Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV1044

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-03-2006
Datum publicatie
10-03-2006
Zaaknummer
R05/082HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV1044
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geschil tussen ex-echtelieden over de verplichting van de vrouw tot bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de bij de (met gezag belaste) vader woonachtige minderjarige zoon; draagkracht van de vrouw, moest de appelrechter ingaan op een voor het eerst en in de vorm van een laatste opmerking bij mondelinge behandeling in hoger beroep terloops geponeerde stelling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 149
NJ 2006, 191
RFR 2006, 47
RvdW 2006, 275
JWB 2006/87
JPF 2006/62
JIN 2006/188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 maart 2006

Eerste Kamer

Rek.nr. R05/082HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

1. [De man],

2. [De zoon],

beiden wonende te [woonplaats],

VERZOEKERS tot cassatie,

advocaat: mr. J. Groen,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. A. Vijftigschild.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 22 juli 2003 ter griffie van de rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie sub 1 - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - te veroordelen om aan de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de toen nog minderjarige verzoeker tot cassatie sub 2 - verder te noemen: de zoon - ten bedrage van € 250,-- per maand, maandelijks bij voorruitbetaling te voldoen, zulks met ingang van 1 juni 2003, dan wel deze bijdrage vast te stellen op een bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

De vrouw heeft primair verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, subsidiair het verzoek van de man af te wijzen.

De rechtbank heeft bij beschikking van 17 februari 2004 de door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon met ingang van 22 juli 2003 bepaald op € 129,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de man te voldoen, deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proces-kosten tussen partijen gecompenseerd, en het meer of anders verzochte afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Daarbij heeft zij verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, primair de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek en subsidiair zijn verzoek af te wijzen.

De man en de zoon hebben het beroep van de vrouw bestreden. Daarbij hebben zij allereerst verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel haar beroep ongegrond te verklaren, en ten tweede hebben zij verzocht de betreden beschikking te bekrachtigen en de bijdrage te vermeerderen met de wettelijke rente over elke maand waarin de vrouw in gebreke is gebleven en blijft, zolang de zoon schoolgaand of studerend is en nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, alsmede zolang de zoon vanaf zijn 21ste levensjaar schoolgaand of studerend is en niet in zijn levensonderhoud kan voorzien en nog niet de leeftijd van 27 jaar heeft bereikt, tevens de vrouw te veroordelen om aan de zoon een bijdrage van € 129,-- bruto maandelijks te voldoen.

Bij beschikking van 16 maart 2005 heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd en, opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van de man strekkende tot bepaling van kinderalimentatie, alsmede het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof hebben de man en de zoon beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in het cassatieberoep, dan wel het cassatieberoep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De vrouw heeft betoogd dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn cassatieverzoek doch tevergeefs, nu de gronden die zij hiervoor aanvoert - feitelijke klachten tegen het arrest - een dergelijk betoog niet kunnen dragen.

4. Beoordeling van het middel

4.1 In cassatie kan ervan worden uitgegaan, dat op 18 augustus 2000 tussen de man en de vrouw echtscheiding is uitgesproken, dat deze scheiding op 27 oktober 2000 is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand alsmede dat partijen in maart 2001 in een convenant hebben vastgelegd (a) dat zij gezamenlijk belast blijven met het ouderlijk gezag over hun toen nog minderjarige zoon, (b) dat deze feitelijk bij de man zal verblijven en (c) dat de vrouw niet zal bijdragen in de kosten van zijn verzorging en opvoeding.

4.2 De man heeft verzocht met ingang van 1 juni 2003 - en met wijziging van hetgeen was overeengekomen - de vrouw te veroordelen aan de man een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van € 250,-- per maand te betalen. De rechtbank heeft de gevraagde bijdrage bepaald op € 129,-- per maand, die met ingang van 22 juli 2003 diende te worden voldaan. Het hof heeft de desbetreffende beschikking van de rechtbank vernietigd en het verzoek van de man alsnog afgewezen.

4.3 Rov. 8 van de bestreden beschikking luidt:

"Vast staat dat de moeder in maart 2001 ten titel van overbedeling een bedrag van ƒ 150.000,-- (€ 68.967,03) van de vader heeft ontvangen. Nu de moeder ter zitting onweersproken heeft verklaard dat het geld op is gegaan aan herinrichtingskosten, kleding en een auto, houdt het hof hiermee geen rekening bij de bepaling van haar draagkracht."

4.4 Onderdeel B klaagt onder meer dat het hof van een onjuiste stelling is uitgegaan, omdat de verklaring van de vrouw, kort gezegd: dat het geld er niet meer is, wel is weersproken: van het bedrag van ƒ 150.000,-- is ƒ 35.000,-- onder de notaris gestort en daarvan zou nog zo'n € 12.000,-- (dan wel € 11.000,-- volgens het proces-verbaal van verhoor in hoger beroep) resteren.

4.5 De klacht faalt. De rechter hoeft niet in te gaan op alle door de procespartijen ter ondersteuning van hun standpunt aangevoerde stellingen. Dat geldt met name wanneer het, zoals hier, een min of meer terloops geponeerde stelling betreft, die voor het eerst en in de vorm van een laatste opmerking bij de mondelinge behandeling in hoger beroep te berde is gebracht, in het geheel niet is uitgewerkt - door de man is niet gesteld dat de vrouw de vrije beschikking had over dat onder de notaris gestorte bedrag en evenmin dat zij daaruit rente-inkomsten ontving of zou kunnen ontvangen die voor de bepaling van haar draagkracht van betekenis waren - en in het partijdebat geen enkele rol heeft gespeeld.

4.6 De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 10 maart 2006.