Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU7135

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2006
Datum publicatie
10-01-2006
Zaaknummer
01103/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU7135
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2005:AU0909
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Stelplicht bij overmachtverweer. Verdachte stelde in Suriname gedwongen te zijn tot een drugstransport alsmede dat het voor hem niet mogelijk is in Nederland aannemelijk te maken wat hem in Suriname is overkomen, zodat het hof verdachtes niet onaannemelijke verklaring voor juist zou moeten houden. HR: Vooropgesteld moet worden dat in het geval een beroep op overmacht is gedaan de rechter gehouden is de feitelijke grondslag van dat verweer te onderzoeken, terwijl hij de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen. Voorzover het middel ervan uitgaat dat het hof i.s.m. de zojuist vooropgestelde regel, de last tot het aannemelijk maken van het verweer uitsluitend bij de verdachte heeft gelegd, berust het op een onjuiste lezing van ‘s hofs arrest. Het hof heeft tot uitdrukking gebracht dat het de door verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feiten niet aannemelijk heeft geacht. Dat oordeel is bij gebreke van nadere concretisering door de verdediging van de in het verweer gestelde feitelijke toedracht niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 13
RvdW 2006, 96
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2006

Strafkamer

nr. 01103/05

EC/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 februari 2005, nummer 23/004265-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1982, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Maashegge/Ter Peel" te Overloon.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Haarlem van 29 april 2004 - de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding onder parketnummer 15/132369-04 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van onder parketnummer 15/ 001107-03 "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" en ter zake van onder parketnummer 15/132369-04 subsidiair "medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf. Voorts zijn de tenuitvoerleggingen gelast van de voorwaardelijk opgelegde straffen.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof het beroep op overmacht ten onrechte, althans op ontoereikende gronden, heeft verworpen.

3.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft een beroep gedaan op psychische overmacht ter rechtvaardiging van het handelen van verdachte. Verdachte heeft ter zitting van de rechtbank Haarlem verklaard, hoe hij tot dit transport is gekomen. Hij is in Suriname personen tegen gekomen voor wie hij in 2002 bolletjes met cocaïne heeft geslikt en naar Nederland heeft gebracht. Hij is toen aangehouden en de cocaïne is door justitie in beslag genomen. Die personen hebben verdachte voor dit laatste transport vastgehouden en gedwongen het transport uit te voeren.

Het is voor verdachte niet mogelijk om hier in Nederland aannemelijk te maken wat hem in Suriname is overkomen. De raadsman stelt zich op het standpunt dat het hof daarmee rekening dient te houden bij de beantwoording van de vraag of verdachte zijn verhaal voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De praktijken, die verdachte beschrijft, komen voor; verhalen over gedwongen transporten om de schade te vergoeden die is ontstaan doordat verdovende middelen een keer eerder zijn onderschept, zijn niet nieuw.

Nu hetgeen verdachte daarover verklaart niet onaannemelijk is, dient het hof het onder de gegeven omstandigheden voor juist te houden. Verdachte dient ontslagen te worden van alle rechtsvervolging.

Het hof verwerpt het verweer.

Verdachte heeft zijn stelling dat hij tot het transport is gedwongen, niet met concrete feiten en omstandigheden gestaafd. In zijn verhoor op 22 mei 2003 door de verbalisanten C.S. Elzinga en A.L.W.M. Hetharie heeft verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht toen hem concrete vragen werden gesteld over de mensen die mogelijk bij het transport betrokken zijn geweest en ook bij de rechtercommissaris belast met de behandeling van strafzaken heeft verdachte bij gelegenheid van zijn verhoor op de vordering inbewaringstelling geen opening van zaken gegeven en zich beperkt tot de mededeling dat hij tot het transport gedwongen is en er verder niets over wenst te verklaren. Nu zijn stelling feitelijke grondslag mist kan reeds daarom zijn beroep op psychische overmacht niet slagen."

3.3. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in het geval een beroep op overmacht is gedaan de rechter gehouden is de feitelijke grondslag van dat verweer te onderzoeken, terwijl hij de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen (vgl. HR 3 juni 1997, NJ 1997, 657).

Voorzover het middel ervan uitgaat dat het Hof, in strijd met de zojuist vooropgestelde regel, de last tot het aannemelijk maken van de feitelijke grondslag van het verweer uitsluitend bij de verdachte heeft gelegd, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.

Ook overigens kan het middel niet tot cassatie leiden.

Het Hof heeft tot uitdrukking gebracht dat het de door de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feiten niet aannemelijk heeft geacht. Dat oordeel is bij gebreke van nadere concretisering door de verdediging van de in het verweer gestelde feitelijke toedracht, ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

3.4. Het middel faalt.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 10 januari 2006.