Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU8087

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-03-2006
Datum publicatie
31-03-2006
Zaaknummer
01980/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU8087
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Noodweer(exces) en culpa in causa. Indien verdachte een beroep doet op noodweer(exces), moet de rechter onderzoeken of de voorwaarden voor aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Blijkens art. 41 Sr: a) wat betreft noodweer: dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding - waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo’n aanranding; b) wat betreft de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging (noodweerexces): dat die overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een aanranding als vorenbedoeld. Gedragingen van verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer kunnen onder omstandigheden in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) door verdachte. Dat is bijv. het geval indien verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie. Het hof heeft vastgesteld dat verdachte - terwijl hij en zijn collega’s onderweg waren naar X voor het treffen van een regeling van de niet-betaalde taxirit - meermalen was gewaarschuwd dat X gewelddadig zou kunnen worden, waaruit het hof heeft afgeleid dat verdachte zich “willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten was”. Die omstandigheid sluit, anders dan het hof heeft geoordeeld, op zichzelf niet uit dat - in aanmerking genomen de blijkens de gebezigde bewijsmiddelen door het hof vastgestelde (ernstige) agressie van X toen verdachte en zijn collega’s ter plaatse waren gekomen – t.a.v. de ten laste van verdachte bewezenverklaarde gedragingen sprake was van noodzakelijke verdediging in de zin van art. 41 Sr. Hetgeen het hof heeft overwogen is evenmin voldoende om te kunnen aannemen dat hier sprake is van zodanige “eigen schuld” dat dit aan aanvaarding van het beroep op noodweer(exces) in de weg staat. Wat betreft ’s hofs oordeel dat verdachte en diens medeverdachten alsnog weg hadden kunnen en dienen te gaan op het moment dat A verdachte te hulp schoot en de koevoet van X afpakte, mede op grond waarvan, naar het hof heeft geoordeeld, “er geen sprake is van een noodzakelijke verdediging”, verdient nog opmerking dat die wat betreft dat tijdstip vastgestelde omstandigheid niet uitsluit dat, zoals is aangevoerd en steun vindt in de gebezigde bewijsmiddelen, (voordien) sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging geboden was (HR NJ 1993, 691).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2006, 509 met annotatie van Y. Buruma
RvdW 2006, 338
NBSTRAF 2006/172
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 maart 2006

Strafkamer

nr. 01980/05

ABG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 11 november 2004, nummer 24/001581-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Leeuwarden van 4 november 2003 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van subsidiair "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van vijfhonderd euro, subsidiair tien dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en een zodanige op art. 440 Sv berustende beslissing zal nemen als aan de Hoge Raad gepast voorkomt.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het beroep op noodweer en noodweerexces ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 20 juni 2002 te Haulerwijk, in de gemeente Ooststellingwerf, met een ander op of aan de openbare weg, de [a-straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit:

- het met een koevoet slaan tegen het hoofd van die [slachtoffer] en

- het stompen en schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer]."

3.3. De bewezenverklaring steunt - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - op de volgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voorzover inhoudende:

"Op 20 juni 2002 had ik dienst als taxichauffeur. Een collega, [betrokkene 1], had problemen met een klant die in [plaats A], gemeente [B], woonde. Wij - mijn collega's [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en ik - wilden verhaal halen bij die man. Die man heet [slachtoffer]. Onderweg hebben wij [betrokkene 1] gesproken. Ook is er toen telefonisch contact geweest met de vrouw van [slachtoffer]. In de tuin voor die woning, welke woning is gelegen aan de openbare weg, de [a-straat], is een worsteling ontstaan waar [slachtoffer], [medeverdachte 1] en ik bij betrokken waren. Ik heb op een gegeven moment de koevoet van [medeverdachte 1] afgepakt en heb [slachtoffer] daarmee tegen zijn hoofd getikt."

b. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Op donderdag 20 juni 2002 ging ik met mijn collega's [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de woning van [slachtoffer] in [plaats A]. Er kwam een vrouw bij de deur en ze deed open. Ze zei: "dit is het ergste wat je kunt doen. Dit komt niet goed."

Ik keek via de voordeur naar binnen. Daar zag ik [slachtoffer] staan. Direct daarop zag ik dat hij met een versnelde pas naar ons toe kwam. Ik zag toen op het laatste moment dat hij in zijn rechterhand een koevoet had. Hij haalde onmiddellijk uit met die koevoet naar mijn hoofd. Ik bukte en drukte hem van mij af. Hij was iets op de grond gekomen en ik zag dat hij helemaal door het lint was. Hij begon direct weer te slaan. Hij haalde weer uit met de koevoet in de richting van mijn lichaam. Ik incasseerde de klap en kon de koevoet vastklemmen tussen mijn lichaam en mijn linkerarm. Ik viel op de grond met [slachtoffer].

Op dat moment kwam [medeverdachte 1] er aan. Hij begon mij te helpen. Het lukte hem uiteindelijk om de koevoet af te pakken."

c. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik zag dat [medeverdachte 1] de koevoet van [slachtoffer] in zijn hand had. Ik heb de koevoet uit de handen van [medeverdachte 1] gegrist en vervolgens sloeg ik [slachtoffer].

Ik zag dat ik [slachtoffer] met de bocht van die koevoet raakte tegen zijn hoofd. Ik zag, nadat ik [slachtoffer] geraakt had, dat [slachtoffer] iets door zijn knieën zakte en hurkte. Daarna stond hij gelijk weer op en ik zag dat hij zijn achterhoofd vastpakte."

d. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:

"[Slachtoffer] kwam met een koevoet de woning uitlopen. Ik zag dat [slachtoffer] uithaalde naar [verdachte]. Hij sloeg tweemaal horizontaal van rechts naar links. Ik zag dat [verdachte] de tweede klap kreeg of opving dat weet ik niet meer. Toen ze allebei nog stonden liep ik er naartoe en sprong naar [slachtoffer]. Op dat moment sloeg ik met mijn rechtervuist op het hoofd van [slachtoffer]. Ik zag dat [slachtoffer] de koevoet weer wilde pakken. Om dit te voorkomen schopte ik [slachtoffer] tegen de bovenkant van zijn lichaam. Ik denk dat ik hem hierna nog een aantal keren heb geschopt."

e. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:

"Toen wij onderweg waren naar [plaats A] heb ik een telefonisch gesprek gevoerd met de vrouw van [slachtoffer]. Ze vertelde dat haar man - als wij zouden komen - de auto kapot zou maken met een koevoet of iets anders zou doen."

f. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Op 20 juni 2002 kreeg ik van een man, van wie ik later heb gehoord dat hij [slachtoffer] heet, geen geld voor de taxirit. Ik heb bij zijn woning in [plaats A] met zijn vrouw gesproken. Uiteindelijk gaf ik in zoverre toe dat ik akkoord ging met het innemen van een (verlopen) paspoort van die vrouw. Ze heeft ook getekend. Onderweg kwam ik mijn collega's tegen in een taxi. Ze knipperde nog met de lichten en zeiden over de bak dat ze naar [plaats A] gingen. Ik zei hen dat het niet meer nodig was en als ze het wel zouden doen hij waarschijnlijk uit zijn dak zou gaan. Net buiten [plaats A] passeerden wij elkaar. Ik zag dat ze met zijn drieën waren, [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [verdachte]. Ze zeiden dat ze toch doorreden omdat ze toch wilden proberen hem alsnog te laten betalen."

g. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2]:

"Toen wij [plaats A] binnenreden, kwamen wij [betrokkene 1] tegen in haar taxi. We hebben toen via de geopende ramen met elkaar gesproken. Ook [verdachte] en [medeverdachte 1] namen deel aan het gesprek. [Betrokkene 1] heeft verteld dat ze een regeling had getroffen met de vrouw van die [slachtoffer]."

3.4.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende aangevoerd:

a. door de verdachte:

"Op 20 juni 2002 had ik dienst als taxichauffeur. Een collega, [betrokkene 1], had ook dienst. Zij belde met de diensttelefoon over problemen met een klant en vroeg een andere collega, [medeverdachte 2], of we mee naar [plaats A], gemeente [B], gingen. Daar woonde die man. Het was duidelijk dat ze geen geld had gekregen en dat ze bedreigd was. Ze was net weg bij die man, wij - mijn collega's [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en ik - wilden verhaal halen bij die man. Die man heeft [slachtoffer]. Wij zijn toen met de taxi van [medeverdachte 2] naar [plaats A] gereden. Vlakbij [plaats A] kwamen we [betrokkene 1] tegen. We hebben haar toen gesproken. Ook is er nog telefonisch contact geweest met de vrouw van [slachtoffer]. Ik heb daar weinig van gehoord, ik zat namelijk achter in de auto. [Betrokkene 1] sprak met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Ze vertelde hen dat ze bedreigd was. Wij wisten niets van een eventuele betalingsregeling.

Toen we bij het huis van [slachtoffer] aankwamen hebben we eerst met zijn vrouw gepraat. Zij zei: "dit is het ergste wat je kan doen". Er liep een hondje naar buiten, ik stond op dat moment een meter of 4 à 5 bij de voordeur vandaan. Direct daarna kwam [slachtoffer] al naar buiten. In de tuin voor die woning, welke woning is gelegen aan de openbare weg, de [a-straat], is vervolgens een worsteling ontstaan waar [slachtoffer], [medeverdachte 1] en ik bij betrokken waren. Dat ging als volgt.

Het was me eerst niet helemaal duidelijk, maar [slachtoffer] had een koevoet bij zich. Ik moest al snel bukken, ik kon geen kant op. Ik heb hem vervolgens weggeduwd. Toen sloeg hij opnieuw. We zijn toen gevallen, waarna er een worsteling is ontstaan.

[Medeverdachte 1] stond naast mij, hij heeft de koevoet van [slachtoffer] afgepakt. Ik heb [slachtoffer] vervolgens van mij afgeschopt. Hij keek met heel dreigend aan, ik heb toen de koevoet weer van [medeverdachte 1] afgepakt en [slachtoffer] van onderen met de koevoet tegen zijn hoofd getikt. Hij zakte daarop door zijn knieën; toen zag ik de kans om weg te gaan. U zegt dat ik ook eerder weg had kunnen gaan. Ik stond een meter of 2 bij hem vandaan, ik weet niet wat hij nog meer bij zich had. U houdt me mijn verklaring voor die ik bij de politie heb afgelegd en waarin ik zeg dat ik hem een klap op het achterhoofd heb gegeven. Ik weet niet meer waar ik hem precies geraakt heb. De agent vroeg aan mij hoe het gegaan was, dat heb ik toen geprobeerd te reconstrueren. Ik kan me niet herinneren dat ik het achterhoofd heb geraakt. Het was donker. Hij greep wel naar zijn hoofd en hij zei dat hij bloed had; hij had wel iets aan zijn handen maar dat kan ook modder geweest zijn. U zegt dat wij, ondanks dat [betrokkene 1] tevreden was met de situatie en ondanks dat we waren gewaarschuwd dat hij "uit zijn dak" zou kunnen gaan, toch naar zijn huis gegaan zijn. Op dat moment was ons nog niet bekend dat hij door zou draaien. Voor taxichauffeurs is het normaal om met een aantal collega's verhaal te halen, vooral in het centrum van de stad. Ik vind het zeker wel erg wat er is gebeurd. [Slachtoffer] is drugsverslaafd, die mensen krijgen al blauwe plekken als je ze vastpakt. Achteraf bezien hadden we er niet heen moeten gaan, maar toen voelde het als een juiste beslissing. De jongste raadsheer vraagt mij waarom ik de koevoet niet meteen heb weggegooid toen ik hem in handen kreeg. Ik antwoord daarop dat ik echt bang voor hem was, hij was namelijk erg sterk en door het dolle heen. Ik had geen tijd om weg te gaan, ik stond op en hij kwam alweer op mij af. Er was geen muurtje of schutting waarachter ik mij kon verschuilen. Op de vraag van de jongste raadsheer of wij ons zelf wilden bewijzen als "flinke jongens" antwoord ik dat dat zeker niet het geval is. Ik hou daar namelijk absoluut niet van."

b. door de raadsman:

"Het gaat in het onderhavige geval om culpa in causa. Er is geen sprake van zwaar lichamelijk letsel. De meest aannemelijke gang van zaken is dat [slachtoffer] met een koevoet naar buiten kwam lopen. Mijns inziens is er met betrekking tot het slaan met de koevoet op het hoofd van [slachtoffer] sprake van een noodweersituatie. Had verdachte op dat moment nog kunnen wegrennen? Ik denk het niet. De verklaring die [betrokkene 1] bij de politierechter heeft afgelegd strookt niet met haar eerdere verklaring. Verdachte en zijn collega's hebben enig risico genomen maar dat staat mijns inziens niet in de weg aan een succesvol beroep op noodweer. Er was sprake van een gerechtvaardigd belang. Deze zaak is vergelijkbaar met het arrest van de Hoge Raad van 29 april 1997, NJ 1997, 627. Verdachte kon niet weg. Er is wellicht sprake van een zekere mate van schuld maar zeker niet van dolus in causa. Verdachte doet een beroep op noodweer-exces. Ik verzoek uw hof het subsidiair ten laste gelegde bewezen te verklaren en verdachte ter zake van dat feit te ontslaan van alle rechtsvervolging."

3.4.2. Het Hof heeft het door en namens de verdachte aangevoerde als volgt samengevat en verworpen:

"Verdachte en diens raadsman hebben ter terechtzitting een beroep gedaan op noodweer subsidiair noodweer-exces. Het hof verwerpt dit beroep op grond van het navolgende.

Uit de stukken en op grond van het verhandelde ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat verdachte - die ten tijde van het hem ten laste gelegde feit aan het werk was als taxichauffeur - samen met twee andere taxichauffeurs naar het huis van [slachtoffer] is gegaan om een regeling te treffen voor het feit dat [slachtoffer] zijn taxirit bij hun collega, [betrokkene 1], niet had betaald. Verdachte en diens mannelijke collega's waren er van op de hoogte dat [slachtoffer] wel eens agressief kon worden als hij hen zou zien, aangezien zij halverwege de rit [betrokkene 1] tegenkwamen, die hen hiervoor waarschuwde. Voorts heeft verdachtes collega en medeverdachte, [medeverdachte 1], onderweg telefonisch contact gehad met de vrouw van [slachtoffer], die hem zei dat ze niet naar [plaats A] moesten komen omdat daar zeker problemen van zouden komen: haar man zou de auto kapot maken met een koevoet of iets anders doen. Zij sloegen deze waarschuwingen in de wind en besloten alsnog naar zijn huis te gaan.

Verdachte is dus meerdere keren gewaarschuwd dat [slachtoffer] wel eens gewelddadig zou kunnen worden. Ondanks die waarschuwingen wilde verdachte een regeling treffen met [slachtoffer]. Verdachte heeft zich daarmee willens en wetens in een situatie begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten was. Een dergelijke reactie heeft ook daadwerkelijk plaatsgevonden. Immers, toen ze eenmaal bij het huis van [slachtoffer] waren aangekomen, belandden deze en verdachte in een worsteling, waarbij [slachtoffer] over een koevoet beschikte. Verdachte en diens medeverdachte hadden alsnog weg kunnen en dienen te gaan op het moment dat [medeverdachte 1] verdachte te hulp schoot en deze [de] koevoet van [slachtoffer] afpakte. Dit hebben zij echter niet gedaan.

Door aldus te handelen is er geen sprake van een noodzakelijke verdediging en is er dus ook geen sprake van noodweer subsidiair noodweer-exces in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht."

3.5.1. Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer dan wel noodweerexces, zal de rechter moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden blijkens art. 41 Sr in:

- wat betreft noodweer: dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding - waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding;

- wat betreft de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging (het zogenoemde noodweerexces): dat die overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een aanranding als vorenbedoeld.

3.5.2. Gedragingen van de verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer kunnen onder omstandigheden in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) door de verdachte. Dat is bijvoorbeeld het geval indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie.

3.6. Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte - terwijl hij en zijn collega's onderweg waren naar [slachtoffer] voor het treffen van een regeling van de niet-betaalde taxirit - meermalen was gewaarschuwd dat [slachtoffer] gewelddadig zou kunnen worden, waaruit het Hof heeft afgeleid dat de verdachte zich "willens en wetens in een situatie [heeft] begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten was". Die omstandigheid sluit, anders dan het Hof heeft geoordeeld, op zichzelf niet uit dat - in aanmerking genomen de blijkens de gebezigde bewijsmiddelen door het Hof vastgestelde (ernstige) agressie van [slachtoffer] toen de verdachte en zijn collega's ter plaatse waren gekomen - ten aanzien van de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde gedragingen sprake was van noodzakelijke verdediging in de zin van art. 41 Sr. Hetgeen het Hof heeft overwogen - zoals hiervoor onder 3.4.2 weergegeven - is evenmin voldoende om te kunnen aannemen dat hier sprake is van zodanige "eigen schuld" als onder 3.5.2 bedoeld dat dit aan aanvaarding van het beroep op noodweer(exces) in de weg staat.

3.7. Wat betreft hetgeen het Hof aan het slot van zijn hiervoor onder 3.4.2 weergegeven overwegingen heeft geoordeeld - inhoudende dat de verdachte en diens medeverdachten alsnog weg hadden kunnen en dienen te gaan op het moment dat [medeverdachte 1] de verdachte te hulp schoot en de koevoet van [slachtoffer] afpakte, mede op grond waarvan, naar het Hof heeft geoordeeld, "er geen sprake [is] van een noodzakelijke verdediging " - verdient nog het volgende opmerking. Die voor wat betreft dat tijdstip vastgestelde omstandigheid sluit niet uit dat, zoals is aangevoerd en steun vindt in de gebezigde bewijsmiddelen, er (voordien) sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging geboden was (vgl. HR 18 mei 1993 NJ 1993, 691).

3.8. Het Hof heeft het gevoerde verweer mitsdien op ontoereikende gronden verworpen. Het middel is gegrond.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op

28 maart 2006.