Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU7106

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2006
Datum publicatie
11-01-2006
Zaaknummer
00292/05 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU7106
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidstijdenbesluit vervoer art. 8:1.2. Wettelijke basis aansprakelijkstelling werkgever voor overtredingen werknemers. Uit de NvT op het KB van 27-11-00, Stb. 2001, 5, tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer volgt dat de desbetreffende normen aldus zijn geformuleerd dat, evenals onder het regiem van de Rijtijdenwet 1936 het geval was en ook in de EEG verordening het uitgangspunt is, het erom gaat dat de voorgeschreven rij- en rusttijden worden inachtgenomen, alsmede dat indien de bestuurder geen werkgever of zelf-standige is, doch in dienst is bij een werkgever, de werkgever in beginsel de normadressaat is. Slechts indien blijkt dat de werkgever al hetgeen redelijkerwijze mogelijk is heeft gedaan om de naleving van de desbetreffende voorschriften te verzekeren, is de werknemer, als be-stuurder, voor de overtreding aansprakelijk. Aldus komt deze regeling erop neer dat op de werkgever een in het derde lid van art. 8:1 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer nader bepaalde zorgplicht rust om overtreding van de voorschriften met betrekking tot rij- en rusttijden te voorkomen. Uit het hiervoor weergegeven wettelijk kader volgt dat de norm alsmede de strafbaarstelling en sanctionering van overtreding daarvan, zijn gebaseerd op art. 5:12 Arbeidstijdenwet en art. 1 (oud) WED, zodat anders dan het middel stelt geen sprake is van strijd met art. 89.2 GW. Voorzover het middel er voorts over beoogt te klagen dat voor wat betreft bovenweergegeven art. 8:1.2 Arbeidstijdenbesluit vervoer sprake is van een, gelet op art. 91 Sr ongeoorloofde, afwijking van de deelnemingsregeling van Boek I Sr faalt het eveneens. Art. 8:1 Arbeidstijdenbesluit vervoer behelst immers een zelfstandige strafbaarstelling van schending van een zorgplicht door de werkgever, die niet kan worden

beschouwd als een uitbreiding of afwijking van de in Titel V van het Eerste Boek Sr geregelde deelnemingsvormen.

Wetsverwijzingen
Grondwet
Grondwet 89
Wet op de economische delicten
Wet op de economische delicten 1
Arbeidstijdenwet
Arbeidstijdenwet 5:12
Arbeidstijdenbesluit vervoer
Arbeidstijdenbesluit vervoer 2.4:4
Arbeidstijdenbesluit vervoer 2.5:1
Arbeidstijdenbesluit vervoer 8:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2006/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2006

Strafkamer

nr. 00292/05 E

EC/JH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, Economische Kamer, van 1 november 2004 nummer 21/002355-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats] (met statutaire zetel te [plaats A]).

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van Economische Politierechter in de Rechtbank te Utrecht van 13 november 2003 - de verdachte:

ter zake van 1. "Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12, tweede lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon; elf maal gepleegd" veroordeeld tot: telkens een geldboete van € 1.550,- ten aanzien van het onder 1, sub 1a, 1b, 1c, 1d, 1e, 2a, 2b, 2c, 3a, 3b, 3c bewezenverklaarde;

ter zake van 2. "Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12, tweede lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon; zevenentwintig maal gepleegd" veroordeeld tot:

telkens een geldboete van € 250,- ten aanzien van het onder 2, sub 1a, 1b, 1d, 1f, 1g, 3a, 4b en 4d bewezenverklaarde;

telkens een geldboete van € 900,- ten aanzien van het onder 2, sub 1h en 4h bewezenverklaarde;

telkens een geldboete van € 125,- ten aanzien van het onder 2, sub 1i, 3c, 3e bewezenverklaarde;

telkens een geldboete van € 375,- ten aanzien van het onder 2, sub 1c, 1e, 1j, 3d, 3f, 3g, 4e en 4g bewezenverklaarde;

telkens een geldboete van € 1.300,- ten aanzien van het onder 2, sub 2a en 4a bewezenverklaarde;

telkens een geldboete van € 650,- ten aanzien van het onder 2, sub 2b, 3b, 4c en 4f bewezenverklaarde;

ter zake van 3. "Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12, tweede lid van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon; achttien maal gepleegd" veroordeeld tot:

telkens een geldboete van € 500,- ten aanzien van het onder 3, sub 1a, 1b, 1d, 2e bewezenverklaarde;

telkens een geldboete van € 1.300,- ten aanzien van het onder 3, sub 1c, 2d, 3b, 3d, 3e en 3f bewezenverklaarde;

telkens een geldboete van € 250,- ten aanzien van het onder 3, sub 2a en 2c bewezenverklaarde;

telkens een geldboete van € 1.050,- ten aanzien van het onder 3, sub 2b, 2f, 2g en 3a bewezenverklaarde;

telkens een geldboete van € 775,- ten aanzien van het onder 3, sub 3c bewezenverklaarde;

telkens een geldboete van € 650,- ten aanzien van het onder 3, sub 3g bewezenverklaarde.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.B. Vallenduuk, advocaat te Haarlem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte niet heeft geoordeeld dat een wettelijke basis voor de aansprakelijkstelling van de verdachte als werkgever voor overtredingen van zijn werknemers ontbrak, nu art. 8:1, tweede lid, Arbeidstijdenbesluit vervoer, zoals dit luidde ten tijde van de tenlastegelegde feiten, niet berustte op een delegatiebepaling opgenomen in een formele wet.

3.2. Het gaat in deze zaak, voorzover hier van belang, om 45 overtredingen van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5:12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet, begaan door de verdachte in haar hoedanigheid van werkgever. Bedoelde voorschriften zijn neergelegd in het Arbeidstijdenbesluit vervoer en betreffen de rij- en rusttijden die een bestuurder in acht dient te nemen. De overtredingen vonden plaats in de periode van 17 september 2001 tot en met 28 oktober 2001.

3.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt weergegeven en verworpen:

"Met betrekking tot (het) de onder 1 tenlastegelegde feiten heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat artikel 8:1, tweede lid van het Arbeidstijdenbesluit inhoud(t) een daderschapfictie voor feiten begaan door de werknemer, echter behalve ten aanzien van feiten als genoemd onder artikel 2.4:4 van dat besluit. Derhalve stelt de raadsman dat verdachte niet strafbaar is en ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging.

Tevens stelt de raadsman dat (...)

Het hof verwerpt deze verweren. Artikel 2.4:4 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer richt zich zowel tot de werkgever als de werknemer als dader. Van een zogenaamde daderschapfictie is hier geen sprake.

(...)

De raadsman van verdachte heeft tevens, zoals weergegeven in zijn pleitnota, aangevoerd dat verdachte ten aanzien van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging, wegens -kort gezegd- strijd met het legaliteitsbeginsel.

Het hof overweegt dienaangaande:

- Bij Koninklijk Besluit van 27 november 2000, Staatsblad 2001, 5, is het Arbeidstijdenbesluit vervoer gewijzigd. Als gevolg daarvan luiden met ingang van 10 januari 2001 de artikelen 2.5:1, vierde lid, 2.5:3 en 8:1 Arbeidstijdenbesluit vervoer, voorzover hier van belang, als volgt:

- Artikel 2.5:1, vierde lid, Arbeidstijdenbesluit vervoer:

"De bestuurder handelt overeenkomstig de artikelen 8 en 9 van verordening (EEG) nr. 3820/85."

- Artikel 2.5:3 Arbeidstijdenbesluit vervoer:

"De bestuurder handelt overeenkomstig artikel 6 van verordening (EEG) nr. 3820/85."

- Artikel 8:1 Arbeidstijdenbesluit vervoer:

"1. Het niet naleven van de artikelen (...) 2.5:1, vierde lid, 2.5:3 (...) levert een strafbaar feit op.

2. Behoudens (...) wordt, indien de bestuurder werknemer is, ingeval van het niet naleven van een tot de bestuurder gerichte bepaling de werkgever aangemerkt als degene die die bepaling niet heeft nageleefd.

3. Het tweede lid is niet van toepassing indien de werkgever aantoont dat door hem de nodige bevelen zijn gegeven, de nodige maatregelen zijn genomen, de nodige middelen zijn verschaft en het redelijkerwijs te vorderen toezicht is gehouden om de naleving van de bepaling te verzekeren."

- Artikel 11:2 Arbeidstijdenwet:

Indien een werknemer die in dienst is van een buiten Nederland gevestigde werkgever in diens opdracht arbeid verricht voor een in Nederland gevestigde werkgever, rusten de verplichtingen welke voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover deze zijn aangeduid als strafbare feiten, mede op de hiervoor bedoelde in Nederland gevestigde werkgever.

- De regeling van het Arbeidstijdenbesluit berust op artikel 5:12 Arbeidstijdenwet.

- Overtreding van voorschriften vastgesteld krachtens artikel 5:12 Arbeidstijdenwet is strafbaar gesteld in artikel 1 (oud) Wet op de economische delicten.

- Sinds de wet van 18 april 2002, Staatsblad 2002, 238 luidt artikel 11:2 tweede lid als volgt: "Indien een werknemer een tot hem in de op grond van artikel 5:12, tweede lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur gerichte bepaling niet naleeft, kan in die maatregel worden bepaald, dat de werkgever wordt aangemerkt als degene die die bepaling niet heeft nageleefd."

- Artikel 91 van het Wetboek van Strafrecht luidt: "De bepalingen van de Titels I-VIII A van dit Boek zijn ook toepasselijk op feiten waarop bij andere wetten of verordeningen straf is gesteld, tenzij de wet anders bepaalt."

Het hof verwerpt ook dit verweer. De regeling van artikel 8 van het Arbeidstijdenbesluit kan niet worden gezien als een regeling die afwijkt noch ertoe strekt af te wijken van de in artikel 91 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde algemene bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, waaronder de bepalingen over daderschap en deelneming. Het verweer ziet eraan voorbij dat de regeling van artikel 8, tweede en derde lid Arbeidstijdenbesluit naast een regel betreffende stelplicht en bewijslast gedragsnormen voor de werkgever behelst van dezelfde aard als andere gedragsnormen in Arbeidstijdenbesluit en Arbeidstijdenwet, zij het dat wellicht de formulering in het tweede lid naar hedendaagse inzichten wat minder gelukkig is gekozen. Op strafbaar gestelde gedragingen van de werkgever in strijd met die gedragsnormen zijn de in het verweer bedoelde bepalingen daarom van toepassing, voor zover bij wet in formele zin althans niet anders is bepaald.

Een en ander blijkt naar het oordeel van het hof mede uit de voorgeschiedenis van de regeling van artikel 8 van het Arbeidstijdenbesluit, zoals in het kort verwoord in de Nota naar aanleiding van het verslag van wetsvoorstel 28146 dat ten grondslag heeft gelegen aan de wet van 18 april 2002 (Staatsblad 238 - Bijlagen Handelingen II, 2001-2002, nr. 5): "Bij de inwerkingtreding van het Arbeidstijdenbesluit vervoer op 1 december 1998 was het fictieve daderschap niet in het Arbeidstijdenbesluit vervoer opgenomen. Bij de inwerkingtreding in 1998 waren enkele bepalingen inzake de rij-, en rusttijden uit hoofdstuk 2 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer direct tot de werkgever gericht. Die bepalingen waren als volgt geformuleerd: "De werkgever organiseert de werkzaamheden zodanig dat ...". Voor het wegvervoer leverde deze formulering bewijslastproblemen op. Vanwege deze bewijslastproblemen is op 11 januari 2001 het "fictieve daderschap" in het Arbeidstijdenbesluit vervoer ingevoerd, (bij Besluit van 27 november 2000, Staatsblad 2001, 5)."

Uit de wetswijziging van 18 april 2002 (Staatsblad 238) - waarbij artikel 11:2, tweede lid Arbeidstijdenwet is ingevoerd - kan niet worden afgeleid dat de wetgever hierover een ander inzicht heeft, nu de wijziging er slechts toe strekte om onzekerheid over de juridische grondslag van de regeling - welke was ontstaan als gevolg van een uitspraak van een economische politierechter - weg te nemen."

3.4. Voor de beoordeling van het middel is het volgende wettelijke kader, zoals dat luidde ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen, van belang:

Art. 5:12 Arbeidstijdenwet:

"1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot bepaalde arbeid of arbeid onder bepaalde omstandigheden die afwijken van of strekken tot aanvulling van het bij paragraaf 5.2 bepaalde, ten aanzien van:

a. de rusttijd;

(...)

c. de arbeidstijd;

(...)

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen (...) regels worden gesteld die afwijken van, in de plaats komen van of strekken tot aanvulling van het bij paragraaf 5.2 bepaalde, ten aanzien van:

a. personen, werkzaam in of op railvoertuigen of motorrijtuigen

(...)."

Het Arbeidstijdenbesluit vervoer:

"Artikel 2.5:1: - 1.In plaats van de artikelen 5:3, tweede en derde lid, en 5:5, tweede lid, van de wet wordt dit artikel toegepast.

(...)

4. De bestuurder handelt overeenkomstig de artikelen 8 en 9 van verordening (EEG) nr. 3820/85.

Artikel 2.5:3: De bestuurder handelt overeenkomstig artikel 6 van verordening (EEG) nr. 3820/85.

Artikel 8:1: - 1. Het niet naleven van de artikelen (...) 2.5:1, vierde lid, 2.5:3 (...) levert een strafbaar feit op.

2. Behoudens (...) wordt, indien de bestuurder werknemer is, ingeval van het niet naleven van een tot de bestuurder gerichte bepaling de werkgever aangemerkt als degene die die bepaling niet heeft nageleefd.

3. Het tweede lid is niet van toepassing indien de werkgever aantoont dat door hem de nodige bevelen zijn gegeven, de nodige maatregelen zijn genomen, de nodige middelen zijn verschaft en het redelijkerwijs te vorderen toezicht is gehouden om de naleving van de bepaling te verzekeren."

Art. 1 WED:

"Economische delicten zijn:

(...)

4°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:

de Arbeidstijdenwet, (...) alsmede - voor zover aangeduid als strafbare feiten - het niet-naleven van de voorschriften krachtens de artikelen (...) 5:12, eerste en tweede lid;"

3.5. Uit de Nota van Toelichting op het KB van 27 november 2000, Stb. 2001, 5, tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer volgt dat de desbetreffende normen aldus zijn geformuleerd dat, evenals onder het regiem van de Rijtijdenwet 1936 het geval was en ook in de EEG verordening het uitgangspunt is, het erom gaat dat de voorgeschreven rij- en rusttijden worden inachtgenomen, alsmede dat indien de bestuurder geen werkgever of zelfstandige is, doch in dienst is bij een werkgever, de werkgever in beginsel de normadressaat is. Slechts indien blijkt dat de werkgever al hetgeen redelijkerwijze mogelijk is heeft gedaan om de naleving van de desbetreffende voorschriften te verzekeren, is de werknemer, als bestuurder, voor de overtreding aansprakelijk. Aldus komt deze regeling erop neer dat op de werkgever een in het derde lid van art. 8:1 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer nader bepaalde zorgplicht rust om overtreding van de voorschriften met betrekking tot rij- en rusttijden te voorkomen.

3.6. Uit het hiervoor weergegeven wettelijk kader volgt dat de norm alsmede de strafbaarstelling en sanctionering van overtreding daarvan, zijn gebaseerd op art. 5:12 Arbeidstijdenwet en art. 1 (oud) WED, zodat anders dan het middel stelt geen sprake is van strijd met art. 89, tweede lid, GW. Voorzover het middel er voorts over beoogt te klagen dat voor wat betreft bovenweergegeven art. 8:1, tweede lid, Arbeidstijdenbesluit vervoer sprake is van een, gelet op art. 91 Sr ongeoorloofde, afwijking van de deelnemingsregeling van Boek I van het Wetboek van Strafrecht faalt het eveneens. Art. 8:1 Arbeidstijdenbesluit vervoer behelst immers, zoals onder 3.5 is uiteengezet, een zelfstandige strafbaarstelling van schending van een zorgplicht door de werkgever, die niet kan worden beschouwd als een uitbreiding of afwijking van de in Titel V van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht geregelde deelnemingsvormen.

3.7. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 10 januari 2006.