Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU8327

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-04-2006
Datum publicatie
07-04-2006
Zaaknummer
C05/051HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU8327
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident; cassatieberoep door een appellant tegen het arrest waarin het hof hem ontvankelijk oordeelde in zijn tussentijds appel tegen een tussenvonnis waarin de rechtbank diens exceptie van onbevoegdheid vanwege arbitrale bedingen in toepasselijke algemene voorwaarden had verworpen; géén belang bij gegronde rechtsklacht (vgl. HR 17 maart 2006, nr. C05/031, RvdW 2006, 289) nu deze appellant t.a.v. de in appel uitdrukkelijk bepleite ontvankelijkheid in het gelijk is gesteld; proceskostenveroordeling, onbegrijpelijk oordeel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 337, geldigheid: 2006-04-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 595
JWB 2006/120

Uitspraak

7 april 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/051HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

KINTETSU WORLD EXPRESS (BENELUX) B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

de vennootschappen naar vreemd recht

1. QUANTUM CORPORATION,

gevestigd Milpitas, Californië, Verenigde Staten van Amerika,

2. QUANTUM PERIPHERAL PRODUCTS (IRELAND) Ltd,

gevestigd te Dundalk, County Louth, Ierland,

3. QUANTUM PERIPHERALS (EUROPE) S.A.,

gevestigd te Marin Neuchatel, Zwitserland,

4. AMERICAN HOME ASSURANCE COMPANY,

gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,

5. A.I. MARINE AJUSTERS INC.,

gevestigd te San Francisco, Californië, Verenigde Staten van Amerika,

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. M.V. Polak.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweersters in cassatie - verder te noemen: Quantum c.s. - hebben bij exploot van 26 november 1999 (onder andere) eiseres tot cassatie - verder te noemen: Kintetsu - gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en - kort gezegd - gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Kintetsu te veroordelen om aan Quantum c.s. te betalen een bedrag van US$ 1.435.524,70, althans de tegenwaarde daarvan in Nederlands courant, met rente en kosten.

Kintetsu heeft voor alle verweren de bevoegdheid van de rechtbank bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 2 oktober 2002 in het incident de door Kintetsu opgeworpen exceptie van onbevoegdheid verworpen en de hoofdzaak naar de rol verwezen voor voortprocederen.

Tegen het vonnis heeft Kintetsu hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Quantum c.s. hebben met een beroep op art. 337 lid 2 Rv. primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Kintetsu in haar hoger beroep.

Bij arrest van 11 november 2004 heeft het hof Kintetsu ontvankelijk geoordeeld in haar hoger beroep, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, de zaak naar de rechtbank verwezen om op de hoofdzaak te worden beslist, Kintetsu in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van Quantum c.s. veroordeeld, en verklaard dat beroep in cassatie van deze uitspraak zal kunnen worden ingesteld voordat einduitspraak is gewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Kintetsu beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Quantum c.s. hebben ten aanzien van de onderdelen 1 en 2 van het middel geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Kintetsu in haar cassatieberoep dan wel tot verwerping van het beroep, en zich ten aanzien van onderdeel 3 van het middel geconcludeerd tot referte.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. Namens Kintetsu is gerepliceerd door haar advocaat en mr. B.T.M. van der Wiel, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof te Amsterdam, doch uitsluitend voor zover daarbij Kintetsu tot het bedrag van € 11.694,-- is verwezen in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van Quantum c.s., alsmede tot verwijzing van de zaak naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing op de vordering van Quantum c.s. tot veroordeling van Kintetsu in de kosten van het hoger beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In eerste aanleg heeft Kintetsu bij incidentele conclusie gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd zou verklaren om van de hiervoor in 1 vermelde vordering van Quantum c.s. kennis te nemen. Kintetsu heeft daartoe gesteld dat op de contractuele verhouding tussen partijen de Fenex-condities en de Nederlandse Opslagvoorwaarden van toepassing zijn, en bijgevolg op het geschil dat partijen verdeeld houdt, de arbitrageclausules in beide voorwaarden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 2 oktober 2002 deze incidentele vordering afgewezen en de hoofdzaak naar de rol verwezen.

Kintetsu heeft van dat tussenvonnis tussentijds hoger beroep ingesteld. Quantum c.s. hebben in hoger beroep betoogd dat Kintetsu daarin niet-ontvankelijk behoorde te worden verklaard omdat, kort gezegd, geen tussentijds beroep kan worden ingesteld tegen een tussenvonnis. Kintetsu heeft dit betoog bestreden met onder meer het argument dat het niet toelaten van hoger beroep leidt tot onwenselijke en proces-economisch niet te verdedigen situaties.

Het hof heeft Kintetsu ontvankelijk geoordeeld in haar hoger beroep. Het heeft daartoe, zakelijk samengevat, geoordeeld:

- dat het hoger beroep weliswaar is ingesteld tegen een tussenvonnis waartegen ingevolge art. 337 lid 2 Rv. geen tussentijds hoger beroep kon worden ingesteld en de rechtbank dienaangaande ook niet anders had bepaald;

- dat die bepaling echter, volgens de wetsgeschiedenis, de vereiste flexibiliteit biedt om, waar zulks door de bijzondere omstandigheden van het concrete geval doelmatiger is, af te wijken van de hoofdregel;

- dat, mede gelet op deze wetsgeschiedenis, er aanleiding bestaat van de hoofdregel af te wijken, aangezien de doelmatigheid gebiedt de vraag of een ander dan de overheidsrechter bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen, in dit hoger beroep te behandelen omdat anders partijen hun geschil eerst zouden moeten laten beoordelen door de gewone rechter en pas na diens eindvonnis de beslissing waarbij hij zijn bevoegdheid had aangenomen in hoger beroep zouden kunnen bestrijden, wat om proceseconomische redenen ongewenst is.

3.2.1 Onderdeel 1 van het middel klaagt in de kern dat deze beslissing onjuist is en dat het hof (ambtshalve) Kintetsu niet-ontvankelijk had dienen te verklaren in haar tussentijds hoger beroep. In onderdeel 2, dat daarnaast geen (zelfstandige) klachten bevat, wordt uiteengezet waarom Kintetsu belang meent te hebben bij deze klacht ofschoon zij zelf haar ontvankelijkheid in het tussentijds appel bij het hof had bepleit.

3.2.2 Ofschoon onderdeel 1 gegrond is, naar blijkt uit hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in HR 17 maart 2006, nr. C05/031, LJN: AU8325, RvdW 2006, 289, kan het niet tot cassatie leiden. Kintetsu heeft namelijk, anders dan zij in onderdeel 2 betoogt, geen belang bij haar klacht, nu het hof haar ten aanzien van de door haarzelf in hoger beroep uitdrukkelijk bepleite ontvankelijkheid in het gelijk heeft gesteld.

De omstandigheid dat 's hofs beslissing onjuist is en de ontvankelijkheid in appel betreft, welke het hof zonodig ambtshalve had te beoordelen, levert, op zichzelf genomen, voor een procespartij een zodanig belang niet op.

Anders dan in onderdeel 2 wordt betoogd, is evenmin voor Kintetsu een rechtens te respecteren belang gelegen in de mogelijkheid haar exceptie van onbevoegdheid in een hoger beroep, ingesteld tegelijk met dat van het eindvonnis, nader te beargumenteren en te documenteren. Niet alleen heeft zij daartoe reeds in hoger beroep de gelegenheid gehad, maar ook heeft zij in cassatie nagelaten om door middel van het formuleren van klachten aan te geven welke bezwaren zij heeft tegen 's hofs beslissing met betrekking tot het bevoegdheidsgeschil.

3.3 Onderdeel 3 keert zich tegen de kostenveroordeling van Kintetsu in het dictum van het bestreden arrest. Terecht gaat het onderdeel ervan uit dat het hof klaarblijkelijk het belang van de zaak als maatstaf heeft gehanteerd voor de begroting van de verschotten en het salaris procureur. Eveneens terecht klaagt het onderdeel dat dit onbegrijpelijk is nu in hoger beroep slechts het geschil omtrent de bevoegdheid van de gewone rechter aan de orde was.

3.4 Het voorgaande brengt mee dat het bestreden arrest, wat betreft de kostenveroordeling in appel, niet in stand kan blijven en verwijzing zal dienen te volgen. Nu Quantum c.s. de beslissing van het hof aangaande de proceskosten niet hebben uitgelokt of verdedigd, zullen de kosten van het geding in cassatie worden gereserveerd.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 november 2004, doch uitsluitend voor zover het de daarin opgenomen kostenveroordeling betreft;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar dat hof;

reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;

begroot deze kosten tot op de uitspraak in cassatie aan de zijde van Kintetsu op € 457,78 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, en aan de zijde van Quantum c.s. op € 362,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren O. de Savornin Lohman, als voorzitter, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 7 april 2006.