Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU6776

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-01-2006
Datum publicatie
24-01-2006
Zaaknummer
00672/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU6776
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Weigerende observandus. Het hof heeft zonder instemming van verdachte voor de oplegging van tbs met dwangverpleging gebruik gemaakt van deskundigenrapporten die langer dan een jaar voor aanvang van de terechtzitting zijn gedagtekend. ’s Hofs oordeel dat zich de in art. 37.3 Sr bedoelde situatie voordoet, dat verdachte medewerking weigert aan een onderzoek als in die bepaling bedoeld, is onjuist noch onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat verdachte blijkens diens ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaring alleen aan zodanig onderzoek wilde meewerken op de door hem gestelde voorwaarde dat het onderzoek onder cameratoezicht zou geschieden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 47
NJ 2006, 108
RvdW 2006, 135
NBSTRAF 2006/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 januari 2006

Strafkamer

nr. 00672/05

IV/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 oktober 2004, nummer 22/005113-03 en 22/001673-04, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Iran) op [geboortedatum] 1980, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring "Demersluis" te Amsterdam.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 28 mei 2003 en van een vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 26 maart 2004 - de verdachte ter zake van 1 en 3 "belaging, meermalen gepleegd" en 2 primair "poging tot doodslag" veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf en daarbij bevolen dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.A. van Harmelen, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

2.3. Nadat de conclusie van de Advocaat-Generaal was genomen is bij de Hoge Raad een brief binnengekomen van de verdachte.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel berust op de stellig dat het Hof ten onrechte is uitgegaan van een "weigerende observandus" in de zin van art. 37, derde lid, Sr aangezien de verdachte uitdrukkelijk heeft gesteld te willen meewerken aan nader op te stellen psychologische- en psychiatrische rapportages.

3.2. Art. 37 Sr luidt voorzover hier van belang als volgt:

"1. De rechter kan gelasten dat degene aan wie een strafbaar feit wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend, in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst (...)

2. De rechter geeft een last als bedoeld in het eerste lid slechts nadat hij zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines - waaronder een psychiater - die de betrokkene hebben onderzocht. (...) Indien dit advies eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend kan de rechter hiervan slechts gebruik maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte.

3. Het tweede lid blijft buiten toepassing indien de betrokkene weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht. (...) De rechter doet zich zoveel mogelijk een ander advies of rapport, dat hem over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van een last als bedoeld in het eerste lid kan voorlichten en aan de totstandkoming waarvan de betrokkene wel bereid is om medewerking te verlenen, overleggen."

3.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 oktober 2004 houdt als verklaring van de verdachte - voorzover hier van belang - het volgende in:

"De voorzitter houdt mij voor dat er volgens het rapport van dr. Blansjaar, psychiater, sprake is van een zorgelijke situatie, dat er een aanzienlijk risico bestaat dat ik opnieuw in mijn fouten verval en ik geen inzicht in mijn ziekte heb. Hierop zeg ik dat ik het er absoluut mee oneens ben dat ik gek ben. De voorzitter houdt mij voor dat ook de forensisch psychiater Lopes Benoliel in diens rapport spreekt over een stoornis van de geestvermogens en een gebrek aan ziektebesef en ziekte-inzicht. Hierop zeg ik dat ik wil dat er een contra-expertise onder cameratoezicht wordt verricht aangezien er in de thans voorhanden zijnde rapporten steeds dezelfde onzin wordt vermeld. De voorzitter houdt mij voor dat ik aanvankelijk bereid was mijn medewerking te verlenen aan een onderzoek door het Pieter Baan Centrum te Utrecht, doch dat ik hier later toch weer niet bereid toe bleek te zijn. Hierop zeg ik dat ik niet meer vertrouw op de psychologische en psychiatrische rapporten van justitie. In de verschillende rapporten komen veel dingen voor waar ik het niet mee eens ben, bijvoorbeeld dat ik geen vrienden zou hebben. Het is net alsof de verschillende rapporten één rapport vormen. De klinisch psycholoog Hoek en de forensisch psychiater Lopes Benoliel hebben precies hetzelfde opgeschreven als Blansjaar. Ik wil best meewerken aan de totstandkoming van nadere rapportage doch alleen indien dit geschiedt onder cameratoezicht. Er mankeert niets aan mijn geestelijke gesteldheid."

3.4. Het Hof heeft in het bestreden arrest ter motivering van de op te leggen straf en maatregel - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende overwogen:

"Het hof heeft in dit verband ook overwogen dat de verdachte aanvankelijk bereid was zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek door het Pieter Baan Centrum te Utrecht, [terwijl] hij hier later, blijkens de rapportage d.d. 28 januari 2004 van de psycholoog J.B. Seinen en de psychiater T.A. Wouters van het Pieter Baan Centrum, toch weer niet bereid toe was en thans aan het verrichten van nader onderzoek voorwaarden stelt en voorts aangeeft geen vertrouwen meer te hebben in justitiële psychologische en psychiatrische rapportage.

(...)

Het hof is voorts van oordeel dat - gelet op de in vorengenoemde forensisch psychiatrische, psychiatrische en psychologische rapporten voormelde persoonlijkheidsstructuur van de verdachte - het belang van de veiligheid van anderen en van de algemene veiligheid van personen en goederen vordert dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld. Aangezien blijkens die rapporten, waarvan het hof gebruik maakt nu de verdachte geweigerd heeft medewerking te verlenen aan een onderzoek en rapportage door het Pieter Baan Centrum, bovendien sprake is van een dusdanig gevaar voor recidive dat niet met enkel terbeschikkingstelling kan worden volstaan doch dwangverpleging is aangewezen, zal het hof, nu daarvoor aan de wettelijke voorwaarden bedoeld in de artikelen 37a, eerste lid, en artikel 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is voldaan, de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten, met bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd."

3.5. Het Hof heeft zonder instemming van de verdachte voor de oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging gebruik gemaakt van deskundigenrapporten die langer dan een jaar voor aanvang van de terechtzitting zijn gedagtekend. Het Hof heeft klaarblijkelijk geoordeeld dat zich hier de in art. 37, derde lid, Sr bedoelde situatie voordoet, namelijk dat de verdachte medewerking weigert aan een onderzoek als in die bepaling bedoeld. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is, in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens diens ter terechtzitting van het Hof afgelegde verklaring alleen aan zodanig onderzoek wilde meewerken op de door hem gestelde voorwaarde dat het onderzoek onder cameratoezicht zou geschieden.

3.6. Het middel faalt.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 24 januari 2006.