Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU9239

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-04-2006
Datum publicatie
14-04-2006
Zaaknummer
R05/068HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU9239
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Naamrecht. Geschil tussen vader en moeder van een minderjarig kind over de wijziging van de bij geboorte verkregen geslachtsnaam van de moeder; toepassing van art. 1:5 lid 2 BW, strijd met art. 7 lid 1 IVRK en art. 8 en 14 EVRM?; mogelijkheid wijziging geslachtsnaam bij meerderjarigheid van het kind.

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de rechten van het kind 7, geldigheid: 2006-04-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 228
NJ 2006, 258
RFR 2006, 70
RvdW 2006, 391
FJR 2006, 95
JWB 2006/130

Uitspraak

14 april 2006

Eerste Kamer

Rek.nr. R05/068HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

Mr. Roderik Andries FELIX, handelend in zijn hoedanigheid van bijzonder curator over de minderjarige [het kind],

wonende te Rotterdam,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [De moeder],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

2. [De man],

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 10 juli 2003 ter griffie van de rechtbank te Rotterdam ingekomen verzoekschrift heeft [de moeder] - verder te noemen: de moeder - zich gewend tot die rechtbank en verzocht over te gaan tot de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van [de man] - verder te noemen: de man - van het op [geboortedatum] 2002 uit de moeder geboren kind, [het kind] - hierna: het kind - en te bepalen dat het kind de geslachtsnaam van de man zal dragen.

De rechtbank heeft bij beschikking van 1 augustus 2003 verzoeker tot cassatie benoemd tot bijzondere curator.

De man heeft de verzoeken van de moeder bestreden. De bijzondere curator heeft aanvankelijk schriftelijk het standpunt ingenomen dat de moeder en de man zich dienen uit te spreken over de geslachtsnaam. Ter terechtzitting van de rechtbank heeft de bijzondere curator de rechtbank mondeling verzocht, overeenkomstig het verzoek van de moeder, te bepalen dat het kind de geslachtsnaam van de man krijgt.

De rechtbank heeft bij beschikking van 30 juni 2004 vastgesteld dat de man de vader van het kind is en dat het kind de geslachtsnaam van de man zal hebben.

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De man heeft in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het kind zijn geslachtsnaam heeft gekregen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het kind de geslachtsnaam van de moeder behoudt.

De moeder en de bijzondere curator hebben het beroep van de man bestreden. De advocaat-generaal bij het hof heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en tot afwijzing van het inleidend verzoek, voor zover dit betrekking heeft op de bepaling van de geslachtsnaam.

Na mondelinge behandeling op 2 februari 2005 heeft het hof bij beschikking van 16 februari 2005 de bestreden beschikking vernietigd voor zover aan zijn oordeel onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van de moeder, inhoudende te bepalen dat het kind de geslachtsnaam van de man zal dragen, alsnog afgewezen. Het hof heeft voorts de bestreden beschikking voor het overige bekrachtigd.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de bijzondere curator beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de bijzondere curator heeft op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Op [geboortedatum] 2002 is uit de moeder een dochter geboren, aan wie de voornaam [het kind] is gegeven. De moeder was ongehuwd. [Het kind] kreeg van rechtswege de geslachtsnaam [achternaam] (art. 1:5 lid 1 BW). [Het kind] heeft uitsluitend de Nederlandse nationaliteit.

3.2 De rechtbank te Rotterdam heeft, op verzoek van de moeder, bij haar beschikking van 30 juni 2004, vastgesteld dat de man de vader is van [het kind] en dat [het kind] de geslachtsnaam van de man zal hebben. Het hof heeft, op het hoger beroep van de man en met vernietiging van de beschikking van de rechtbank in zoverre, het verzoek van de moeder, inhoudende te bepalen dat [het kind] de geslachtsnaam van de man zal dragen, alsnog afgewezen. Het baseerde die beslissing op art. 1:5 lid 2 BW. Het hof oordeelde dat niet mag worden voorbijgegaan aan het in die bepaling bedoelde vereiste van een gezamenlijke verklaring van de ouders en dat geen plaats is voor een belangenafweging zoals ten grondslag lag aan de beschikking van de rechtbank.

3.3 Het door de bijzondere curator voorgestelde middel bestrijdt dit oordeel en betoogt dat de door het hof strikt gehanteerde bepaling van art. 1:5 lid 2 BW in strijd is met art. 7 lid 1 IVRK en de artikelen 8 en 14 EVRM.

3.4 Het beroep op art. 7 lid 1 IVRK faalt, omdat het hof terecht heeft aangenomen dat dit artikel, daargelaten of het rechtstreekse werking heeft, niet meer verlangt dan dat een kind vanaf de geboorte het recht op een naam heeft.

3.5 Ook het beroep op de artikelen 8 en 14 EVRM faalt. Het middel bepleit een stelsel dat inhoudt dat bij gebreke van een gezamenlijke keuze van de ouders de rechter, met het belang van het kind als richtsnoer, zou moeten beslissen of het kind de geslachtsnaam van de vader of die van de moeder zal hebben. Een dergelijk stelsel is aanvankelijk door de regering voorgesteld in het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 10 april 1997, Stb. 161, maar is verlaten, nadat de vaste Commissie voor justitie in het Voorlopig Verslag bezwaren daartegen had aangevoerd. Die bezwaren hielden in dat er weinig redelijke argumenten vallen te bedenken op grond waarvan de rechter een dergelijk namenconflict op zakelijke wijze zou kunnen beslissen. De uiteindelijke keuze van de wetgever voor het stelsel van art. 1:5 lid 2 BW, dat meebrengt dat een gezamenlijke keuze van de ouders van een kind dat door erkenning of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in familierechtelijke betrekking tot zijn vader komt te staan, wordt gerespecteerd maar dat bij gebreke van zo'n gezamenlijke keuze het kind de geslachtsnaam houdt die het al bij zijn geboorte heeft gekregen, valt binnen de grenzen van de beoordelingsvrijheid die het EVRM de nationale wetgever op het onderhavige rechtsgebied laat. Wanneer ouders het niet met elkaar erover eens zijn of hun kind de geslachtsnaam van de ene dan wel van de andere ouder zal hebben, brengt noch art. 8 noch art. 14 EVRM mee dat de rechter de voor dat geval gemaakte, in art. 1:5 lid 2 BW neergelegde, keuze van de wetgever op basis van een belangenafweging opzij moet kunnen zetten en bepalen dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben.

3.6 Onderdeel 4 van het middel wijst nog erop, dat een man die een kind heeft erkend of wiens vaderschap gerechtelijk is vastgesteld, gezien art. 1:5 lid 7 BW, niet in alle gevallen kan voorkomen dat het kind zijn geslachtsnaam krijgt, en dat de wetgever de vader in deze dus geen vetorecht heeft willen geven. Dat brengt evenwel niet mee dat de rechter bevoegd is om in een geval als het onderhavige op grond van een belangenafweging te bepalen dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben. Opmerking verdient hierbij dat een kind dat, zoals [het kind], nog geen zestien jaar was ten tijde van het ontstaan van familierechtelijke betrekkingen met beide ouders, ingevolge art. 1:7 lid 1 BW in verbinding met art. 5 van het Besluit geslachtsnaamswijziging (Besluit van 6 oktober 1997, Stb. 463, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 29 oktober 2002, Stb. 531) gedurende drie jaren na het bereiken van zijn meerderjarigheid de Koning kan verzoeken zijn geslachtsnaam te wijzigen in die van zijn andere ouder.

3.7 Hierop stuiten alle klachten van het middel af.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, raadsheer in buitengewone dienst, O. de Savornin Lohman, E.J. Numann en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 14 april 2006.