Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV0627

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-03-2006
Datum publicatie
10-03-2006
Zaaknummer
C04/339HR (1423)
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV0627
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onteigeningszaak; vervroegde onteigening, schadeloosstelling, vergoeding van de kosten van deskundige hulp en bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 152
RvdW 2006, 277
JWB 2006/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 maart 2006

Eerste Kamer

Nr. C04/339HR (1423)

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. M.L. Kleyn,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Directie Zeeland),

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Verweerder in cassatie (hierna: de Staat) heeft bij exploot van 13 september 2001 eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) gedagvaard voor de rechtbank te Middelburg en ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan "Westerschelde Oeververbinding" gevorderd ten name van de Staat vervroegd uit te spreken de onteigening van de in de dagvaarding omschreven gedeelte ter grootte van 00.46.80 hectare (grondplannummer [001]) van de onroerende zaak met de kadastrale aanduiding gemeente Borsele, sectie [A] [002], waarvan [eiser] als eigenaar is aangewezen en het bedrag van de schadeloosstelling vast te stellen op ƒ 35.100 (€ 15.928,--).

Bij vonnis van 24 april 2002 heeft de rechtbank onder meer de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] vastgesteld op € 15.928,-- en een deskundige en een rechter-commissaris benoemd.

Tegen dat vonnis heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 20 december 2002 het beroep verworpen.

Na gerechtelijke plaatsopneming op 2 juni 2003 en na deskundigenbericht heeft de rechtbank bij vonnis van 29 september 2004 het bedrag van de schadeloosstelling terzake de onteigening van voormelde onroerende zaak bepaald op € 17.550,--, de Staat veroordeeld voormeld bedrag aan [eiser] te betalen, dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde afgewezen. Dit vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

[Eiser] heeft tegen het vonnis van de rechtbank van 29 september 2004 beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. M.W. Scheltema, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 De rechtbank heeft het bedrag van de schadeloosstelling ter zake van de onteigening bepaald op € 17.550,-- en de Staat veroordeeld tot betaling van dat bedrag onder verrekening van het voorschot. De rechtbank heeft de Staat voorts veroordeeld tot betaling van de aan de zijde van [eiser] gevallen kosten van rechtsbijstand, door de rechtbank schattenderwijs vastgesteld op € 8.000,--.

3.2 Met betrekking tot de kosten van deskundige hulp en bijstand heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat de nota voor deskundigen bij descente en de reactie op het concept-deskundigenrapport van de hand van [betrokkene 1] zijn, wiens kosten niet zijn gedeclareerd, en dat deze kosten dan ook niet voor vergoeding in aanmerking komen. Hetzelfde geldt, aldus de rechtbank, voor de kosten in verband met de descente, waar niet de raadsvrouwe van [eiser] doch evenzo [betrokkene 1] aanwezig is geweest (rov. 2.11.2).

3.3 Middel 5 klaagt dat onvoldoende duidelijk is hoe de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat de bedoelde kosten niet zijn gedeclareerd.

Het middel slaagt. De kostenopgave van 27 april 2004 van de raadsvrouwe van [eiser] behelst immers onmiskenbaar kosten voor werkzaamheden waarvan de rechtbank heeft aangenomen dat ze door [betrokkene 1] zijn verricht. Voor de veronderstelling dat [betrokkene 1] geen rekening voor de door hem verleende deskundige bijstand heeft gestuurd, valt in die opgave geen grondslag te vinden, terwijl ook niet zonder meer aannemelijk kan worden geacht dat die bijstand kosteloos is verleend.

Het betoog van de Staat dat [eiser] bij deze klacht geen belang heeft, omdat, ook als ervan zou moeten worden uitgegaan dat de kostenopgave de werkzaamheden van [betrokkene 1] mede zou omvatten, dit geen wijziging zou brengen in het totaal van de aan de zaak bestede uren, zoals in die opgave vermeld, gaat niet op: de rechtbank heeft, omdat de opgave geen inzicht biedt in de verdeling van de werkzaamheden en de bestede tijd per onderdeel, de voor vergoeding in aanmerking komende kosten schattenderwijs vastgesteld op een bedrag van € 8.000,- wegens kosten van de advocaat (rov. 2.11.2); deze schatting kan geen stand houden indien de daarbij buiten beschouwing gelaten kosten van de volgens de rechtbank door [betrokkene 1] verrichte werkzaamheden (de posten onder 5-7) alsnog in aanmerking moeten worden genomen.

3.4 De in de middelen 1-4 en 6 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de rechtbank te Middelburg van 29 september 2004;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 452,96 aan verschotten en € 2.600,- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, E.J. Numann, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 10 maart 2006.