaal-Breda tussen km. 19.750 en km. 22.320, met bijkomende werken, in de gemeente Breda;

alsmede

II. de verbreding en verlegging van de weg Rotterdam-Dordrecht-Breda-Belgische grens (Rijksweg 16), vanaf de grens tussen de gemeenten Moerdijk/Drimmelen en Breda (km. 54.630) tot aan de Oude Berkloop (km. 67.055), met inbegrip van de realisering van knooppunt Princeville tussen km. 60.400 en km. 61.900, met bijkomende werken, in de gemeente Breda;

alsmede

III. de ombouw van de weg Eindhoven-Breda-Vlissingen-Breskens-Belgische grens (Rijksweg 58) tot autosnelweg tussen het knooppunt Princeville en de grens met de gemeente Etten-Leur (km. 3.120), met bijkomende werken in de gemeente Breda,

gevorderd ten name van de Staat ten algemene nutte vervroegd uit te spreken de onteigening van de in de dagvaarding omschreven gedeelten ter grootte van 0 00 11 hectare (grondplannummer [001]), 0 00 23 hectare (grondplannummer [002]) met kadastrale aanduiding gemeente Princenhage, sectie [A] [003], en 0 02 65 hectare (grondplannummer [004]) met kadastrale aanduiding gemeente Princenhage, sectie [A] [006], en 0 07 60 (grondplannummer [006]) met kadastrale aanduiding gemeente Princenhage, sectie [A] [007], waarvan Princeville als eigenares is aangewezen en het bedrag van de schadeloosstelling te bepalen.

Bij vonnis van 18 juni 2002, verbeterd bij beslissing van 5 november 2002, dat op 14 november 2002 is ingeschreven in de openbare registers, heeft de rechtbank onder meer de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor Princeville vastgesteld op € 87.352,69, en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd.

Na deskundigenbericht heeft de rechtbank bij vonnis van 1 december 2004, later bij beslissing van 9 februari 2005 ter zake van de kosten van technische en rechtskundige bijstand verbeterd, het bedrag van de te dezer zake door de Staat aan Princeville verschuldigde schadeloosstelling vastgesteld op een bedrag van € 148.386,13, de Staat veroordeeld om aan Princeville tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag waarmee de schadeloosstelling het voorschot te boven gaat en mitsdien tot betaling van een bedrag van € 61.033,44, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 november 2002 tot 1 december 2004, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 1 december 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, en (zoals verbeterd bij beslissing van 9 februari 2005) de Staat veroordeeld in de kosten van het geding, deze voor zover aan de zijde van Princeville gevallen tot op deze uitspraak begroot op € 13.088,84 (exclusief BTW), zijnde de kosten van technische en rechtskundige bijstand.

Het vonnis van 1 december 2004 is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

De Staat heeft tegen het vonnis van de rechtbank van 1 december 2004 beroep in cassatie ingesteld. Princeville heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Princeville heeft in het principale beroep ten aanzien van middelonderdeel 1 geconcludeerd tot verwerping van het beroep en ten aanzien van middelonderdeel 2 tot referte. De Staat heeft in het incidentele beroep geconcludeerd tot verwerping daarvan.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal

F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het principale en het incidentele beroep.

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1 Onderdeel 1 bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de waardevermindering van het niet-onteigende gedeelte van het complex van percelen van Princeville ter plaatse (hierna: het overblijvende) ƒ 25.000 bedraagt. De rechtbank heeft volgens het onderdeel miskend, dat slechts van belang is of zich enige verslechtering van de vorm dan wel een beduidend ongunstigere vorm van het overblijvende bij verkoop daarvan in het economische verkeer zou doen voelen. Het onderdeel faalt. De waardevermindering van het overblijvende behoort niet slechts vergoed te worden voorzover die daardoor wordt veroorzaakt dat het overblijvende ten gevolge van de onteigening een slechtere of beduidend ongunstiger vorm krijgt. Het gaat erom dat de onteigende door de onteigening niet in zijn vermogenspositie wordt aangetast, en de rechtbank heeft dan ook terecht de te vergoeden waardevermindering van het overblijvende vastgesteld op het verschil tussen enerzijds de waarde van het gehele complex voor onteigening en anderzijds de waarde van het overblijvende plus de waarde van het onteigende. Dat de waardevermindering aldus op een volgens de Staat gering bedrag is berekend brengt, anders dan de Staat ingang wil doen vinden, niet mee dat ervan moet worden uitgegaan dat die waardevermindering zich bij verkoop in het economische verkeer van het overblijvende niet zou doen voelen en daarom buiten beschouwing moet worden gelaten.

3.2 Onderdeel 2 richt klachten tegen de verwerping door de rechtbank van het standpunt van de Staat dat de vergoeding die Princeville wordt toegekend ter zake van kosten van aanpassing van het overblijvende moet worden verminderd met de (gekapitaliseerde) rente van het vrijkomende kapitaal. De rechtbank oordeelde dat, nu de Staat 80% van de onteigeningsprocedures in het kader van de HSL-Zuid heeft afgewikkeld zonder verrekening van de rente van het vrijkomende kapitaal en deze verrekening voor hem in het minnelijke traject geen punt van discussie is geweest, bij de resterende onteigeningszaken in verband met de HSL-Zuid ook niet behoort te worden verrekend omdat dat niet billijk zou zijn met het oog op het gelijkheidsbeginsel. De tegen dit oordeel gerichte klachten kunnen bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, omdat de beslissing van de rechtbank om voor de kosten van aanpassing van het overblijvende een vergoeding toe te kennen zonder aftrek van de rente van het vrijkomende kapitaal juist is. Dergelijke éénmalige kosten behoren integraal te worden vergoed teneinde de onteigende na de onteigening in een financiële toestand te brengen die gelijkwaardig is aan die waarin hij zich zou hebben bevonden indien de onteigening niet zou hebben plaatsgehad (HR 30 september 2005, nr. C04/230, NJ 2006, 255). Het voordeel dat de onteigende geniet in de vorm van rente van het vrijkomende kapitaal kan wel de inkomensschade die de onteigende als gevolg van de onteigening lijdt beperken, maar dat speelt in het onderhavige geval geen rol nu de rechtbank, in cassatie onbestreden, heeft geoordeeld dat Princeville geen inkomensschade lijdt ten gevolge van de onteigening.

4 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

De klachten van het middel in het incidentele beroep zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de door Princeville gestelde schade als gevolg van het verdwijnen van de zichtbaarheid en de verslechtering van de bereikbaarheid van het op het overblijvende geëxploiteerde café-restaurant niet in de vorm van waardevermindering van het overblijvende voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank baseerde dit oordeel daarop dat de gestelde schade geen gevolg is van het gebruik van het werk waarvoor onteigend wordt, maar van de aanwezigheid buiten het onteigende van het werk waarvoor onteigend wordt. Onderdeel 1 klaagt, met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2004, nr. 1391, NJ 2004, 409, dat de rechtbank hiermee heeft miskend dat het aankomt op (vergoeding van) de schadelijke gevolgen, onder meer door hinder, die op het overblijvende zullen worden ondervonden door het gebruik van het werk waarvoor onteigend is, met inbegrip van het werk buiten het onteigende zelf. De klacht is ongegrond. Het verdwijnen van de zichtbaarheid en de verslechtering van de bereikbaarheid van het op het overblijvende geëxploiteerde café-restaurant is, naar de rechtbank heeft overwogen, een gevolg van de aanwezigheid buiten het onteigende van het werk waarvoor onteigend wordt. In zoverre is de onderhavige zaak niet soortgelijk aan die van het genoemde arrest van 20 februari 2004. Daar ging het immers om de waardevermindering van het overblijvende als gevolg van de te verwachten overlast van het treinverkeer op de Betuweroute, waarvan de spoorbanen mede over het onteigende zouden worden aangelegd. Het bestreden oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak komt erop neer dat de gestelde schade geen rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening is, nu zowel het verdwijnen van de zichtbaarheid als de verslechtering van de bereikbaarheid het gevolg is van de onderdelen van het werk die buiten de onteigende perceelsgedeelten zullen worden aangelegd en Princeville als eigenaar daarvan die aanleg dan ook niet zou hebben kunnen voorkomen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook de overige klachten van het middel stuiten hierop af.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep, en compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat elke partij zijn eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 juli 2006.