Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV0350

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-03-2006
Datum publicatie
07-03-2006
Zaaknummer
01788/05, 01789/05, 01790/05, 01791/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV0350
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verlof ex art. 552p Sv. 1. De bestreden beschikking houdt niet in dat aannemelijk is dat de rechthebbenden op de inbeslaggenomen stukken van overtuiging niet in Nederland verblijf houden. Gelet daarop heeft de Rb kennelijk bij vergissing het voorbehoud ex art. 552p.3 Sv niet in de beschikking opgenomen. De HR herstelt dit verzuim. 2. Het oordeel van de Rb dat de inbeslaggenomen stukken of kopieën daarvan niet voordat verlof ex art. 552p.2 Sv was verleend, aan de Duitse autoriteiten zijn overgedragen, is feitelijk en niet onbegrijpelijk. 3. De Rb heeft geoordeeld dat de doorzoekingen hebben plaatsgevonden in de strafzaak en op de adressen die staan vermeld in het rechtshulpverzoek en dat de RC, mede gelet op de aangetroffen situatie, ervan uit mocht gaan dat van de in het rechtshulpverzoek verzochte doorzoeking van dat pand niet was uitgesloten de in het pand ondergebrachte vestiging met de naam X. Dit oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 142
RvdW 2006, 284
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 maart 2006

Strafkamer

nr. 01788/05 B, 01789/05 B,

01790/05 B en 01791/05 B

AGJ/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Roermond van 13 mei 2005, nummer 04/050960-04 RK 05/1, naar aanleiding van een door de Rechter-Commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in voormelde Rechtbank, gevraagde verlof als bedoeld in art. 552p, tweede lid, van het wetboek van Strafvordering ingediend door:

[klager 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1939, wonende te [woonplaats];

[klager 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te [woonplaats];

[klager 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, wonende te [woonplaats] en

[klager 4], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1942, wonende te [woonplaats].

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de klagers. Namens deze heeft mr. A.G. van den Biezenbos, advocaat te Venlo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte verlof heeft verleend de inbeslaggenomen stukken aan de Officier van Justitie ter beschikking te stellen zonder dat aan dat verlof het in art. 552p, derde lid, Sv genoemde voorbehoud is verbonden.

3.2. De bestreden beschikking houdt niet in dat aannemelijk is dat de rechthebbenden op de inbeslaggenomen stukken van overtuiging niet in Nederland verblijf houden. Gelet daarop heeft de Rechtbank kennelijk bij vergissing bedoeld voorbehoud niet in de beschikking opgenomen. Het middel dat over dit verzuim klaagt, is derhalve terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal bedoeld verzuim herstellen.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank het verweer, inhoudende dat de inbeslaggenomen stukken reeds voordat het verlof als bedoeld in art. 552p, tweede lid, Sv was verleend aan de verzoekende Staat zijn verstrekt, ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

4.2.1. Het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer houdt in dat de raadsman heeft gepleit overeenkomstig zijn "Notitie ten behoeve van de raadkamerzitting van 22 april 2005". Die notitie houdt voorzover hier van belang in:

"Ook zijn een groot aantal stukken reeds over-gedragen aan de Duitse autoriteiten, derhalve zonder verlof van Uw Rechtbank. (...)

Het kan derhalve niet anders dan dat er reeds stukken zijn afgegeven aan de Duitse autoriteiten. Het spreekt voor zich dat e.e.a. veel verder gaat dan "het kennisnemen ten behoeve van tactisch onderzoek" waarop door de Rechter-Commissaris een beroep wordt gedaan.

Volledigheidshalve zij vermeld dat ook het verstrekken van afschrift zonder voorafgaand verlof volstrekt onrechtmatig is (...)."

4.2.2. De Rechtbank heeft dit verweer van de klagers als volgt verworpen:

"Bij de beoordeling van het onder vier genoemde verweer neemt de rechtbank als uitgangspunt dat inbeslaggenomen stukken of kopieën van die stukken slechts na verlof van de rechtbank aan de verzoekende staat mogen worden overgedragen. Anders dan de raadsman in zijn betoog stelt, zijn er volgens de officier van justitie geen stukken of kopieën van stukken reeds aan de Duitse autoriteiten overgedragen. De rechter-commissaris heeft in antwoord op brieven van de advocaat bij brief van 18 april 2005 medegedeeld dat de in beslag genomen stukken onder zijn beheer bij de politie liggen. De rechtbank heeft geen aanleiding te veronderstellen dat dit anders is.

Ter onderbouwing van zijn stelling voert de raadsman nog aan dat de Duitse opsporingsinstanties inmiddels alle klanten van [A] hebben aangeschreven en dat de adresgegevens enkel afkomstig kunnen zijn uit de inbeslaggenomen adresbestanden. Voor zover de Duitse autoriteiten reeds de beschikking zouden hebben over adresbestanden volgt daaruit niet noodzakelijkerwijs dat reeds (kopieën van) inbeslaggenomen stukken aan de Duitse autoriteiten zijn overgedragen. Voor zover dat wel het geval zou zijn, kan dat toch niet in de weg staan aan de verlening van verlof tot afgifte van de stukken, immers er is niet gebleken welk belang verdachten/belanghebbenden hebben bij de klacht dat de Duitse autoriteiten reeds voor de overdracht van de stukken kennis hebben van de adressen."

4.3. Het oordeel van de Rechtbank dat de inbeslaggenomen stukken of kopieën daarvan niet aan de Duitse autoriteiten zijn overgedragen, is feitelijk en niet onbegrijpelijk. Het draagt de verwerping van het verweer zelfstandig.

4.4. Het middel kan reeds daarom niet tot cassatie leiden.

5. Beoordeling van het derde middel

5.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank het verweer dat de doorzoeking bij [A]. onrechtmatig is, ten onrechte heeft verworpen, althans dat de verwerping onvoldoende is gemotiveerd.

5.2. De Rechtbank heeft bedoeld verweer als volgt samen-gevat en verworpen:

"Het tweede verweer inhoudende dat de doorzoeking bij [A], het privéadres van belanghebbende [klager 3] voornoemd en de kluis bij [B] onrechtmatig zou zijn, omdat de machtigingen zich beperken tot de firma [C] en [D], kan niet slagen.

Uit de processtukken, met name de Duitse rechterlijke machtigingen die zijn gevoegd bij de rechtshulpverzoeken van 20 juli en 5 oktober 2004, blijkt dat zoeking diende plaats te vinden op het adres [a-straat 1-5] te [plaats A], het adres van [B] en het privé-adres van [klager 3]. Dit betreft respectievelijk het adres van [A], het adres van [B] en het privé-adres van [klager 3]. Voorts blijkt uit de processtukken dat de doorzoekingen door de rechter-commis-saris ook op deze adressen hebben plaatsgevonden. De doorzoekingen zijn derhalve rechtmatig geweest.

De rechtbank deelt niet de mening van de raadsman dat de doorzoeking beperkt diende te worden tot de op het aangegeven adres gevestigde vertrekken van de firma [C] en [D]. Gelet op de omschrijving in het rechtshulpverzoek van de verzochte onderzoekshandelingen en de omschreven stand van zaken in het onderzoek, mocht de rechter-commissaris gelet op de in het te doorzoeken pand aangetroffen situatie er van uitgaan dat het rechtshulpverzoek tevens betrekking had op de in dat pand ondergebrachte vestiging met de naam [A] te meer daar bij het binnentreden bleek dat deze laatste firma pas zeer recent op dit adres gevestigd was en in de betreffende kamer een van de verdachte en personeel van de andere deels recent opgeheven firma's werd aangetroffen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de rechter-commissaris alvorens tot doorzoeking in de kamer van [A] over te gaan na raadpleging van de aanwezige Duitse opsporingsambtenaren eerst bij de Duitse autoriteiten telefonisch de uitbreiding van het rechtshulpverzoek heeft gevorderd en verkregen en dat de Duitse autoriteiten deze uitbreiding ook nog schriftelijk hebben bevestigd bij rechtshulpverzoek van 19 december 2004."

5.3. Uit de hierboven weergegeven overwegingen volgt dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat de doorzoekingen hebben plaatsgevonden in de strafzaak en op de adressen die staan vermeld in het rechtshulpverzoek en dat de Rechter-Commissaris, mede gelet op de aangetroffen situatie, ervan uit mocht gaan dat van de in het rechtshulpverzoek verzochte doorzoeking van eerstgenoemd pand niet was uitgesloten de in het pand ondergebrachte vestiging met de naam [A]. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het draagt de verwerping van het verweer zelfstandig, zodat buiten beschouwing kan blijven hetgeen de Rechtbank voorts nog heeft overwogen.

5.4. Het middel faalt derhalve.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden beschikking, doch uitsluitend voorzover daarin niet het voorbehoud is opgenomen dat bij de afgifte van de inbeslaggenomen stukken van overtuiging aan de Duitse autoriteiten wordt bedongen dat de stukken zullen worden teruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt;

Verbindt bedoeld voorbehoud aan het verlof;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 7 maart 2006.