Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU6787

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-01-2006
Datum publicatie
24-01-2006
Zaaknummer
00839/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU6787
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Onderzoek aan kleding; ernstige bezwaren. 2. Vermelding wijziging tenlastelegging in aanvulling van verkort arrest. Ad 1. In het licht van het verweer inhoudende dat geen redelijk vermoeden van schuld aanwezig was en dientengevolge ook geen ernstige bezwaren die tot een onderzoek aan kleding en lichaam konden leiden, kunnen ’s hofs vaststellingen, die mede betrekking hebben op hetgeen aan verdachtes kleding zichtbaar was toen hij op de Paardenmarkt terugkeerde, bezwaarlijk anders worden verstaan dan als inhoudende ’s hofs oordeel dat toen sprake was van ernstige bezwaren ex art. 9.2 Opiumwet. 2. Art. 138b, 359.1 en 365a Sv staan eraan in de weg dat in de aanvulling van een verkort arrest en niet in het verkort arrest zelf melding wordt gemaakt van de wijziging van de tenlastelegging. Dit leidt niet tot cassatie, omdat de in het verkort arrest opgenomen bewezenverklaring bezwaarlijk voor een andere uitleg vatbaar is dan dat het hof heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging zoals die in eerste aanleg is gewijzigd. Het verkort arrest vermeldt immers ook dat het is gewezen n.a.v. het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Door een kennelijke misslag is verzuimd om een kopie van de vordering wijziging tenlastelegging te hechten aan het verkort arrest. De HR leest het verkort arrest met verbetering van die misslag.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 53
Wetboek van Strafvordering 56
Wetboek van Strafvordering 138b
Wetboek van Strafvordering 359
Wetboek van Strafvordering 365a
Opiumwet
Opiumwet 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 46
RvdW 2006, 137
NBSTRAF 2006/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 januari 2006

Strafkamer

nr. 00839/05

PB/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 december 2004, nummer 23/001513-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1958, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring te Zwaag.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Alkmaar van 7 januari 2003 - de verdachte ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, aanhef, en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen op het verweer dat er geen sprake was van ernstige bezwaren die een onderzoek aan de kleding van de verdachte rechtvaardigden, hetgeen, aldus het verweer, tot bewijsuitsluiting diende te leiden.

4.2. De van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep deel uitmakende pleitnotities houden, voorzover hier van belang, in:

"In het dossier was geen redelijk vermoeden van schuld aanwezig op basis waarvan [verdachte] (en [betrokkene 1]) als verdachte konden worden beschouwd. Dientengevolge waren er ook geen ernstige bezwaren die tot een onderzoek aan kleding en lichaam konden leiden, welk onderzoek heeft geleid tot de vondst van de hierboven genoemde middelen. Zoals in eerste instantie betoogd is uitsluiting van bewijs in dit geval een passend middel. Art. 359a Sv. geeft ook andere mogelijkheden. In dit geval is er echter van overschrijding van bevoegdheden neergelegd in art. 53 en 56 Sv. Het belang van deze voorschriften is overduidelijk. Je kan toch iemand niet zomaar van de straat halen. Genoemde artikelen regelen de voorwaarden waaronder bepaalde dwangmiddelen mogen worden toegepast."

4.3. Het Hof heeft het verweer dat geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld dat de aanhouding van de verdachte rechtvaardigde, als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig was omdat er geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Het bewijsmateriaal dat hierdoor is verkregen moet, vanwege dit verzuim, van het bewijs worden uitgesloten.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende:

Op vrijdag 13 september 2002 zijn diverse locaties op de Paardenmarkt te Alkmaar door opsporingsambtenaren geobserveerd. Het is de politie ambtshalve bekend dat aldaar veelvuldig transacties plaatsvinden in verdovende middelen tussen verslaafden en dealers. Diezelfde dag wordt door surveillanten van politie, omstreeks 15.00 uur, geconstateerd dat een man, de latere verdachte [...], zich bevindt als passagier in een rode personenauto van het merk Opel, type Corsa. De surveillanten zien dat de verdachte naar de Paardenmarkt loopt en na 5 minuten terugkomt met achter zich aan diverse, de politie ambtshalve bekende, gebruikers. 10 minuten later zien zij de verdachte wegrijden in de rode Opel. Omstreeks 17.30 uur zien de surveillanten de verdachte wederom in de buurt van de Paardenmarkt. Zij zien dat zich bij zijn geslachtsdeel een onnatuurlijke opvallende verdikking bevindt. Zij observeren dat de verdachte zich wederom begeeft naar de Paardenmarkt en dat hij daar contact maakt met een persoon waarbij hij zijn vuist tegen de vuist van die ander slaat. Hierop is de verdachte aangehouden.

Het hof acht de aanhouding van de verdachte rechtmatig en verwerpt derhalve het verweer. Uit vorenomschreven feiten en omstandigheden konden de opsporingsambtenaren een redelijk vermoeden ontlenen dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan een op grond van de Opiumwet strafbaar gesteld feit."

4.4. In het licht van het verweer inhoudende dat geen redelijk vermoeden van schuld aanwezig was en dientengevolge ook geen ernstige bezwaren die tot een onderzoek aan kleding en lichaam konden leiden, kunnen de hiervoor onder 4.3 weergegeven vaststellingen van het Hof, die mede betrekking hebben op hetgeen aan de kleding van de verdachte zichtbaar was toen hij op de Paardenmarkt terugkeerde, bezwaarlijk anders worden verstaan dan als inhoudende het oordeel van het Hof dat toen sprake was van ernstige bezwaren in de zin van het hier toepasselijke art. 9, tweede lid, Opiumwet.

4.5. Het middel faalt dus.

5. Beoordeling van het derde middel

5.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 365a, tweede lid, Sv in de aanvulling op het verkort arrest de weergave van het tenlastegelegde heeft gewijzigd en dat daaruit voortvloeit dat het Hof bij de bewezenverklaring de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

5.2.1. Het verkort arrest houdt, voorzover hier van belang, in:

"Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen."

5.2.2. De aan dat verkort arrest gehechte kopie van de inleidende dagvaarding houdt in dat aan de verdachte wordt tenlastegelegd dat:

"hij op/of omstreeks 13 september 2002 in de gemeente Alkmaar opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 2,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 7,9 gram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde heroïne en/of cocaïne en/of amfetamine (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet;"

5.2.3. Daarvan is blijkens het verkort arrest bewezen verklaard dat:

"hij op 13 september 2002 in de gemeente Den Helder opzettelijk heeft verstrekt een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en in de gemeente Alkmaar en in de gemeente Den Helder opzettelijk heeft vervoerd 2,9 gram heroïne (diacetylmorfine) en ongeveer 5 gram cocaïne en ongeveer 7,9 gram amfetamine, zijnde heroïne en cocaïne en amfetamine middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede lid van artikel 2 van die wet."

5.2.4. De aanvulling op het verkort arrest houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Herstel misslag in het verkorte arrest van 29 december 2004

In het verkorte arrest staat per abuis niet vermeld dat er een wijziging tenlastelegging in eerste aanleg heeft plaatsgevonden. Onder Tenlastelegging moet derhalve komen te staan:

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 24 december 2002 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in de aanvulling verkort arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

(...)

Door dit herstel wordt de verdachte niet in enig belang geschaad."

5.2.5. De aan de aanvulling gehechte vordering tot wijziging van de tenlastelegging houdt in:

"dat na 'de gemeente Alkmaar' wordt gevoegd 'en/of in de gemeente Den Helder, althans in het arrondissement Alkmaar'."

5.3. De hier krachtens art. 415 Sv toepasselijke art. 138b, 359, eerste lid en 365a Sv staan eraan in de weg dat in de aanvulling van een verkort arrest en niet in dat verkort arrest zelf melding wordt gemaakt van de wijziging van de tenlastelegging. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

5.4. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden. De in het verkort arrest opgenomen bewezenverklaring is bezwaarlijk voor een andere uitleg vatbaar dan dat het Hof heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging zoals die blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank te Alkmaar van 24 december 2002 in eerste aanleg is gewijzigd. Het verkort arrest vermeldt immers dat het ook is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Door een kennelijke misslag is verzuimd om een kopie van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging te hechten aan het verkort arrest. De Hoge Raad leest het verkort arrest met verbetering van die misslag.

Een en ander brengt mee dat aan de klacht dat het Hof bij de bewezenverklaring de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten de feitelijke grondslag komt te ontvallen.

6. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 24 januari 2006.