Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV0624

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-04-2006
Datum publicatie
07-04-2006
Zaaknummer
C04/170HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV0624
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geschil tussen BV’s, partijen bij overeenkomsten tot een commerciële- en managementalliantie, over de vraag of de benoeming van een derde tot lid van de raad van bestuur van de ene partij wanprestatie oplevert wegens onverenigbaarheid daarvan met de uit de managementalliantie voortvloeiende verplichting om hem tot de statutair directeur van de andere partij te benoemen; verzuim zonder ingebrekestelling in geval van een voldongen feit, mededeling als bedoeld in art. 6:83, aanhef en onder c, BW; aan een ingebrekestelling te stellen eisen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 215
RvdW 2006, 374
JWB 2006/119

Uitspraak

7 april 2006

Eerste Kamer

Nr. C04/170HR

RM/JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

KONINKLIJKE TEN CATE N.V.,

gevestigd te Almelo,

EISERES tot cassatie,

verweerster in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

1. Mr. B.M. NAGELMAKERS, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de vennootschap naar het recht van de Nederlandse Antillen UNITED FABRICS N.V.,

gevestigd op Curaçao, Nederlandse Antillen,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen,

2. de naamloze vennootschap naar het recht van de Nederlandse Antillen ARTOCARPUS N.V.,

gevestigd op Curaçao, Nederlandse Antillen,

VERWEERSTER in cassatie,

eiseres in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

1. Het geding in feitelijke instanties

United Fabrics N.V. heeft bij exploot van 16 oktober 2000 eiseres tot cassatie - verder te noemen: Ten Cate - gedagvaard voor de rechtbank te Almelo. Na wijziging van eis heeft United Fabrics gevorderd Ten Cate te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van

primair: ƒ 147.537.626,--, tegen overdracht van 370.056 aandelen in het geplaatste vermogen van de Koninklijke Textiel Groep Twenthe N.V.;

subsidiair: ƒ 124.081.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van ƒ 70.997.000,-- vanaf de dag van dagvaarding en over een bedrag van ƒ 124.081.000,-- vanaf 24 oktober 2001, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Ten Cate heeft de vordering bestreden en harerzijds een vordering in reconventie ingesteld.

De rechtbank heeft bij vonnis van 15 mei 2002 de vordering van United Fabrics afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft United Fabrics tezamen met verweerster in cassatie sub 2 - verder te noemen: Artocarpus - hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. In hoger beroep hebben United Fabrics en Artocarpus de eis gewijzigd en vermeerderd, zoals gespecificeerd in de memorie van grieven. Tijdens de behandeling van het hoger beroep is United Fabrics is staat van faillissement verklaard. De procedure is daarop overgenomen door verweerster in cassatie sub 1 (verder te noemen: de curator).

Bij arrest van 10 februari 2004 heeft het hof het tussen partijen in conventie gewezen vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende in conventie, Ten Cate veroordeeld op grond van wanprestatie uit hoofde van de managementovereenkomst aan Artocarpus alle schade te vergoeden die United Fabrics heeft geleden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2001 tot aan de dag van de algehele voldoening. Het meer of anders gevorderde heeft het hof afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Ten Cate beroep in cassatie ingesteld. Artocarpus heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord, tevens houdende incidenteel cassatieberoep, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Tegen de curator is verstek verleend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt in het principale beroep tot verwerping, en in het incidentele beroep tot vernietiging.

De advocaat van Ten Cate heeft bij brief van 8 december 2005 op de conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) In mei 1998 sloten Ten Cate en United Fabrics N.V. twee overeenkomsten. De eerste (hierna: de commerciële alliantie) heeft de volgende inhoud:

"1. Koninklijke Ten Cate N.V. zal de door haar nu aan derden uitbestede of later aan derden uit te besteden werkzaamheden die binnen de produktiemogelijkheden van Koninklijke Textielgroep Twenthe NV liggen immer aan TGT gunnen, indien TGT te kennen geeft deze werkzaamheden uit te willen voeren.

2. TGT is gehouden het werk te verrichten tegen marktconforme tarieven en specificaties.

De tweede tussen partijen gesloten overeenkomst (hierna: de managementalliantie) luidt als volgt:

"1. Tussen Koninklijke Textielgroep Twenthe NV en Koninklijke Ten Cate NV zal een management alliantie worden gesloten die behelst dat KTC het algemeen management van TGT zal verzorgen en daartoe [betrokkene 1] zal inzetten voor de functie van statutair directeur van TGT. [Betrokkene 1] zal tegelijkertijd ook zijn functie bij KTC behouden en zal zich aan beide bedrijven door een nog op te richten management BV verhuren middels een contract voor onbepaalde tijd. [Betrokkene 1] zal zelf een planning opstellen met betrekking tot de door hem aan ieder van zijn functies te besteden tijd welke de grondslag zal vormen voor de verdeling van de kosten van zijn beloning tussen TGT en KTC.

2. [Betrokkene 1] zal het recht hebben een belang in United Fabrics N.V. te verwerven."

(ii) Op 28 mei 1998 kocht United Fabrics een belang van ruim 82,6% in Koninklijke Textielgroep Twenthe N.V. (hierna: TGT). In juni 1998 werd [betrokkene 1] voornoemd bestuurder van TGT. Op 1 oktober 1998 trad [betrokkene 1] toe tot de Raad van Bestuur van Ten Cate. Per 1 juli 1999 werd [betrokkene 1] enig lid van de Raad van Bestuur van Ten Cate.

(iii) United Fabrics heeft op 5 maart 2000 haar rechten uit de beide met Ten Cate gesloten overeenkomsten met betrekking tot TGT als hiervoor in (i) genoemd, overgedragen aan Artocarpus. United Fabrics en Artocarpus hebben op 29 mei 2002 mededeling van die overdracht gedaan aan Ten Cate.

(iv) United Fabrics is hangende de appelinstantie in de onderhavige procedure failliet verklaard. Mr. Nagelmakers q.q. werd benoemd tot curator.

(v) Mr. Nagelmakers heeft de nietigheid ingeroepen van de hiervoor in (iii) vermelde overdracht en heeft dienaangaande een procedure aanhangig gemaakt bij het Gerecht in eerste aanleg op Curaçao. Wat de onderhavige procedure betreft zijn mr. Nagelmakers en Artocarpus overeengekomen dat Artocarpus als de rechthebbende op de vordering wordt aangemerkt.

(vi) TGT is op 22 maart 2002 failliet verklaard.

3.2 In dit geding heeft United Fabrics schadevergoeding gevorderd van Ten Cate op de grond dat laatstgenoemde tegenover haar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de beide hiervoor in 3.1(i) genoemde overeenkomsten. Ten Cate heeft verweer gevoerd en een reconventionele vordering ingesteld, die in cassatie niet ter zake doet.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het hof heeft dit vonnis vernietigd en Ten Cate veroordeeld - inmiddels op vordering van de curator na de faillietverklaring van United Fabrics, en Artocarpus - de schade te vergoeden die United Fabrics heeft geleden doordat Ten Cate wanprestatie heeft gepleegd ten aanzien van haar verplichtingen uit de managementalliantie. Samengevat weergegeven overwoog het hof daartoe als volgt. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, blijkt uit de in dit geding afgelegde getuigenverklaringen dat het bij het sluiten van de managementalliantie de bedoeling van partijen was dat die alliantie slechts tijdelijk zou duren om Ten Cate de gelegenheid te geven een opvolger voor [betrokkene 1] te zoeken, waarna laatstgenoemde uitsluitend werkzaam zou zijn voor TGT. Hieraan heeft Ten Cate zich niet gehouden. Nadat [betrokkene 1] op 19 juni 1998 was benoemd tot statutair bestuurder van TGT, heeft Ten Cate hem al in juli 1998 gevraagd lid van haar raad van bestuur te worden. [Betrokkene 1] is vervolgens per 1 oktober 1998 in deze hoedanigheid benoemd, aan welke benoeming Ten Cate de voorwaarde heeft verbonden dat [betrokkene 1] zijn functie als statutair bestuurder van TGT zou neerleggen. Volgens de managementalliantie zou Ten Cate echter [betrokkene 1] laten gaan, hetgeen meebrengt dat het haar niet vrijstond [betrokkene 1] over te halen toch bij haar te blijven. Door deze verplichting om niet te doen te schenden, is Ten Cate zonder ingebrekestelling in verzuim geraakt (rov. 4.3-4.6). Het hof verwierp het verweer van Ten Cate dat [getuige 1] namens United Fabrics heeft ingestemd met de benoeming van [betrokkene 1] tot bestuurder van Ten Cate. Uit de door [getuige 1] afgelegde getuigenverklaringen blijkt dat, voor zover deze akkoord is gegaan met de benoeming van [betrokkene 1] tot lid van de raad van bestuur van Ten Cate, dit is geschied onder protest en met verwijzing naar de schade die dit voor TGT zou opleveren (rov. 4.8-4.9). Ten Cate heeft dus, zonder zich te bekommeren om haar verplichtingen uit de managementalliantie met United Fabrics, de benoeming van [betrokkene 1] tot lid van haar raad van bestuur doorgezet. Ook deze omstandigheid brengt mee dat een ingebrekestelling door United Fabrics niet nodig was. Laatstgenoemde zag zich door de mededeling van Ten Cate dat [betrokkene 1] tot lid van haar raad van bestuur was benoemd, voor een voldongen feit gesteld en kon uit die mededeling afleiden dat Ten Cate in de nakoming van haar verplichtingen uit de managementalliantie zou tekortschieten (art. 6:83, aanhef en onder c, BW) (rov. 4.10).

Wat betreft de commerciële alliantie overwoog het hof als volgt. Partijen verschillen van mening over de uitleg daarvan. Artocarpus verdedigt dat sprake is van een aanbiedingsplicht van Ten Cate aan TGT, terwijl Ten Cate stelt dat het op de weg van TGT lag kenbaar te maken welke werkzaamheden zij wenste uit te voeren. Voorts verschillen partijen van mening over het antwoord op de vraag of Ten Cate in voldoende mate werkzaamheden heeft uitbesteed aan TGT (rov. 4.15). Nu Ten Cate zich op het standpunt stelt dat zij niet méér werk aan TGT heeft uitbesteed omdat deze niet in staat was dit werk marktconform te verrichten en Artocarpus zulks betwist, had het ook los van de uitleg van die overeenkomst op de weg van Artocarpus gelegen Ten Cate terzake in gebreke te stellen. Aangezien zij dit heeft verzuimd, is Ten Cate niet toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de commerciële alliantie.

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1.1 Onderdeel 1a is gericht tegen de redenering die het hof aan het eind van rov. 4.6 bracht tot het oordeel dat Ten Cate zonder in gebreke te zijn gesteld in verzuim is geraakt. De klacht van het onderdeel komt erop neer dat het hof, dat de voor Ten Cate uit de managementalliantie voortvloeiende verplichting om [betrokkene 1] in te zetten als statutair directeur van United Fabrics, op grond van de bedoeling van de overeenkomst aanmerkte als een voortdurende verplichting van Ten Cate om [betrokkene 1] niet over te halen toch bij Ten Cate te blijven, door extensieve uitleg van het begrip "voortdurende verbintenis" om niet te doen, de wettelijke eis van een ingebrekestelling onaanvaardbaar uitholt. Ten Cate heeft bij deze klacht geen belang omdat het hof nog een tweede, zelfstandig dragende, grond heeft bijgebracht voor zijn oordeel dat Ten Cate schadeplichtig is, ook al is zij niet in gebreke gesteld, terwijl die grond, zoals uit het hierna volgende zal blijken, in cassatie tevergeefs wordt bestreden. Om dezelfde reden heeft Ten Cate geen belang bij de onderdelen 1b en 1c, die zich eveneens tegen de redenering aan het eind van rov. 4.6 keren.

4.1.2 Ook onderdeel 1d is tevergeefs voorgesteld. Anders dan in het onderdeel wordt gesteld, ligt in 's hofs arrest met voldoende duidelijkheid besloten dat Ten Cate is tekortgeschoten in de nakoming van de managementalliantie door op de door het hof vastgestelde wijze handelingen te verrichten die met haar uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen onverenigbaar waren.

4.2 Onderdeel 2 keert zich met diverse motiveringsklachten tegen 's hofs waardering van de door de getuige [getuige 1] afgelegde verklaring, op basis waarvan het hof kwam tot verwerping van het verweer van Ten Cate dat [getuige 1] namens United Fabrics heeft ingestemd met benoeming van [betrokkene 1] tot lid van de raad van bestuur van Ten Cate en tot het oordeel dat onvoldoende is gebleken van instemming van United Fabrics met de benoeming van [betrokkene 1] tot lid van de raad van bestuur van Ten Cate. Deze klachten falen, omdat de desbetreffende oordelen van het hof niet onbegrijpelijk zijn en geen nadere motivering behoefden.

4.3.1 In rov. 4.10 concludeert het hof uit de in de rov. 4.9 omschreven gang van zaken dat Ten Cate, zonder zich te bekommeren om haar verplichtingen uit de managementalliantie, de benoeming van [betrokkene 1] tot lid van haar raad van bestuur heeft doorgezet. Ook deze omstandigheid brengt, aldus het hof, mee dat een ingebrekestelling niet nodig was, aangezien United Fabrics zich door de mededeling van Ten Cate dat [betrokkene 1] tot lid van de raad van bestuur van Ten Cate was benoemd, voor een voldongen feit gesteld zag en uit die mededeling kon afleiden dat Ten Cate in de nakoming van haar verplichtingen uit de managementalliantie zou tekortschieten (art. 6:83, aanhef en onder c, BW). De onderdelen 3a, 3b en 3c bestrijden de door het hof in rov. 4.10 gegeven beslissing met een aantal motiveringsklachten. Voor zover die voortbouwen op de klachten van onderdeel 2 delen zij het lot van dat onderdeel. Ook de overige in deze onderdelen vervatte motiveringsklachten falen, omdat de bestreden oordelen niet onbegrijpelijk zijn en geen nadere motivering behoefden. Dit brengt mee dat de in onderdeel 3b vervatte rechtsklacht evenmin slaagt.

4.3.2 Onderdeel 3c bevat verder nog een rechtsklacht die ervan uitgaat dat de bepaling van art. 6:83, aanhef en onder c, BW niet kan meebrengen dat het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt indien de in die regel bedoelde mededeling van de schuldenaar geschiedt voordat de vordering opeisbaar is, en dat in dat geval de gevolgen van niet-nakoming eerst intreden indien de schuldenaar niet voldoet aan een aanmaning als bedoeld in art. 6:80 lid 1, aanhef en onder c, BW. De klacht faalt, omdat dit uitgangspunt onjuist is. Wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten, treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in, ook indien de vordering op het moment van die mededeling nog niet opeisbaar was. Die niet-opeisbaarheid speelt immers geen rol, omdat dezelfde mededeling van de schuldenaar op grond van art. 6:80 lid 1, aanhef en onder b, BW de gevolgen van niet-nakoming doet intreden voordat de vordering opeisbaar is.

4.4 Ook de onderdelen 4, 5 en 6 kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1 Het incidentele beroep is uitsluitend door Artocarpus ingesteld en betreft de commerciële alliantie. Het is gericht tegen het oordeel van het hof dat het op de weg van United Fabrics had gelegen Ten Cate terzake in gebreke te stellen en dat zij dit heeft verzuimd.

Bij de beoordeling van de onderdelen 1.1 en 1.2 wordt vooropgesteld dat de uitleg van de processtukken is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Diens oordeel kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst, maar slechts op begrijpelijkheid.

5.2 Onderdeel 1.1 - onderdeel 1 bevat een inleiding - voert aan dat het hof, door de vordering af te wijzen op de ambtshalve bijgebrachte grond dat Ten Cate niet in gebreke is gesteld, buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en het feitelijke verweer van Ten Cate heeft aangevuld.

Het onderdeel faalt. Klaarblijkelijk heeft het hof in het verweer van Ten Cate (met name in de nummers 20-21 van haar memorie van antwoord) mede een beroep gelezen op het ontbreken van een ingebrekestelling ten aanzien van de commerciële alliantie. Die lezing is niet onbegrijpelijk.

5.3 Onderdeel 1.2 klaagt in de eerste plaats dat het hof in zijn motiveringsplicht is tekortgeschoten door voorbij te gaan aan de stellingen van United Fabrics in haar memorie van grieven onder 4.5.3 dat zij Ten Cate wél heeft aangespoord, dat partijen herhaalde malen hebben gesproken over ontbinding van de overeenkomsten en/of afkoop van de verplichtingen van Ten Cate jegens TGT, en dat United Fabrics Ten Cate wel degelijk - bij brief van 30 maart 1999 - in gebreke heeft gesteld.

Ook deze klacht kan geen doel treffen omdat het hof de bedoelde stellingen kennelijk stilzwijgend heeft verworpen, hetgeen alleszins begrijpelijk is. Aansporingen tot nakoming, en gesprekken over - kort gezegd - beëindiging van overeenkomsten, zijn immers in het algemeen geen ingebrekestellingen, en kunnen daarmee ook niet op één lijn worden gesteld. Wat de door het onderdeel bedoelde brief betreft heeft het hof kennelijk geoordeeld dat deze geen ingebrekestelling aan het adres van Ten Cate inhield. Deze brief bevat immers een reeks klachten over de samenwerking met Ten Cate, welke klachten uitmonden in de volgende slotsom:

"Wij denken dan ook dat u aansprakelijk gesteld zou kunnen worden voor alle negatieve gevolgen voor de belanghebbenden bij Twenthe die het gevolg zijn van uw contractbreuk of het publiek bekend worden van uw pogingen daartoe. Bovengenoemde lijkt misschien wat al te scherpslijperig, maar is echter bedoeld ter voorkoming van mogelijke misverstanden tijdens de voortzetting van onze gesprekken. Dus blijven wij bereid met u te overleggen over een aanpassing van de voorwaarden van de door ons voorgestelde fusie (...). Deze route blijft onze voorkeur genieten en wij stellen voor onze gesprekken op zo kort mogelijk termijn voort te zetten."

Aangezien een ingebrekestelling een sommatie aan het adres van de schuldenaar dient te bevatten om te presteren op een, al naar gelang de omstandigheden te bepalen, redelijke termijn, zou het veeleer onbegrijpelijk zijn indien het hof in deze - slechts tot verdere gesprekken uitnodigende - brief wél een ingebrekestelling zou hebben gelezen.

5.4 Het onderdeel bevat verder de klacht dat het hof eraan voorbij is gegaan dat United Fabrics in 4.5.2 van haar memorie van grieven met een verwijzing naar het gestelde onder 2.5 van die memorie heeft betoogd dat een ingebrekestelling niet nodig was omdat de uitbestedingsovereenkomst (waarmee blijkbaar is bedoeld: de commerciële alliantie) een voortdurende verplichting behelst en deze - als een partij daarin is tekortgeschoten - weliswaar in de toekomst alsnog kan worden nagekomen, maar daarmee de tekortkoming in het verleden niet ongedaan gemaakt wordt en dat nakoming wat deze tekortkoming betreft dan ook niet meer mogelijk is (art. 6:74 lid 2 BW).

Het is niet onbegrijpelijk dat het hof in de door het onderdeel bedoelde passage niet de stelling heeft gelezen dat United Fabrics geen ingebrekestelling aan het adres van Ten Cate diende uit te brengen. Het door het onderdeel gehouden juridische betoog en de daarin aangehaalde wetsbepaling, komen geen van beide voor in de door het onderdeel bedoelde passage in de processtukken van de feitelijke instanties. De verwijzing naar het gestelde onder 2.5 van de memorie van grieven behoefde door het hof niet met zoveel woorden te worden besproken, aangezien daarin de stelling naar voren wordt gebracht dat United Fabrics wel degelijk een ingebrekestelling heeft uitgebracht ten aanzien van de managementalliantie.

5.5 Ook de overige klachten van het onderdeel kunnen geen doel treffen, evenmin als de onderdelen 1.3 en 1.4. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Ten Cate in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Artocarpus begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Artocarpus in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Ten Cate begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, J.C. van Oven en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 7 april 2006.