Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV0404

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-04-2006
Datum publicatie
05-04-2006
Zaaknummer
01268/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV0404
In cassatie op : ECLI:NL:GHLEE:2004:AR7196
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

TBS; deskundigenrapport; arts-assistent; weigerende observandus. In aanmerking genomen dat door verdachte is aangevoerd dat hij alleen aan een onderzoek wilde meewerken op de door hem gestelde voorwaarde dat het onderzoek niet door het PBC zou geschieden, is ’s hofs oordeel dat hij als weigerende observandus moet worden aangemerkt onjuist noch onbegrijpelijk. Dat brengt mee dat het hof - gelet op art. 37.3 Sr - terecht heeft geoordeeld dat art. 37.2 Sr buiten toepassing blijft. Daarop stuiten de klachten af dat het rapport meer dan 1 jaar voor de aanvang van de terechtzitting was gedagtekend en dat het rapport (mede) is opgemaakt door een arts-assistent psychiatrie.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 37
Wetboek van Strafrecht 37a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2006, 166
NBSTRAF 2006/166
JOL 2006, 204
RvdW 2006, 384

Uitspraak

4 april 2006

Strafkamer

nr. 01268/05

KD/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 16 november 2004, nummer 24/001235-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring "Ooyerhoek" te Zutphen.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Assen van 27 augustus 2003, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding in zaak A onder 4 primair en 5 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van zaak A: onder 1 primair "verkrachting", 4 subsidiair "met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam", 5 subsidiair "poging tot het met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam" en ter zake van zaak B: onder 1 primair "poging tot medeplegen van doodslag gevolgd en vergezeld van een strafbaar feit gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken", 2 primair "afpersing, terwijl het feit werd gepleegd door twee of meer verenigde personen", 3 primair "diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot acht jaren gevangenisstraf en daarbij bevolen dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.I. Vervest, advocaat te Beverwijk, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. Het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal is niet binnen de bij de wet gestelde termijn binnengekomen.

3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

3.1. Het eerste middel klaagt dat het Hof bij de oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling gebruik heeft gemaakt van een deskundigenrapport dat niet voldoet aan de vereisten van art. 37a, derde lid, Sr in verbinding met art. 37, tweede lid, Sr, aangezien het eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting was gedagtekend en aangezien het psychiatrisch onderzoek was verricht door een arts-assistent psychiatrie. Het tweede middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de verdachte als een zogenoemde weigerende observandus moet worden aangemerkt. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.2. Het Hof heeft ten aanzien van de oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling, voorzover van belang, het volgende overwogen:

"Verdachte is tweemaal opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum (PBC). Naar aanleiding van de eerste opname is eerdergenoemd advies d.d. 7 mei 2003 opgemaakt. Ten einde deze rapportage te actualiseren is verdachte in juli 2004 voor de tweede maal opgenomen. Uit een door het PBC opgemaakt rapport d.d. 9 september 2004 blijkt dat verdachte aan dit onderzoek geen medewerking heeft willen verlenen. Hij was derhalve een zogenoemde weigerende observandus. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging, hierop neerkomende dat verdachte niet heeft geweigerd zijn medewerking aan het onderzoek te verlenen. Die weigering is door laatstgenoemd rapport en de verklaringen van verdachte ter terechtzitting voldoende komen vast te staan. Voor zover de verdediging nog heeft willen betogen dat van een weigering niet kan worden gesproken, omdat verdachte niet élk onderzoek van de hand heeft gewezen, maar slechts dat in het PBC, vindt dit standpunt geen steun in het recht.

Het eerdere rapport van de deskundigen in het PBC is meer dan een jaar oud en voldoet niet aan het actualiteitsvereiste van artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging stemt niet in met het gebruik van deze rapportage.

Artikel 37, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, maakt het mogelijk dat ook aan een weigerende observandus een terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd. De eis van recente multidisciplinaire rapportage geldt in een dergelijk geval niet. Wel dient er te worden vastgesteld dat verdachte op het moment van het begaan van de misdrijven leed aan een psychische stoornis en dient er zoveel mogelijk informatie te worden vergaard over de wenselijkheid van een terbeschikkingstelling.

In eerste aanleg is aan verdachte een terbeschikkingstelling opgelegd op grond van het eerdergenoemde rapport van het PBC dat is opgemaakt in onderhavige strafzaak. In dit rapport wordt onder meer geconcludeerd -zakelijk weergegeven - :

Verdachte lijdt aan een borderline persoonlijkheidsstoornis en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Er is een diepgaand patroon van instabiliteit in intermenselijke relaties en in het zelfbeeld; verdachte is impulsief, de gewetensfuncties zijn lacunair en de empathische vermogens gebrekkig.

Omdat hij een leven leidt zonder structuur, waarin hij zich moeilijk kan handhaven en gemakkelijk vervalt in middelenmisbruik en grensoverschrijdend gedrag, moet het recidiverisico als aanzienlijk worden aangemerkt. Wij adviseren een terbeschikkingstelling met verpleging. Vanwege het middelenmisbruik en het ontbreken van probleeminzicht en verantwoordelijkheid bij verdachte, biedt een terbeschikkingstelling met voorwaarden te weinig garanties voor een succesvolle behandeling.

Op grond van de inhoud van deze rapportage, waarmee het hof zich verenigt, is voldoende vast komen te staan dat verdachte ten tijde van het plegen van de delicten leed aan een psychische stoornis. Voorts is het hof van oordeel - gelet op het PBC-rapport, de overige rapporten in het dossier en op de indruk die het hof zelf van de verdachte heeft gekregen - dat verdachte behandeld dient te worden voor zijn persoonlijkheidsstoornis en dat deze behandeling dient plaats te vinden in een klinische setting. Met de rapporteurs van het PBC acht het hof een terbeschikkingstelling met voorwaarden niet geschikt, omdat - gelet op het grote recidivegevaar en het geringe inzicht dat verdachte in zijn ziekte heeft - te weinig garanties worden geboden voor het voorkomen van het opnieuw plegen van ernstige misdrijven."

3.3.1. Hieruit volgt dat de verdachte tweemaal opgenomen is geweest in het Pieter Baan Centrum (verder PBC) teneinde een onderzoek te doen instellen naar zijn geestvermogens. Naar aanleiding van het onderzoek tijdens de eerste opname heeft het PBC bij rapport van 7 mei 2003 een advies gegeven. De tweede opname heeft blijkens het rapport van het PBC van 9 september 2004 niet tot een advies geleid omdat de verdachte aan het onderzoek naar zijn geestvermogens geen medewerking heeft willen verlenen. Naar aanleiding van deze laatste rapportage en van het verhandelde ter terechtzitting heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte met betrekking tot het tweede onderzoek als weigerende observandus moet worden aangemerkt en heeft het zijn oordeel omtrent de geestvermogens van de verdachte gegrond op het eerdere rapport van 7 mei 2003. Daarbij heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte, gelet op het hier ingevolge art. 37a, derde lid, Sr van overeenkomstige toepassing zijnde art. 37, derde lid, Sr, geen beroep toekomt op het tweede lid van art. 37 Sr.

3.3.2. In aanmerking genomen dat door en namens de verdachte is aangevoerd dat hij alleen aan een onderzoek wilde meewerken op de door hem gestelde voorwaarde dat het onderzoek niet door het PBC zou geschieden, geeft 's Hofs oordeel dat hij als weigerende observandus moet worden aangemerkt geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.

Dat brengt mee dat het Hof - gelet op het derde lid van art. 37a Sr, in verbinding met het derde lid van art. 37 Sr - terecht heeft geoordeeld dat het tweede lid van art. 37 Sr buiten toepassing blijft. Daarop stuiten de klachten af.

3.4. De middelen falen.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, heeft op 19 november 2004 beroep in cassatie ingesteld. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 6 december 2005 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

6. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

Vermindert deze in die zin dat deze zeven jaren en elf maanden beloopt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 4 april 2006.