Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU9234

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-06-2006
Datum publicatie
09-06-2006
Zaaknummer
C05/132HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU9234
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Geschil tussen een verhuurder en de curator van de gefailleerde huurder van bedrijfspanden over het al dan niet paulianeuze karakter van een samenstel van transacties tussen partijen en een derde voorafgaande aan het faillissement, over de verschuldigdheid van de curator van huurpenningen nadat de huur vóór de faillietverklaring door de verhuurder zelf is beëindigd en de huurder niet aanstonds heeft ontruimd, over de vraag of een faillissementscurator treedt in de verplichting van de huurder tot ontruiming van het gehuurde en over de mogelijkheid tot het geldend maken van een vordering van de huurder/curator wegens ongerechtvaardigde verrijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 362
NJ 2007, 21 met annotatie van P. van Schilfgaarde
RvdW 2006, 591
JWB 2006/194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 juni 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/132HR

JMH/RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. M. Ynzonides,

t e g e n

Mr. Antonie VAN HEES, voorheen Mr. Herbert Bernard Albert Verhagen, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] B.V.,

kantoorhoudende te Amsterdam,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 5 juli 2000 de voorganger van thans verweerder in cassatie - verder te noemen: de curator - gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad:

(A) de curator te veroordelen tot betaling c.q. afdracht aan [eiser] van de opbrengst van de verkoop van het wagenpark ten bedrage van ƒ 168.824,--, tot het bedrag waarop [eiser] uit hoofde van het aan hem verstrekte pandrecht aanspraak kan maken, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de dag waarop deze dagvaarding is betekend tot aan de dag der algehele voldoening, en

(B) te verklaren voor recht dat de curator ten onrechte de overeenkomst tussen [eiser], [A] en NMB-Heller van 19 november 1998 heeft vernietigd en dat de curator geen aanspraak kan maken op het bedrag dat zich bevindt op de rekening van NMB-Heller op grond van het aan [eiser] verstrekte overwaarde-arrangement (ten bedrage van ƒ 135.536,05 per 26 mei 2000).

De curator heeft de vorderingen bestreden en zijnerzijds in reconventie gevorderd:

1. [eiser] te veroordelen tot betaling aan de curator tegen bewijs van kwijting van een bedrag van ƒ 20.000,--;

2. [eiser] voorwaardelijk te veroordelen om aan de curator te betalen de som van ƒ 89.254,65 wegens ongerechtvaardigde verrijking, en

3. te verklaren voor recht dat [eiser] geen rechten kan ontlenen aan de overeenkomst van 19 november 1998 ter zake van het overwaarde-arrangement.

[Eiser] heeft de vorderingen in reconventie bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 13 november 2002:

in conventie: de curator veroordeeld aan [eiser] te betalen een bedrag van € 14.510,76, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2000 tot aan de voldoening en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd;

in reconventie: [eiser] veroordeeld aan de curator te betalen een bedrag van € 9.075,60 en voor recht verklaard dat [eiser] geen rechten kan ontlenen aan de overeenkomst van 19 november 1998 ter zake van het overwaarde-arrangement met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij memorie van grieven heeft [eiser] zijn eis gewijzigd en gevorderd voormeld vonnis te vernietigen met uitzondering van de veroordeling van de curator tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 14.510,76 met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2000 tot aan de voldoening en, opnieuw rechtdoende in hoger beroep bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. de curator te veroordelen tot betaling van € 4.934,21 uit de opbrengst van de door de curator verkochte bedrijfswagens, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2000 tot aan de dag der algehele voldoening, met dien verstande dat de curator gekweten is zodra de schade van € 4.834,21 op een andere wijze zal zijn vergoed, alsmede de curator te veroordelen tot betaling van € 4.834,21 uit de boedel, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2000 tot aan de dag der algehele voldoening, althans voor recht te verklaren dat [eiser] een vordering van € 4.834,21 heeft op de boedel, met dien verstande dat de curator gekweten is zodra de schade van € 4.834,21 op een andere wijze zal zijn vergoed;

2. de curator te veroordelen tot betaling uit de opbrengst van de door de curator verkochte bedrijfswagens van € 30.786,58, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2000 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. primair:

- voor recht te verklaren dat de curator ten onrechte het overwaarde-arrangement van 19 november 1998 heeft vernietigd en dat de curator geen aanspraak kan maken op de overwaarde van de door NMB uitgewonnen debiteuren ten bedrage van € 61.530,30;

- de curator te gebieden te gehengen en gedogen dat NMB de overwaarde van de door haar uitgewonnen debiteuren ten bedrage van €61.530,30 aan [eiser] zal uitbetalen;

- de curator te veroordelen tot betaling uit de opbrengst van de door de curator verkochte bedrijfswagens van € 6.563,42, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2000 tot aan de dag der algehele voldoening;

subsidiair:

- de curator te veroordelen tot betaling uit de opbrengst van de door de curator verkochte bedrijfswagens van € 68.066,72, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2000 tot aan de dag der algehele voldoening;

4. de curator te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.

Bij arrest van 30 december 2004 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en [eiser] in de kosten van het hoger beroep veroordeeld.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen curator is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 5 januari 2006 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] heeft per 1 juni 1998 aan [A] B.V. (verder te noemen: [A]) twee bedrijfshallen met bijbehorend terrein (hierna: de bedrijfspanden) verhuurd voor de huursom van ƒ 17.000,- per maand. Van de huurovereenkomst maken ingevolge art. 2.1 "algemene bepalingen huurovereenkomst bedrijfsruimte" onderdeel uit. Deze bepalingen houden onder meer de volgende bedingen in:

"5.1 Huurder is verplicht bij het einde van de huurovereenkomst, alsmede bij het beëindigen van het gebruik, het gehuurde ten genoegen van verhuurder in de oorspronkelijke staat (...) op te leveren (...). Voor niet verwijderde zaken is verhuurder geen enkele vergoeding verschuldigd.

5.3 Alle goederen waarvan huurder kennelijk afstand heeft gedaan door deze in het gehuurde achter te laten bij het daadwerkelijk verlaten van het gehuurde, kunnen door verhuurder, naar verhuurders inzicht, zonder enige aansprakelijkheid zijnerzijds, op kosten van de huurder worden verwijderd."

(ii) Tussen de rechtsvoorganger van [A], La Ruske Trust B.V., als pandgeefster, en [eiser] als pandhouder, is bij akte van 1 juli 1998 een pandovereenkomst gesloten. Pandgeefster verklaart in pand te geven: haar huidige en toekomstige voorraad, haar huidige en toekomstige bedrijfsuitrusting en haar handelsnaam, [A], tot zekerheid van al hetgeen pandgeefster uit enigerlei rechtsverhouding te eniger tijd verschuldigd zal zijn aan de pandhouder, uit welken hoofde dan ook.

(iii) [betrokkene 1], die op 4 juni 1998 384 van de 400 aandelen in het geplaatst kapitaal van La Ruske Trust B.V had verkregen (een derde hield de overige zestien aandelen), heeft in juni en juli 1998 een bedrag van in totaal ƒ 150.000,-- in depot gestort bij NMB-Heller N.V. en dit depot tevens aan die vennootschap verpand tot zekerheid voor al hetgeen NMB-Heller op [A] te vorderen had of zou krijgen.

(iv) Medio november 1998 heeft [betrokkene 1] het bedrag van ƒ 150.000,-- dat bij NMB-Heller in depot stond en aan haar was verpand, over laten boeken ten gunste van de debetpositie van [A] bij NMB-Heller.

(v) Bij akte van 19 november 1998 heeft [betrokkene 1] zijn - uit de hiervoor in (iv) vermelde overboeking voortvloeiende - vordering op [A] van ƒ 150.000,--, voor een bedrag van ƒ 3.000,-- aan [eiser] gecedeerd.

(vi) Eveneens op 19 november 1998 is tussen NMB-Heller, [eiser] en [A] een overwaarde-arrangement gesloten (hierna: het overwaarde-arrangement). Naar de Hoge Raad begrijpt, en voorzover in cassatie van belang, hield dit arrangement in, kort gezegd, dat Heller zich verbond de schulden van [A] aan [eiser] tot een beloop van ƒ 150.000,-- te voldoen tot ten hoogste het bedrag van het executieoverschot dat NMB-Heller na inning van de aan haar verpande handelsvorderingen van [A] onder zich zou krijgen, terwijl Heller voor het op die voet aan [eiser] te betalen bedrag een regresvordering op [A] zou krijgen, tot zekerheid waarvan [A] bij voorbaat haar vordering op NMB-Heller tot uitkering van het executieoverschot verpandde aan NMB-Heller.

(vii) [Eiser] heeft op verzoek van en in overleg met [A] aan de verhuurde bedrijfspanden werkzaamheden laten uitvoeren; daarvoor heeft [A] op 10 april 1999 ƒ 20.000,-- aan [eiser] betaald.

(viii) Op 27 april 1999 is door de rechtbank Amsterdam het faillissement van [A] uitgesproken. Bij brief van 26 april 1999 heeft [eiser] de huurovereenkomst met [A] ten aanzien van de bedrijfspanden met onmiddellijke ingang beëindigd. [A] heeft vanaf 1 april 1999 geen huur betaald aan [eiser]; zij heeft de bedrijfspanden tot 14 mei 1999 in gebruik gehad.

(ix) In mei en augustus 1999 heeft de curator het wagenpark van [A] verkocht. De opbrengst beliep ƒ 218.000,--, waarvan ƒ 168.824,-- resteerde na aftrek van de door pand verzekerde vorderingen van de bank, de vordering van de garagehouder voor zover deze een retentierecht kon uitoefenen op de verkochte wagens, en een vergoeding voor de curator.

(x) Bij brieven van 12 mei 2000 heeft de curator zowel tegenover [eiser] als tegenover NMB-Heller de nietigheid ingeroepen van het overwaarde-arrangement, zulks op grond van het bepaalde in art. 42 F.

(xi) Onder NMB-Heller bevindt zich een bedrag van ƒ 135.536,05 dat is overgeschoten na inning van de handelsvorderingen van [A] en verhaal daarop van de vordering van NMB-Heller op [A].

3.2.1 In dit geding gaat het, voor zover in cassatie nog van belang, om de volgende vorderingen van [eiser]:

A. Een verklaring voor recht dat de curator ten onrechte het overwaarde-arrangement heeft vernietigd en dat de curator geen aanspraak heeft op het hiervoor in 3.1 onder (xi) bedoelde bedrag. [Eiser] wil hiermee bereiken dat hij daarop de hiervoor in 3.1 onder (v) bedoelde, aan hem gecedeerde, vordering op [A] zoveel mogelijk kan verhalen.

B. Een boedelvordering betreffende onbetaalde huurpenningen wegens voortgezet gebruik door de curator van de bedrijfspanden na opzegging van de huur daarvan, over de periode van 28 april tot 14 mei 1999. Deze vordering beloopt een bedrag van ƒ 10.653,25. In hoger beroep heeft [eiser] de grondslag van deze vordering gewijzigd; hij beriep zich toen primair op een toerekenbare tekortkoming van de curator in zijn verplichting het gehuurde bij het einde van de huur weer ter beschikking van de verhuurder te stellen, en subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking.

C. Een restvordering vanwege de door [eiser] op verzoek van en in overleg met [A] uitgevoerde werkzaamheden aan de door [A] van hem gehuurde bedrijfspanden ter grootte van ƒ 69.255,--.

Wat betreft de onder B en C genoemde vorderingen heeft [eiser] aangevoerd dat hij daarvoor uit hoofde van zijn hiervoor in 3.1 onder (ii) bedoelde pandrecht voorrang heeft op de door de curator gerealiseerde opbrengst van de verpande goederen en dat die vorderingen bovendien onder het overwaarde-arrangement vallen.

3.2.2 De curator heeft de volgende verweren tegen de vorderingen gevoerd:

Ad A. Het overwaarde-arrangement is door [A] onverplicht aangegaan. Voorts werden door de hiervoor in 3.1 onder (v) vermelde cessie haar schuldeisers benadeeld omdat [eiser] tegen betaling van een bedrag van ƒ 3.000,-- zekerheden in handen kreeg ten belope van ƒ 150.000,-- terwijl hij, zonder die transactie, in zoverre concurrent schuldeiser in het faillissement van [A] zou zijn geweest. [Eiser] en [A] behoorden te weten dat benadeling van de schuldeisers van [A] het gevolg van deze transactie zou zijn omdat zij wisten dat [A] toentertijd in een financieel penibele positie verkeerde.

Ad B. Voor de onderhavige vordering is geen rechtsgrond aanwezig, nu de huurovereenkomst door [eiser] zelf was beëindigd; de curator heeft op redelijke gronden en mede gelet op de door [eiser] zelf ingenomen houding, het gebruik van de bedrijfspanden nog enige tijd na de opzegging voortgezet.

Ad C. Primair deed de curator ook in zoverre een beroep op art. 42 F. Subsidiair beriep hij zich op een tegenvordering van de boedel op [eiser] wegens ongerechtvaardigde verrijking indien de vordering van [eiser] zou worden toegewezen, aangezien [eiser] als eigenaar van de bedrijfspanden van deze werkzaamheden heeft geprofiteerd.

Wat betreft de onder B en C genoemde vorderingen heeft de curator voorts bestreden dat zij, indien op zichzelf al toewijsbaar, worden gedekt door de door [eiser] bedongen pandrechten.

3.2.3 De rechtbank heeft de curator op alle drie deze punten in het gelijk gesteld, wat de onder C. bedoelde vordering betreft: op de grondslag van het subsidiaire verweer van de curator. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd. Het overwoog daartoe, kort gezegd, als volgt:

Ad A. Het overwaarde-arrangement moet als een onverplichte rechtshandeling worden aangemerkt. Door de cessie tussen [betrokkene 1] en [eiser], kreeg [eiser] een vordering op [A] in handen waarvan de betaling door zekerheid op basis van het onverplicht gesloten overwaarde-arrangement was veiliggesteld. Uit de considerans van de cessie-akte én uit de aard en inhoud van het samenstel van de transacties van 19 november 1998, volgt dat benadeling van crediteuren van [A] het gevolg daarvan zou zijn (rov. 4.3).

Ad B. De gebleken feiten rechtvaardigen niet de slotsom dat de curator ten opzichte van [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten, in aanmerking genomen hetgeen de curator (onbestreden) heeft gesteld over een mogelijke "doorstart" van [A], het feit dat [eiser] na de opzegging van de huur aan [A] aan de curator een redelijke termijn moest gunnen om het gehuurde te ontruimen en de omstandigheid dat gesteld noch gebleken is dat [eiser] de curator tot ontruiming heeft gesommeerd. Het enkele feit dat [A] onder de voormelde omstandigheden de bedrijfspanden nog tot 14 mei 1999 is blijven gebruiken, brengt niet mee dat de boedel daardoor ten koste van [eiser] ongerechtvaardigd is verrijkt en levert ook anderszins - met inachtneming van de eisen van redelijkheid en billijkheid - geen grond op voor een vordering van [eiser] op de boedel (rov. 4.7).

Ad C. In het midden kan blijven of de curator terecht de nietigheid op grond van art. 42 F. ten aanzien van de overeenkomst tot uitvoering van (herstel) werkzaamheden aan de bedrijfspanden heeft ingeroepen. Het subsidiaire verweer en de daarmee samenhangende tegenvordering van de curator is immers gegrond. [Eiser] heeft zich in verband daarmee allereerst beroepen op de (hiervoor in 3.1 onder (i) aangehaalde) artikelen 5.1 en 5.3 van de "algemene bepalingen huurovereenkomst bedrijfsruimte". Hierdoor wordt een verrijkingsvordering van [A] op [eiser] evenwel niet uitgesloten, in het bijzonder waar de verrichte aanpassingen berusten op afspraken tussen verhuurder en huurder. In dit verband is van belang dat de desbetreffende werkzaamheden door [eiser] in nauw overleg met [A] zijn aanbesteed. De curator heeft gemotiveerd betoogd dat [eiser], als eigenaar van de bedrijfspanden, van deze werkzaamheden heeft geprofiteerd. Het had op de weg van [eiser] gelegen tegenover dit verweer gespecificeerd toe te lichten waarom geen profijt wordt getrokken van de aangebrachte aanpassingen. Dit in aanmerking nemende moet het door de curator gestelde als onvoldoende bestreden worden beschouwd (rov. 4.10).

3.3 Onderdeel 1.2, dat de Hoge Raad als eerste zal behandelen, is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 4.1(g) dat de hiervoor in 3.1 onder (iv) bedoelde overboeking 'medio november 1998' heeft plaatsgevonden. Terecht voert het onderdeel aan dat dit oordeel onbegrijpelijk is gemotiveerd, omdat [eiser] heeft gesteld dat de bewuste overboeking op 19 november 1998 heeft plaatsgevonden, en de curator deze stelling heeft onderschreven. Bij de behandeling van de overige onderdelen zal dan ook van laatstgenoemde datum worden uitgegaan.

3.4.1 Onderdeel 1.1 is gericht tegen de beslissing van het hof over vordering A. Het bevat twee klachten, waarvan de eerste het oordeel van het hof (rov. 3.6, eerste alinea) dat het overwaarde-arrangement onverplicht is aangegaan, als onvoldoende gemotiveerd bestrijdt. Die klacht houdt in dat het hof is voorbijgegaan aan de stelling van [eiser] dat [betrokkene 1] [A], tegenover de overboeking ten gunste van de debetpositie van [A] bij NMB-Heller, heeft verplicht tot het stellen van zekerheid in de vorm van het overwaarde-arrangement terwijl als gevolg van de cessie door [betrokkene 1] van diens vordering op [A] aan [eiser], het recht op dit overwaarde-arrangement bij [eiser] kwam te berusten.

De klacht mist feitelijke grondslag en kan daarom niet tot cassatie leiden. Het hof is niet voorbijgegaan aan de omstandigheid dat [A] zich ten behoeve van [eiser] heeft verbonden om zekerheid te stellen, maar is juist daarvan uitgegaan. Het oordeelde evenwel dat [A] niet gehouden was zich te verbinden om zekerheid te stellen. Het hof heeft derhalve het beroep van de curator op art. 42 F. aldus opgevat dat dit mede omvatte het bij gelegenheid van de cessie gemaakte beding waarbij [A] zich verbond ten behoeve van [eiser] zekerheid te stellen, en geoordeeld dat [A] niet verplicht was zich aldus te verbinden.

3.4.2 De tweede klacht van onderdeel 1.1 is gericht tegen het in rov. 4.3 neergelegde oordeel van het hof dat [A] door het overwaarde-arrangement benadeeld is. De klacht houdt in dat het hof zonder motivering is voorbijgegaan aan het betoog waarmee [eiser] zijn stelling heeft geadstrueerd dat geen benadeling heeft plaatsgevonden. Dat betoog komt, naar de kern genomen, erop neer dat zonder het samenstel van transacties van 19 november 1998 (overboeking, cessie en overwaarde-arrangement) na afwikkeling van de positie van NMB-Heller evenmin een overschot voor de boedel zou zijn geresteerd, omdat dan de preferente, op de verpande handels-vorderingen van [A] te verhalen, vordering van NMB-Heller ƒ 150.000 hoger zou zijn geweest.

De klacht is gegrond omdat het hof op dit betoog had moeten ingaan.

3.4.3 Opmerking verdient nog dat ter beantwoording van de vraag of een samenhang als in rov. 3.4.2 aan de orde is, inderdaad bestaat, de bedoeling van alle betrokken partijen beslissend is, die mede kan blijken uit de inhoud van de desbetreffende rechtshandelingen, de onderlinge afstemming daarvan, mede blijkens de formulering van de daarvan eventueel opgemaakte akten, en de samenhang tussen die rechtshandelingen wat betreft het moment waarop zij tot stand zijn gekomen.

3.5.1 Onderdeel 2 van het middel is gericht tegen de beslissing van het hof over vordering B. Het voert aan dat het hof in het licht van art. 5.1 van de bij de huurovereenkomst behorende algemene voorwaarden, en mede in aanmerking genomen dat [eiser] de huurovereenkomst op 26 april 1999 met onmiddellijke ingang heeft beëindigd en dat de curator de bedrijfspanden niettemin tot 14 mei 1999 heeft gebruikt, heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De huurder was immers zonder ingebrekestelling in verzuim met de nakoming van zijn verplichting het bedrijfspand vrij van gebruik aan de verhuurder op te leveren. Voor het geval het hof heeft gemeend dat in dit geval bij uitzondering geen sprake was van een toerekenbare tekortkoming, getuigt ook dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het onbegrijpelijk gemotiveerd, aldus nog steeds het onderdeel.

3.5.2 Hieromtrent geldt het volgende. Ervan uitgaande dat de huur van de bedrijfspanden nog voor de faillietverklaring van [A] door [eiser] zelf is beëindigd, is de curator geen huurpenningen verschuldigd geworden die op grond van art. 39 lid 1 F. een boedelschuld zouden kunnen opleveren. De verplichting van [A] als voormalig huurder om de bedrijfspanden te ontruimen was, anders dan het onderdeel klaarblijkelijk tot uitgangspunt neemt, geen verplichting van de curator, omdat een faillissementscurator niet buiten de in de wet aangewezen gevallen in de verplichtingen van de gefailleerde treedt. [Eiser] kon derhalve jegens de curator geen beroep doen op bepalingen van de al voor de faillietverklaring van [A] geëindigde, door hem zelf opgezegde, huurovereenkomst. Hij kon wél als eigenaar van de bedrijfspanden van de curator verlangen dat deze de tot de boedel behorende zaken daaruit zou verwijderen. De door het onderdeel naar voren gebrachte rechtsopvatting dat het verzuim van de huurder die nalaat het gehuurde bij het einde van de huurovereenkomst vrij van gebruik op te leveren, van rechtswege en zonder ingebrekestelling intreedt, brengt dus, wat daarvan op zichzelf zij, niet mee dat de curator van rechtswege in verzuim was met de verwijdering van de tot de boedel behorende zaken uit de bedrijfspanden. Het onderdeel stuit hierop af.

3.6 Onderdeel 3 van het middel is gericht tegen de beslissing van het hof over vordering C. Het onderdeel bevat onder meer een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof dat het in de algemene voorwaarden van de tussen [eiser] en [A] gesloten huurovereenkomst voorkomende beding dat de verhuurder bij het einde van de huurovereenkomst geen enkele vergoeding verschuldigd is voor niet verwijderde zaken, een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking niet uitsluit. Die klacht slaagt. De door het hof in dit verband vermelde redengevende omstandigheden dat de desbetreffende werkzaamheden berusten op tussen de verhuurder en de huurder gemaakte afspraken en dat die werkzaamheden door [eiser] in nauw overleg met [A] zijn aanbesteed, maken zonder nadere redengeving, die ontbreekt, niet duidelijk waarom [A], respectievelijk haar faillissementscurator, in weerwil van bedoeld beding een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking geldend zou kunnen maken. De overige klachten van het onderdeel behoeven geen behandeling meer.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 30 december 2004;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.206,78 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 9 juni 2006.