Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU8317

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-03-2006
Datum publicatie
17-03-2006
Zaaknummer
C04/342HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU8317
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geschil tussen een gemeente en marktkooplieden van in erfpacht uitgegeven standplaatsen over de uitleg van erfpachtvoorwaarden; ontoelaatbare verrassingsbeslissing? (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 162
RvdW 2006, 291
JWB 2006/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 maart 2006

Eerste Kamer

Nr. C04/342HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

DE GEMEENTE AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.M. Schutte.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - hebben bij exploot van 20 maart 1997 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - gedagvaard voor de rechtbank te Amsterdam en na aanvulling van eis bij conclusie van repliek gevorderd voor recht te verklaren:

Primair:

A dat [eiser] c.s. niet handelen in strijd met (de uitleg van) artikel 4 van de ten processe bedoelde erfpachtakte;

B dat artikel 4 van de erfpachtakte aldus moet worden uitgelegd dat het hen vrijstaat om 85% van het vloeroppervlak van hun stands aan Het Singel aan te wenden voor de handel in producten welke ook worden verkocht in tuincentra c.q. in tuincentrum "Het Oosten" te Aalsmeer en 15% van het vloeroppervlak van hun stands mogen aanwenden voor handel in producten die daar niet worden verkocht;

Subsidiair:

C voor zover hetgeen onder A en B wordt geëist niet kan worden toegewezen en verondersteld dat de Gemeente vasthoudt aan haar verkeerde uitleg van artikel 4 van de erfpachtakte, dat artikel geacht moet worden te zijn vernietigd bij brieven van 13 en 17 januari 1997 aan de Gemeente, althans alsnog bij vonnis de vernietiging van artikel 4 van de erfpachtsakte uit te spreken, althans bij vonnis te bepalen dat artikel 4 van de erfpachtakte buiten toepassing dient te blijven;

Meer subsidiair:

D indien artikel 4 van de erfpachtakte niet geacht kan worden te zijn vernietigd en zulks ook niet bij vonnis kan worden uitgesproken en hetgeen onder A en B wordt geëist niet kan worden toegewezen, dat de Gemeente hen, door expliciet te stellen dat de handel die zij ten tijde van het verlijden van de erfpachtakte voerden ongestoord in de toekomst zou kunnen worden voortgezet, heeft toegezegd hun handel in de toekomst te zullen gedogen zodat het de Gemeente niet vrijstaat jegens hen een beroep te doen op artikel 4 van de erfpachtakte noch op de boetebepalingen zoals opgenomen in de Algemene Bepalingen Erfpacht in Amsterdam 1994.

E de Gemeente te veroordelen in de kosten van dit geding.

De Gemeente heeft de vorderingen bestreden.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 22 september 1999 [eiser] c.s. tot bewijslevering toegelaten. Na op 11 januari 2002 en 15 februari 2000 gehouden getuigenverhoren heeft de rechtbank bij eindvonnis van 31 januari 2001 voor recht verklaard dat de Gemeente jegens [eiser] c.s. heeft toegezegd dat de per 1 januari 1994 bestaande situatie als uitgangspunt werd genomen en dat hun handel zoals die toen was ook in de toekomst zou worden gedoogd, zodat het de Gemeente, zolang [eiser] c.s. overeenkomstig de per 1 januari 1994 bestaande situatie handelen, niet vrijstaat jegens hen een beroep te doen op de bijzondere bepaling 4 van de erfpachtakte, noch op de boetebepalingen zoals opgenomen in de Algemene Bepalingen voor voortdurende erfpacht 1994, de Gemeente in de kosten van het geding veroordeeld, deze betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen beide vonnissen heeft de Gemeente hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. [Eiser] c.s. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 7 augustus 2003 heeft het hof in het principaal appel het bestreden eindvonnis vernietigd, en, opnieuw rechtdoende, de inleidende vorderingen van [eiser] c.s. alsnog afgewezen, en hen veroordeeld in de kosten van beide instanties; in het incidenteel appel heeft het hof het beroep verworpen en [eiser] c.s. in de kosten van beide instanties veroordeeld.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 2 december 2005 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 17 maart 2006.