Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU8286

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
17-10-2006
Zaaknummer
01599/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU8286
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. In de bewezenverklaring onder 1 t/m 4 heeft het hof geoordeeld dat verdachte als pleger moet worden aangemerkt van het namens de in de bewezenverklaring genoemde vennootschappen onjuist en onvolledig doen van de aangiften omzetbelasting. Vzv. in dat oordeel moet worden geacht besloten te liggen dat verdachte naast de vennootschappen tot het doen van die aangiften gehouden was, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien - naar voortvloeit uit art. 68 (oud).1a en 2 jo. art. 8.1 AWR - de wettelijke aangifteplicht op de vennootschap rust waaraan het aangiftebiljet is uitgereikt en niet ook op degene die namens de vennootschap de aangifte feitelijk heeft gedaan. Vzv. het hof evenwel heeft bedoeld te oordelen dat de aangifteplicht i.c. wel op verdachte rust omdat deze met de vennootschappen moet worden vereenzelvigd, is – gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen – dat oordeel, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk. 2. De tenlasteleggingen op grond waarvan de bewezenverklaringen onder 5 t/m 7 zijn uitgesproken kunnen gelet op hun bewoordingen en tegen de achtergrond van art. 171 (oud) Wet inzake de douane - die zich tot een ieder richt - bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat aan verdachte wordt verweten dat hij de feiten heeft doen plegen. Dat brengt niet alleen mee dat de door het hof aan die feiten gegeven kwalificatie onjuist is, maar ook dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd nu het hof omtrent de straffeloosheid van de desbetreffende douane-expediteurs niets heeft vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 47
Algemene wet inzake rijksbelastingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 8
Algemene wet inzake rijksbelastingen 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 636
NJ 2006, 575
RvdW 2006, 986
V-N 2006/59.10 met annotatie van Redactie
FutD 2006-1922
NBSTRAF 2006/409
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 oktober 2006

Strafkamer

nr. 01599/05

AGJ/MR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 20 oktober 2004, nummer 21/005345-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 4 september 2003 - de verdachte ter zake van 1. primair, 2. primair, 3. primair en 4. primair "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven" en 5. primair, 6. primair en 7. primair "in een krachtens wettelijke bepaling vereiste goederenaangifte een onjuiste of onvolledige aangifte (de Hoge Raad leest: opgave) doen met het oogmerk de belasting van de goederen geheel of ten dele te ontduiken of de ontduiking daarvan te bevorderen; meermalen gepleegd" veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven, alsmede tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is, voor zover van belang, aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte.

Namens deze heeft dr. D.J.P.M. Vermunt, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, tot nietigverklaring van de dagvaarding voor wat betreft het onder 1, 2, 3 en 4 primair tenlastegelegde, en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3 en 4 ontoereikend is gemotiveerd voor zover deze inhoudt dat het de verdachte is geweest die de daarin bedoelde aangiften onjuist of onvolledig heeft gedaan.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. hij op 5 oktober 1992, te Arnhem, opzettelijk een bij de Algemene wet inzake rijksbelastingen en/of de Wet op de Omzetbelasting 1968 voorziene aangifte, te weten de aangifte Omzetbelasting over de maand augustus 1992 van "[A] C.V.", onjuist en onvolledig heeft gedaan, hierin bestaande dat op het namens [A] C.V. ingevuld, ondertekend en bij de inspecteur van de Belastingdienst Ondernemingen te Arnhem ingeleverd aangiftebiljet omzetbelasting over de maand augustus 1992 opzettelijk een onjuist/onvolledig bedrag als te betalen omzetbelasting werd aangegeven/vermeld, -aangegeven als te betalen omzetbelasting werd vermeld een bedrag van FL 2.218,=, terwijl als te betalen omzetbelasting op voormelde aangifte aangegeven had dienen te worden een bedrag hoger dan fl. 2.218,-, (opzettelijk werd verzwegen enig bedrag aan omzetbelasting verschuldigd terzake van door [A] C.V. in de maand augustus 1992 verrichte binnenlandse leveringen en/of enig bedrag werd opzettelijk ten onrechte als voorbelasting in aftrek gebracht)-, terwijl daarvan het gevolg zou hebben kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven;

2. hij op 5 november 1993, te Dordrecht, opzettelijk een bij de Algemene wet inzake rijksbelastingen en/of de Wet op de Omzetbelasting 1968 voorziene aangifte, te weten de aangifte Omzetbelasting over het derde kalenderkwartaal van 1993 van "[B] Inc", onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, hierin bestaande dat op het namens [B] Inc. ingevuld, ondertekend en bij de inspecteur van de Belastingdienst Part./Ondernemingen te Dordrecht ingeleverd aangiftebiljet omzetbelasting over het derde kwartaal 1993 opzettelijk een onjuist/onvol-ledig bedrag als te betalen omzetbelasting werd aangegeven/vermeld, -aangegeven als te betalen omzetbelasting werd vermeld een bedrag van Fl. 3.947,=, terwijl als te betalen omzetbelasting op voormelde aangifte aangegeven had dienen te worden vermeld een bedrag hoger dan fl. 3.947,-, (opzettelijk werd verzwegen enig bedrag aan omzetbelasting verschuldigd terzake van door [B] Inc. in het derde kwartaal 1993 verrichte binnenlandse leveringen en enig bedrag werd opzettelijk ten onrechte als voorbelasting in aftrek gebracht)-, zulks terwijl daarvan het gevolg zou hebben kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven;

3. hij op 27 mei 1994, te Enschede, opzettelijk een bij de Algemene wet inzake rijksbelastingen en/of de Wet op de Omzetbelasting 1968 voorziene aangifte, te weten de aangifte Omzetbelasting over de maand april 1994 van "[D] C.V." ([D]), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, hierin bestaande dat op het namens [D] C.V. ([D]) ingevuld, ondertekend en bij de inspecteur van de Belastingdienst Ondernemingen te Enschede ingeleverd aangiftebiljet omzetbelasting over de maand april 1994 opzettelijk een onjuist bedrag als "aftrek voorbelasting" werd aangegeven/vermeld,

-aangegeven/vermeld -als voorbelasting werd een bedrag van Fl. 349.368,=, terwijl als voorbelasting slechts aangegeven/vermeld had mogen worden een bedrag lager dan fl. 349.368,-, (enig bedrag aan door "[C]" op (fictieve) commissie-facturen in rekening gebrachte omzetbelasting aan [D] werd opzettelijk ten onrechte als voorbelasting in aftrek gebracht op voormelde aangifte)-,zulks terwijl daarvan het gevolg zou hebben kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven;

4. hij omstreeks 25 juli 1994, te Enschede, opzettelijk een bij de Algemene wet inzake rijksbelastingen en/of de Wet op de Omzetbelasting 1968 voorziene aangifte, te weten de aangifte Omzetbelasting over de maand juni 1994 van "[D] C.V. ([D])", onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, hierin bestaande dat op het namens [D] C.V. ([D]) ingevuld, ondertekend en bij de inspecteur van de Belastingdienst Ondernemingen te Enschede ingeleverd aangiftebiljet omzetbelasting over de maand juni 1994 opzettelijk een onjuist bedrag als "aftrek voorbelasting" werd aangegeven/ vermeld, -aangegeven/vermeld als voorbelasting werd een bedrag van Fl. 412.604,=, terwijl als voorbelasting slechts aangegeven/vermeld had mogen worden een bedrag lager dan fl. 412.604,- (enig bedrag aan door "[E] BV" op verkoopfacturen in rekening gebrachte omzetbelasting aan [D] terzake (gefingeerde) leveringen werd opzettelijk ten onrechte als voorbelasting in aftrek gebracht op voormelde aangifte)-, zulks terwijl daarvan het gevolg zou hebben kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven."

3.3. Aldus heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verdachte als de pleger moet worden aangemerkt van het namens de in de bewezenverklaring genoemde vennootschappen onjuist en onvolledig doen van de aangiften omzetbelasting.

Voor zover in dat oordeel moet worden geacht besloten te liggen dat de verdachte naast de genoemde vennootschappen degene was die tot het doen van die aangiften gehouden was, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien - naar voortvloeit uit art. 68 (oud), eerste lid onder a en tweede lid, AWR in verbinding met art. 8, eerste lid, AWR - de wettelijke aangifteplicht op de vennootschap rust aan wie het aangiftebiljet is uitgereikt en niet ook op degene die namens de vennootschap de aangifte feitelijk heeft gedaan.

Voor zover het Hof evenwel heeft bedoeld te oordelen dat de aangifteplicht in dit geval wel op de verdachte rust omdat deze met de vennootschappen moet worden vereenzelvigd, is - gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen - dat oordeel, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk.

3.4. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het derde middel

5.1. Het middel klaagt dat de kwalificatie van de onder 5, 6 en 7 bewezenverklaarde feiten inhoudt dat de verdachte die feiten heeft gepleegd terwijl bewezen is verklaard dat hij die feiten heeft doen plegen.

5.2. Ten laste van de verdachte is onder 5, 6 en 7 bewezenverklaard dat:

"5. hij op 11 januari 1993, te Schiphol, [F] B.V. (douane-expediteur) in een aantal krachtens wettelijke bepalingen (Wet inzake de Douane) vereiste goederenaangiften, te weten een aantal (5) namens "[A] C.V." gedane aangiften ten invoer tot verbruik (in Nederland) van telecommunicatie-apparatuur en/of jeans (bijlagen l.D.233/Ol t/m 1.D.237/O1), telkens een onjuiste of onvolledige opgave heeft laten doen, door telkens opzettelijk in die aangiften ten invoer bij de Nederlandse Douane door [F] B.V als douanewaarde van die telecommunicatie-apparatuur en jeans een lager bedrag te doen of te laten aangeven/vermelden dan overeenkomstig de daarvoor geldende bepalingen had dienen te worden aangegeven/vermeld, - aangegeven als douanewaarde werd de transactiewaarde tussen [G] Inc., [B] en [A] C.V., vermeld op factuur d.d. 8 januari 1993 (bijlage 1.D.233/02-1), terwijl een hogere waarde (te weten minimaal de "kostprijs" van die goederen van "[G] Inc., USA") als douanewaarde van die goederen aangegeven had moeten worden -, zulks telkens met het oogmerk de belasting (invoerrechten) van die goederen geheel of ten dele te ontduiken of de ontduiking daarvan te bevorderen;

6. hij op 9 juli 1993 en op 14 juli 1993, te Schiphol, [H] BV (douane-expediteur) in een krachtens wettelijke bepalingen (Wet inzake de Douane) vereiste goederenaangifte, te weten de namens "[C] Inc." ([vestigingsplaats]) gedane aangifte ten invoer tot verbruik (in Nederland) van telecommunicatieapparatuur (bijlage 1.D.332/O1), en/of de namens "[C] Inc." ([vestigingsplaats]) gedane aangifte ten invoer tot verbruik (in Nederland) van jeans (bijlage 1.D.333101), een onjuiste of onvolledige opgave heeft laten doen, door telkens opzettelijk in die aangifte ten invoer bij de Nederlandse Douane door [H] BV als douanewaarde van die telecommunicatieapparatuur en/-of jeans een lager bedrag te doen of te laten aangeven/vermelden dan overeenkomstig de daarvoor geldende bepalingen had dienen te worden aangegeven/vermeld, - aangegeven als douanewaarde werd de transactiewaarde tussen [B] Inc. (USA) en "[C] Inc." ([vestigingsplaats]), vermeld op factuur d.d. 7 juli 1993 (bijlage 1.D.332/02-1) resp. factuur d.d. l3 juli 1993 (bijlage 1.D.333102-1), terwijl een hogere waarde (te weten minimaal de "kostprijs" van die goederen van "[B] Inc.(USA)") als douanewaarde van die goederen aangegeven had moeten worden -, zulks telkens met het oogmerk de belasting (invoerrechten) van die goederen geheel of ten dele te ontduiken of de ontduiking daarvan te bevorderen;

7. hij op 10 februari 1994 en op 14 maart 1994, te Schiphol, [I] NV (douane-expediteur) in een aantal krachtens wettelijke bepalingen (Wet inzake de Douane) vereiste goederenaangiften, te weten de namens "[D] C.V.([D])" gedane aangifte ten invoer tot verbruik (in Nederland) van jeans (bijlage 1.D.656101), en namens "[D] C.V.([D])" gedane aangiften ten invoer tot verbruik (in Nederland) van telecommunicatieapparatuur en jeans (bijlage 1.D.746/O1 t/m 1.D.750/O1), telkens een onjuiste of onvolledige opgave heeft laten doen, door telkens opzettelijk in die aangiften ten invoer bij de Nederlandse Douane door [I] NV als douanewaarde van die telecommunicatie-apparatuur en jeans een lager bedrag te doen of te laten aangeven/vermelden dan overeenkomstig de daarvoor geldende bepalingen had dienen te worden aangegeven/vermeld, - aangegeven als douanewaarde werd de trans-actiewaarde tussen [B] Inc. (USA) en "[D] C.V.([D])", vermeld op factuur d.d. 8 februari 1994 (bijlage 1.D.656/02-1) resp. facturen d.d. 11 maart 1994 (bijlage 1.D.746/02-1, 1.D.748/02-1 en 1.D.750/02-1), terwijl een hogere waarde (te weten minimaal de "kostprijs" van die goederen van "[B] Inc. (USA)") als douanewaarde van die goederen aangegeven had moeten worden -, zulks telkens met het oogmerk de belasting (invoerrechten) van die goederen geheel of ten dele te ontduiken of de ontduiking daarvan te bevorderen."

5.3. Deze feiten heeft het Hof telkens gekwalificeerd als:

"In een krachtens wettelijke bepaling vereiste goederenaangifte een onjuiste of onvolledige aangifte doen met het oogmerk de belasting van de goederen geheel of ten dele te ontduiken of de ontduiking daarvan te bevorderen; meermalen gepleegd.",terwijl het Hof daarbij als wettelijke bepaling art. 171 (oud) Wet inzake de douane heeft aangehaald.

Die bepaling luidt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt:

"1. Hij die in een krachtens wettelijke bepalingen vereiste goederenaangifte een onjuiste of onvolledige opgave doet, wordt gestraft met geldboete van de derde categorie."

5.4. De tenlasteleggingen op grond waarvan bedoelde bewezenverklaringen zijn uitgesproken kunnen gelet op haar bewoordingen en tegen de achtergrond van de onder 5.3 genoemde bepaling - die zich tot een ieder richt - bezwaarlijk anders worden verstaan dan dat aan de verdachte wordt verweten dat hij de feiten heeft doen plegen. Dat brengt niet alleen mee dat de door het Hof aan die feiten gegeven kwalificatie onjuist is, maar ook dat die bewezenverklaringen ontoereikend zijn gemotiveerd nu het Hof omtrent de straffeloosheid van de desbetreffende douane-expediteurs niets heeft vastgesteld.

5.5. Het middel is terecht voorgesteld.

6. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman, J.W. Ilsink, J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 oktober 2006.