Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AV0056

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-03-2006
Datum publicatie
31-03-2006
Zaaknummer
R05/162HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AV0056
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bopz. Voorwaardelijk ontslag van de betrokkene uit het psychiatrisch ziekenhuis (TBS-kliniek) waar hij na beëindiging van de TBS-maatregel sinds 1997 op basis van rechterlijke machtigingen op grond van de Wet Bopz verblijft; kon de rechtbank onder de gegeven omstandigheden aan de betrokkene krachtens art. 47 Wet Bopz voorwaardelijk ontslag verlenen op gelijke voorwaarden als die welke door de geneesheer-directeur van de kliniek aan het reeds verleende verlof zijn gesteld?, gevaarlijkheid in de zin van art. 47 Wet Bopz, recidiverisico; rechterlijke toetsing op de voet van art. 49 Wet Bopz, maatstaf.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 47
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 48
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 196
NJ 2006, 231
RvdW 2006, 331
JWB 2006/113
BJ 2006/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 maart 2006

Eerste Kamer

Rek.nr. R05/162HR

RM/JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ARNHEM,

gevestigd te Arnhem,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. D. Stoutjesdijk,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

Advocaat: mr. G.E.M. Later.

1. Het geding in feitelijke instantie

De officier van justitie in het arrondissement Arnhem heeft op 23 februari 2005 onder overlegging van de door de Wet BOPZ voorgeschreven stukken een verzoek ingediend bij de rechtbank aldaar tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf van verweerder in cassatie - verder te noemen: verzoeker - in een psychiatrisch ziekenhuis.

Na mondelinge behandeling op 24 maart 2005 heeft de rechtbank bij beschikking van 4 april 2005 ten aanzien van verzoeker een machtiging tot voortgezet verblijf verleend voor de duur van één jaar.

Bij brief van 27 juni 2005 heeft verzoeker de geneesheer-directeur van de Pompekliniek verzocht ontslag uit het ziekenhuis, althans een voorwaardelijk ontslag, te verlenen. Omdat niet binnen de wettelijke termijn op dit verzoek werd beslist, heeft verzoeker zich tot de officier van justitie in het arrondissement Arnhem gewend met het verzoek bij de rechter een vordering in te stellen tot het bevelen van zijn ontslag dan wel voorwaardelijk ontslag. De officier van justitie heeft bij brief, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 19 augustus 2005, de rechtbank verzocht terzake een beslissing te nemen.

Bij brief van 15 augustus 2005 heeft het waarnemend hoofd van de Pompekliniek alsnog aan verzoeker medegedeeld dat het verzoek van 27 juni 2005 is afgewezen.

De rechtbank heeft het verzoek behandeld ter zitting met gesloten deuren van 31 augustus 2005, waarbij zij heeft gehoord: verzoekers raadsvrouw, de officier van justitie en de behandelaar, de laatste tevens optredend als gemachtigde van de geneesheer-directeur.

De officier van justitie heeft zich verzet tegen inwilliging van het ontslagverzoek.

Bij tussenbeschikking van 5 september 2005 heeft de rechtbank bepaald dat de geneesheer-directeur het behandelplan van verzoeker zal aanpassen zoals in de beschikking was overwogen. Nadat een aangepast behandelingsplan was overgelegd, heeft de rechtbank bij beschikking van 9 september 2005 aan verzoeker voorwaardelijk ontslag verleend, met als voorwaarde dat hij zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het aan de beschikking gehechte behandelingsplan van 8 september 2005. Het meer of anders verzochte heeft de rechtbank werd afgewezen.

De tussenbeschikking en de eindbeschikking van de rechtbank zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen zowel de tussenbeschikking als de eindbeschikking heeft de officier van justitie beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Verzoeker heeft een verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Verzoeker verblijft sinds 14 oktober 1994 in de Pompekliniek te Nijmegen, in eerste instantie in het kader van een gemaximeerde TBS en sedert 21 oktober 1997 steeds op basis van een rechterlijke machtiging op grond van de Wet Bopz, laatstelijk op grond van een door de rechtbank Arnhem bij beschikking van 4 april 2005 verleende machtiging tot voortgezet verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar. Voorzover thans van belang, heeft de rechtbank daartoe in deze beschikking het volgende overwogen:

"Betrokkene lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis: cluster B met pedosexuele identiteit. De geneeskundige verklaring en het behandelplan voldoen aan de eisen die de wet stelt. Hieruit blijkt dat betrokkene als blijvend delictgevaarlijk moet worden beschouwd, dat er geen behandelpogingen meer worden ondernomen om de pedoseksualiteit van betrokkene te veranderen en dat het doel is dat betrokkene delictvrij blijft. Betrokkene krijgt relatief veel vrijheden en verlof, maar de risico's worden beperkt door voortdurende controles en toezicht. Er is getracht om betrokkene in een reguliere APZ te laten opnemen vooralsnog zonder resultaat gezien de stringente eisen die hieraan gesteld worden.

Hoewel erkend kan worden dat betrokkene het goed doet en er geen incidenten zijn geweest, zijn er op dit moment geen concrete vooruitzichten dat er buiten de inrichting een instelling of organisatie in staat of bereid is ten aanzien van betrokkene op dezelfde wijze de noodzakelijke stringente controle uit te oefenen als thans het geval is. Om deze reden wijst de rechtbank het verzoek van de gemachtigde van de betrokkene om de machtiging voor een kortere periode te verlenen, respectievelijk om een voorwaardelijke machtiging te verlenen, af. (...)"

Bij brief van 27 juni 2005 heeft verzoeker de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis verzocht primair hem ontslag te verlenen en subsidiair ontslag onder voorwaarden, zoals verplichte poliklinische contacten en/of begeleidings/contactmomenten met een reclasseringsinstelling of een psychiatrisch verpleegkundige.

Omdat de geneesheer-directeur niet binnen veertien dagen na ontvangst van het verzoek had beslist, heeft verzoeker - op de voet van het bepaalde in art. 49 lid 3 Wet Bopz - bij brief van 28 juli 2005 de officier van justitie in het arrondissement Arnhem verzocht de beslissing van de rechtbank aldaar te verzoeken. Verzoeker stelde daartoe dat hij geen gevaar opleverde voor zichzelf, anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen.

Onder overlegging van de afwijzende beslissing van het waarnemend hoofd van de Pompekliniek van 15 augustus 2005, heeft de officier van justitie bij brief van 18 augustus 2005, ter griffie ingekomen op 19 augustus 2005, de beslissing van de rechtbank verzocht. De rechtbank heeft dit verzoek ter zitting met gesloten deuren op 31 augustus 2005 behandeld in aanwezigheid van de officier van justitie, de raadsvrouw van verzoeker en van zijn behandelaar die optrad namens de geneesheer-directeur. Verzoeker was niet verschenen.

De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 5 september 2005 de geneesheer-directeur in de gelegenheid gesteld haar een geactualiseerd behandelingsplan van verzoeker, althans een overzicht met de voorwaarden die toen werden verbonden aan zijn verlof, te doen toekomen vóór 9 september 2005. Naar aanleiding van deze beschikking is op 8 september 2005 bij de rechtbank ingekomen een haar namens de geneesheer-directeur toegezonden recent en geactualiseerd behandelingsplan van verzoeker. Bij beschikking van 9 september 2005 heeft de rechtbank verzoeker voorwaardelijk ontslag verleend met als voorwaarde dat hij zich onder behandeling stelt overeenkomstig het zojuist genoemde, aan de beschikking gehechte behandelingsplan voor de resterende duur van de op 4 april 2005 verleende machtiging tot voortgezet verblijf. Naar het oordeel van de rechtbank verschafte dit behandelingsplan een overzicht van de voorwaarden die werden gesteld aan het verlof van verzoeker en zette het uiteen wat de consequenties waren als hij zich niet aan die voorwaarden hield.

3.2 In de bestreden beschikking van 5 september 2005 heeft de rechtbank "de afwijzende beschikking van de geneesheer-directeur in volle omvang" beoordeeld door te onderzoeken of bij verzoeker sprake was van een stoornis van de geestvermogens, of die stoornis hem nog steeds gevaar deed veroorzaken en of het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kon worden afgewend.

Bij haar beoordeling heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen dat niet ter discussie staat dat verzoeker lijdt aan een geestelijke stoornis ("gefixeerde pedoseksualiteit") waarvan hij zich bewust is. Voorts heeft zij vooropgesteld

- dat verzoeker zijn gevangenisstraf voor de door hem gepleegde delicten heeft uitgezeten;

- dat zijn TBS-maatregel in 1997 is beëindigd;

- dat hij daarom niet behoort te verblijven in een TBS-kliniek waar hij regelmatig wordt geconfronteerd met en onderworpen aan het TBS-regime, terwijl hij is opgenomen met een rechterlijke machtiging op grond van de Wet Bopz en op hem de regels van die wet van toepassing zijn;

- dat het echter, ook op zeer hoog landelijk niveau, niet lukt voor hem een plaats te vinden in de reguliere geestelijke gezondheidszorg.

Vervolgens heeft de rechtbank overwogen, voorzover thans van belang:

"Vaststaat dat het recidiverisico van personen met een geestelijke stoornis zoals bij verzoeker heel erg hoog ligt, tussen de 90-92%. Derhalve bestaat onverminderd het gevaar dat verzoeker opnieuw seksuele delicten zal plegen met minderjarigen en blijft (vooralsnog) de noodzaak van een rechterlijke machtiging noodzakelijk. Uit het dossier en uit hetgeen overigens is besproken ter zitting blijkt dat dit gevaar kan worden afgewend door middel van het maken van afspraken, waaronder afspraken met het sociale vangnet van verzoeker. Vaststaat dat verzoeker zijn afspraken nakomt en er zich de afgelopen twee jaar geen incidenten hebben voorgedaan. Dit heeft ertoe geleid dat zijn verloven steeds zijn uitgebreid. Hij verbleef in maart 2005 nog vier dagen en nachten in de Pompekliniek. Op [de] zitting is gebleken dat dat nu is teruggebracht tot een dag. Feitelijk verblijft verzoeker dus het merendeel van de week "buiten". Onder deze omstandigheden valt niet in te zien waarom aan verzoeker geen voorwaardelijk ontslag verleend had kunnen worden, zoals hij subsidiair heeft verzocht. De impliciete weigering daartoe in de beslissing is door de geneesheer-directeur op geen enkele wijze gemotiveerd. De beslissing van de geneesheer-directeur miskent hiermee de mogelijkheid van voorwaardelijk ontslag met behoud van de huidige rechterlijke machtiging, zoals genoemd in artikel 47 van de Wet Bopz. Uit artikel 45 en 46 van de Wet Bopz volgt dat het voorwaardelijk ontslag door de geneesheer-directeur kan worden ingetrokken wanneer de betrokkene de voorwaarden niet nakomt of wanneer de uit de geestelijke stoornis voortvloeiende gevaarlijkheid van de betrokkene dit noodzakelijk maakt en dit gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.

Nu verzoeker in de Pompekliniek niet op de juiste plaats is en hij niet elders kan worden geplaatst en gelet op de ruime mate van vrijheid die verzoeker thans heeft is de rechtbank van oordeel dat een ontslag onder voorwaarden, zoals genoemd in artikel 47 van de Wet Bopz onder handhaving van de huidige machtiging tot voortgezet verblijf thans mogelijk moet zijn. Tevens wijst de rechtbank voor wat betreft de toekomst op de mogelijkheid van de voorwaardelijke machtiging zoals genoemd in artikel 14a van de Wet Bopz.

Hoewel er een onverminderd hoog gevaar bestaat dat verzoeker zal recidiveren, is dit risico in het onderhavige geval hanteerbaar door het feit dat verzoeker de delicten alleen pleegt met minderjarigen die hij al enige tijd kent en waarmee hij een relatie heeft opgebouwd alsmede door genoemd controlesysteem. Gezien het voorgaande kan niet worden aanvaard dat verzoeker voor onbepaalde tijd in de Pompekliniek opgenomen moet blijven uit een oogpunt van algemeen belang, terwijl in dit geval ook op een voor verzoeker minder ingrijpende, maar verantwoorde, wijze om kan worden gegaan met dit risico.

Met betrekking tot de voorwaarden waaronder het ontslag van verzoeker verleend moet worden, overweegt de rechtbank dat deze gelijk moeten zijn aan de voorwaarden die op dit moment aan het verlof van verzoeker worden gesteld. (...)"

Tegen de hiervoor geciteerde overwegingen en de daarop voortbouwende beslissing van de rechtbank in de eindbeschikking komt onderdeel 2 van het middel op in acht subonderdelen. Onderdeel 1 bevat een inleiding en onderdeel 3 geeft alleen een toelichting.

3.3.1 De Hoge Raad ziet aanleiding eerst de onderdelen 2.6 en 2.7 te behandelen. Onderdeel 2.6 klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat de rechter bij zijn beoordeling van het besluit van de geneesheer-directeur omtrent een verzoek om voorwaardelijk ontslag enige terughoudendheid moet betrachten, nu de geneesheer-directeur een beperkte afwegingsruimte heeft, en dat de rechtbank in ieder geval onvoldoende aandacht heeft besteed aan de motivering van de beslissing van de geneesheer-directeur. Onderdeel 2.7 bouwt met een motiveringsklacht hierop voort.

3.3.2 De onderdelen falen omdat zij berusten op een onjuiste rechtsopvatting aangaande de taak van de rechter in een procedure als de onderhavige, waarin de betrokkene het ontslagverzoek, waarop de geneesheer-directeur afwijzend heeft beslist, op de voet van art. 49 lid 3 en 5 Wet Bopz door tussenkomst van de officier van justitie ter beslissing aan de rechter heeft voorgelegd. In deze procedure ligt niet de beslissing van de geneesheer-directeur ter toetsing voor, maar gaat het om de, in volle omvang te onderzoeken, vraag of, beoordeeld naar de ten tijde van de beslissing van de rechter geldende omstandigheden, de vrijheidsbeneming die een gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis met zich brengt, moet voortduren (HR 19 december 2003, nr. R03/113, NJ 2005, 128).

3.4 De onderdelen 2.1 tot en met 2.5 zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank in de bestreden tussenbeschikking en eindbeschikking - samengevat - dat aan verzoeker op grond van art. 47 Wet Bopz voorwaardelijk ontslag kan worden verleend op gelijke voorwaarden als die welke op dat moment aan het verlof van verzoeker werden gesteld.

3.5.1 Onderdeel 2.2 klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat vaststaat dat het recidiverisico van personen met een geestelijke stoornis zoals bij verzoeker tussen 90-92% ligt, onbegrijpelijk is, gelet op de in het proces-verbaal opgenomen verklaring van zijn behandelaar ter zitting dat op basis van het risicoprofiel het risico op delictherhaling hoog werd geacht, te weten 95-98%.

3.5.2 Het onderdeel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. De rechtbank heeft overwogen dat vaststaat dat het recidiverisico van personen met een geestelijke stoornis zoals bij verzoeker "heel erg hoog" ligt. Het daarbij door de rechtbank genoemde percentage van 90-92 is klaarblijkelijk slechts als nadere aanduiding van "heel erg hoog" bedoeld. Nu ook een percentage van 95-98 zonder meer de aanduiding "heel erg hoog" zou wettigen, kan slechts worden geconcludeerd dat indien de rechtbank van laatstgenoemd percentage was uitgegaan zij geen ander oordeel aangaande het recidiverisico zou hebben bereikt.

3.6.1 Onderdeel 2.1 is gericht tegen de tussenbeschikking. Het klaagt erover dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste maatstaf voor verlening van voorwaardelijk ontslag en heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de voorwaarden voor het verlenen van voorwaardelijk ontslag als bedoeld in art. 49 lid 2 en 47 lid 1 Wet Bopz, althans dat de rechtbank deze beschikking onbegrijpelijk en/of onvoldoende heeft gemotiveerd, in het licht van

(i) de motivering van de beslissing van de geneesheer-directeur dat de aard en ernst van de pedofiele stoornis van verzoeker duidt op een hoog risico op delictherhaling en een verplichtend juridisch kader de enige mogelijkheid is om op verantwoorde wijze met dat risico om te gaan,

(ii) de geneeskundige verklaring die de rechtbank bij de op 4 april 2005 verleende machtiging tot voortgezet verblijf in aanmerking had genomen en

(iii) haar vaststelling dat het gevaar onverminderd aanwezig is.

Volgens onderdeel 2.3 is de rechtbank ook uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 45 en 47 Wet Bopz door eerst te oordelen dat het gevaar kon worden afgewend door middel van het stellen van voorwaarden aan het verlof van verzoeker en vervolgens te oordelen dat de aan het ontslag te verbinden voorwaarden gelijk moesten zijn aan de voorwaarden die op dat moment aan het verlof van verzoeker werden gesteld. De rechtbank heeft althans haar oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd gelet op het onverminderd bestaande gevaar dat verzoeker in herhaling vervalt.

Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij falen.

3.6.2 Art. 47 lid 1 Wet Bopz bepaalt dat, indien de uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiende gevaarlijkheid van een met toepassing van hoofdstuk II in een psychiatrisch ziekenhuis verblijvende patiënt zo ver is verminderd dat het verlenen van ontslag uit het psychiatrisch ziekenhuis onder daaraan te verbinden voorwaarden verantwoord is, de geneesheer-directeur - al dan niet na een daartoe strekkend verzoek als bedoeld in art. 49 lid 1 Wet Bopz - de patiënt, voorzover dit in diens belang is, voorwaardelijk ontslag verleent. Aan een dergelijk ontslag kunnen voorwaarden worden verbonden betreffende de behandeling of het gedrag van de patiënt, voorzover dit gedrag het gevaar voortvloeiend uit de stoornis van de geestvermogens, beïnvloedt (art. 47 lid 2 in verbinding met art. 45 lid 3 Wet Bopz). Tot de voorwaarden kan de opdracht behoren dat de betrokkene zich stelt onder toezicht van een daarbij aangewezen instelling of natuurlijke persoon, die hem bij de naleving van de andere voorwaarden hulp en steun verleent (art. 47 lid 2 in verbinding met art. 45 lid 4 Wet Bopz).

3.6.3 De rechtbank heeft weliswaar overwogen dat het recidiverisico van personen met een geestelijke stoornis zoals bij verzoeker heel erg hoog ligt en dat derhalve onverminderd het gevaar bestaat dat verzoeker opnieuw seksuele delicten zal plegen met minderjarigen en dat vooralsnog een rechterlijke machtiging noodzakelijk blijft. Zij heeft echter ook geoordeeld dat uit het dossier en uit hetgeen overigens is besproken ter zitting blijkt dat dit gevaar kan worden afgewend door middel van het maken van afspraken, waaronder afspraken met het sociale vangnet van verzoeker, en vastgesteld dat verzoeker zijn afspraken nakomt en dat er zich de afgelopen twee jaar geen incidenten hebben voorgedaan, hetgeen ertoe heeft geleid dat de verloven van verzoeker steeds zijn uitgebreid. Daaraan heeft zij toegevoegd dat het recidiverisico in het onderhavige geval hanteerbaar is door het feit dat verzoeker de delicten alleen pleegt met minderjarigen die hij al enige tijd kent en waarmee hij een relatie heeft opgebouwd alsmede door genoemd controlesysteem.

Een en ander komt erop neer dat naar het oordeel van de rechtbank een reële mogelijkheid aanwezig is om door het stellen van dezelfde voorwaarden aan ontslag als die welke op dat moment reeds aan zijn verlof werden verbonden, te voorkomen dat het bij verzoeker bestaande, onverminderd hoge recidiverisico, zich daadwerkelijk verwezenlijkt. Deze voorwaarden zijn immers mede erop gericht te voorkomen dat verzoeker een relatie opbouwt met een minderjarige. Met haar overweging heeft de rechtbank tot uitdrukking gebracht dat de uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiende gevaarlijkheid van verzoeker als bedoeld in art. 47 lid 1 Wet Bopz zo ver was verminderd dat het verlenen van ontslag onder daaraan te verbinden voorwaarden verantwoord was. Dit oordeel, dat wegens zijn verwevenheid met waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst, geeft niet blijk van een onjuiste opvatting aangaande die maatstaf, is niet onbegrijpelijk en is ook overigens voldoende gemotiveerd.

3.7 Onderdeel 2.4 klaagt dat de rechtbank met de overweging dat het door haar bedoelde gevaar kan worden afgewend door middel van het stellen van voorwaarden aan het verlof van verzoeker en door middel van het maken van afspraken waaronder afspraken met het sociale vangnet van verzoeker, heeft miskend dat indien het gevaar buiten het psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend, niet is voldaan aan de vereisten voor een rechterlijke machtiging en alsdan op de voet van art. 48 lid 1, aanhef en onder a, Wet Bopz ontslag dient te worden verleend.

Dit onderdeel kan niet tot cassatie leiden. De rechtbank heeft geoordeeld dat vooralsnog een rechterlijke machtiging noodzakelijk blijft en dat de afwending van het gevaar kan worden bereikt door een ontslag onder voorwaarden. Dit houdt in dat de rechterlijke machtiging door de aan het ontslag gestelde voorwaarden en de mogelijkheid van intrekking van het ontslag die in art. 47 lid 3 Wet Bopz is gegeven, haar werking als indirect dwangmiddel blijft behouden. De rechtbank heeft dus niet geoordeeld dat sprake is van een situatie waarin, zonder een rechterlijke machtiging en de daaraan als indirect dwangmiddel verbonden vrijheidsbeneming door gedwongen opname op de achtergrond, het gevaar door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend, op welke situatie art. 48 Wet Bopz het oog heeft.

3.8 Onderdeel 2.5 klaagt dat de rechtbank eraan is voorbijgegaan dat de nakoming van de in het behandelingsplan van 8 september 2005 opgenomen voorwaarden zo goed als geheel afhankelijk is gesteld van het handelen van verzoeker zelf en de behandelaar c.q. de begeleiders slechts achteraf kunnen optreden indien blijkt dat verzoeker (één van) de voorwaarden niet is nagekomen. Omdat het toezicht niet voldoende is kan niet worden gezegd dat het verlenen van ontslag onder de daaraan te verbinden voorwaarden verantwoord is als bedoeld in art. 47 lid 1 Wet Bopz, aldus het onderdeel.

Het onderdeel faalt omdat het in wezen een hernieuwde beoordeling vraagt van de door de geneesheer-directeur in het behandelingsplan van 8 september 2005 opgenomen voorwaarden, welke beoordeling de taak van de cassatierechter te buiten gaat.

3.9 Onderdeel 2.8, dat is gericht tegen hetgeen de rechtbank in haar eindbeschikking heeft overwogen en beslist, mist zelfstandige betekenis en behoeft na het voorgaande daarom geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, J.C. van Oven, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 31 maart 2006.