Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV0840

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-04-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
41898
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV0840
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2004:AR8148
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbouwing privé-woning door fysiotherapeut: praktijkkosten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2006, 557 met annotatie van Hemels
FutD 2006-0692
FED 2007/65
BNB 2007/35
Belastingadvies 2006/10.1
V-N 2006/21.10

Uitspraak

Nr. 41.898

14 april 2006

EC

gewezen op het beroep in cassatie van X-Y te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 december 2004, nr. 02/02896, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 21.101.

Vervolgens is haar over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 121.101, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur is verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 27.868.

Belanghebbende is tegen de uitspraak op het bezwaar in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag gehandhaafd zoals deze door de Inspecteur was verminderd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 20 december 2005 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is met X (hierna: de man) buiten gemeenschap van goederen gehuwd. Belanghebbende heeft in 1985 de onroerende zaak a-straat 1 te Z (hierna: het pand) gekocht, waar zij en de man met hun kinderen wonen. Het pand behoort uitsluitend haar toe.

3.1.2. Sinds 1985 zijn beiden ondernemer. Belanghebbende oefent het beroep van kinderfysiotherapeut uit, de man dat van fysiotherapeut/manueel therapeut. Beiden hebben hun eigen onderneming. Het pand was van oorsprong een woning en is in 1988 verbouwd. De voormalige berging, de bijkeuken en de garage zijn tot praktijkruimte voor de man verbouwd (hierna: praktijkruimte I). Hij huurt vanaf 1 juni 1985 deze ruimte van belanghebbende tegen een huurprijs van ƒ 1500 per maand. De totale verbouwingskosten bedroegen ƒ 66.422. Belanghebbende gebruikte van 1988 tot 1995 de voormalige slaapkamer op de eerste verdieping als werkruimte (hierna: praktijkruimte II). Ook de overloop op de eerste verdieping werd gedeeltelijk bedrijfsmatig gebruikt.

3.1.3. In 1995 is het pand opnieuw verbouwd. De verbouwing komt erop neer dat er een vertrek is aangebouwd (hierna: de aanbouw), welke ruimte bestemd en geschikt is om door een fysiotherapeut bedrijfsmatig te worden gebruikt. Daarnaast is praktijkruimte II verbouwd tot slaapkamer, zijn de entreehal en de berging omgebouwd tot een wachtruimte voor cliënten van de fysiotherapiepraktijken die in praktijkruimte I en in de aanbouw worden uitgeoefend. Tevens is er een privé-berging in de tuin bijgekomen en zijn ook privé-vertrekken in het pand verbouwd. De kosten van de verbouwing bedroegen in totaal ten minste ƒ 174.459. De verbouwing is voor 65% geactiveerd op de balans van de man en voor 35% op die van belanghebbende.

3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende op de ten laste van haar gekomen verbouwingskosten kan afschrijven.

3.3.1. Het Hof heeft dienaangaande geoordeeld dat niet aannemelijk is dat - voorzover de verbouwingskosten op belanghebbende gedrukt hebben - belanghebbende deze kosten met het oog op de zakelijke belangen van haar onderneming heeft gemaakt. Middel 1, dat zich tegen dit oordeel richt, faalt. Het oordeel moet aldus worden verstaan dat niet aannemelijk is dat belanghebbende deze kosten heeft gemaakt in het kader van het gebruik van het ondernemingsgedeelte van het pand maar in haar hoedanigheid van eigenaar van het pand. Het oordeel geeft aldus bezien geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

3.3.2. Ook de middelen 2 en 3 falen. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2006.