Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU7502

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-01-2006
Datum publicatie
20-01-2006
Zaaknummer
C04/316HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU7502
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2004:AR4657
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geschil tussen ex-echtelieden over de terugbetaling van een door (de man als beherend vennoot in) een CV van de vrouw geleende geldsom, aanvangstijdstip van termijn bevrijdende verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 45
NJ 2006, 81
RvdW 2006, 113
JRV 2006, 173
JWB 2006/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 januari 2006

Eerste Kamer

Nr. C04/316HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres]

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.H. van der Woude,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploot van 6 september 2002 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de rechtbank te Almelo en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 100.000,--, te vermeerderen met de rente vanaf 10 september 2002 tot aan de dag der algehele voldoening, althans zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure, die van het beslag daaronder begrepen.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 14 mei 2003 het gevorderde afgewezen, [eiseres] in de kosten van het geding aan de zijde van [verweerder] veroordeeld, en dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.

Bij arrest van 6 juli 2004 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en [eiseres] in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van [verweerder] veroordeeld.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.

[Eiseres] heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing naar een ander hof ter afdoening.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

(i) Op 15 september 1990 is de commanditaire vennootschap Kobra-PC Systems C.V. - verder te noemen: Kobra - opgericht. [Verweerder] was daarvan beherend vennoot.

(ii) [Eiseres] en [verweerder] zijn op 18 januari 1991 gehuwd op huwelijkse voorwaarden die gemeenschap van goederen uitsluiten.

(iii) Op 4 juni 1991 heeft [eiseres] een bedrag van ƒ 40.000,-- en op 20 augustus 1991 een bedrag van ƒ 100.000,-- doen overmaken naar de bankrekening van Kobra. Bij de laatste overmaking staat als omschrijving op het bankafschrift van [eiseres] vermeld "lening".

(iv) Kobra en [verweerder] zijn op 17 juni 1992 in staat van faillissement verklaard. Deze faillissementen zijn in 1993 opgeheven.

(v) Op 23 juni 1997 is het huwelijk van [eiseres] en [verweerder] ontbonden.

(vi) Bij brief van 26 november 2001 heeft [eiseres] de bedragen van ƒ 40.000,-- en ƒ 100.000,-- opgeëist.

3.2 [Eiseres] heeft aan haar hiervoor in 1 vermelde vordering tot betaling van ƒ 100.000,-- ten grondslag gelegd dat [verweerder] de bedragen van ƒ 40.000,-- en ƒ 100.000,-- van haar heeft geleend en dat zij recht heeft op terugbetaling daarvan. Zij heeft deze bedragen pas eind 2001 opgeëist, omdat partijen nog tot 23 juni 1997 met elkaar waren gehuwd en daarnaast omdat zij wist dat [verweerder] deze bedragen eerder toch niet zou kunnen betalen. Aangezien zij zich realiseerde dat hij het totaalbedrag ook nu niet zal kunnen voldoen, heeft zij haar vordering beperkt tot ƒ 100.000,--.

3.3 Als meest verstrekkend verweer heeft [verweerder] aangevoerd dat de vordering van [eiseres] verjaard is. Zowel de rechtbank als, in hoger beroep, het hof heeft dat verweer gegrond bevonden.

3.4 Ter beoordeling van dit verweer heeft het hof onderzocht op welk moment de verjaringstermijn van art. 3:307 lid 1 BW met betrekking tot de (mogelijke) vorderingen van [eiseres] tot terugbetaling is aangevangen. Over de wijze en termijn(en) van een eventuele terugbetaling zijn geen op schrift gestelde afspraken gemaakt. Evenmin is een rentevergoeding overeengekomen. Als het leningen betreft, dienen de daaruit voortvloeiende verbintenissen dan ook, naar het oordeel van het hof, in beginsel te worden gekwalificeerd als verbintenissen tot nakoming na onbepaalde tijd in de zin van het tweede lid van art. 3:307 BW. De omstandigheid dat [eiseres] de beide bedragen aan Kobra en niet aan [verweerder] in persoon heeft betaald, brengt naar het oordeel van het hof echter mee dat, als het om leningen gaat, deze uit hun aard slechts voor de levensduur van Kobra - en in die zin voor bepaalde tijd - zijn verstrekt. Nu Kobra op 17 juni 1992 door faillissement is ontbonden, betekent dat volgens het hof dat de verjaringstermijn van vijf jaar op 18 juni 1992 is gaan lopen. Gelet op de ontbindingsdatum van het huwelijk (23 juni 1997) en op het bepaalde in de artikelen 3:320 en 3:321, aanhef en onder a, BW liep de verjaringstermijn, naar het oordeel van het hof, tot 23 december 1997 zodat [eiseres]s vordering tot terugbetaling is verjaard (rov. 3.10).

3.5 Alle onderdelen van het middel zijn gericht tegen het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat [eiseres] de beide bedragen aan Kobra en niet aan [verweerder] in persoon heeft betaald, meebrengt dat de gestelde leningen uit hun aard slechts voor de levensduur van Kobra - en in die zin voor bepaalde tijd - zijn verstrekt. De onderdelen 1 en 2 bestrijden dit oordeel van het hof met rechts- en motiveringsklachten. Onderdeel 3 verwijt het hof dat het, aldus oordelende, de feitelijke gronden van het door [verweerder] gevoerde verweer heeft aangevuld.

3.6 Indien het bestreden oordeel van het hof berust op de opvatting dat een geldlening aan een commanditaire vennootschap in beginsel, en behoudens andersluidend beding, naar haar aard moet worden aangemerkt als verstrekt voor de levensduur van de vennootschap en in die zin voor een bepaalde tijd, zodat de vordering tot terugbetaling van rechtswege opeisbaar wordt op de dag waarop de vennootschap wordt ontbonden, berust dat oordeel op een onjuiste rechtsopvatting, omdat de aard van een geldlening aan een commanditaire vennootschap zulks niet zonder meer meebrengt. De termijn van verjaring van de vordering tot terugbetaling van een aan een commanditaire vennootschap voor onbepaalde tijd ter leen gegeven geldsom vangt dus niet zonder meer aan op de dag volgende op die waarop die vennootschap wordt ontbonden.

3.7 Indien het bestreden oordeel van het hof niet berust op de hiervoor bedoelde, onjuiste, rechtsopvatting maar op de uitleg die het hof aan de eventueel tussen [eiseres] en [verweerder], of tussen [eiseres] en Kobra, gesloten overeenkomsten van geldlening heeft gegeven, is dat oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. De onderdelen 1 en 2 slagen in zoverre. Onderdeel 3 behoeft geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 6 juli 2004;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 5.681,18 in totaal, waarvan € 5.574,18 op de voet van art. 243 Rv. te voldoen aan de Griffier, en € 107,-- te voldoen aan [eiseres].

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 januari 2006.