Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU6282

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2006
Datum publicatie
10-01-2006
Zaaknummer
00506/05 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU6282
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Arbeidstijdenbesluit vervoer art. 8:1.2. Wettelijke basis aansprakelijkstelling werkgever voor overtredingen werknemers. Uit de NvT op het KB van 27-11-00, Stb. 2001, 5, tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer volgt dat de desbetreffende normen aldus zijn geformuleerd dat, evenals onder het regiem van de Rijtijdenwet 1936 het geval was en ook in de EEG verordening het uitgangspunt is, het erom gaat dat de voorgeschreven rij- en rusttijden worden inachtgenomen, alsmede dat indien de bestuurder geen werkgever of zelf-standige is, doch in dienst is bij een werkgever, de werkgever in beginsel de normadressaat is. Slechts indien blijkt dat de werkgever al hetgeen redelijkerwijze mogelijk is heeft gedaan om de naleving van de desbetreffende voorschriften te verzekeren, is de werknemer, als be-stuurder, voor de overtreding aansprakelijk. Aldus komt deze regeling erop neer dat op de werkgever een in het derde lid van art. 8:1 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer nader bepaalde zorgplicht rust om overtreding van de voorschriften met betrekking tot rij- en rusttijden te voorkomen. Uit het hiervoor weergegeven wettelijk kader volgt dat de norm alsmede de strafbaarstelling en sanctionering van overtreding daarvan, zijn gebaseerd op art. 5:12 Arbeidstijdenwet en art. 1 (oud) WED, zodat anders dan het middel stelt geen sprake is van strijd met art. 89.2 GW. Voorzover het middel er voorts over beoogt te klagen dat voor wat betreft bovenweergegeven art. 8:1.2 Arbeidstijdenbesluit vervoer sprake is van een, gelet op art. 91 Sr ongeoorloofde, afwijking van de deelnemingsregeling van Boek I Sr faalt het eveneens. Art. 8:1 Arbeidstijdenbesluit vervoer behelst immers een zelfstandige strafbaarstelling van schending van een zorgplicht door de werkgever, die niet kan worden

beschouwd als een uitbreiding of afwijking van de in Titel V van het Eerste Boek Sr geregelde deelnemingsvormen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 9
NJ 2006, 67
RvdW 2006, 91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2006

Strafkamer

nr. 00506/05 E

EC/JH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Economische Kamer, van 17 december 2004, nummer 22/003494-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 18 maart 2003 - de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 5.12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet, begaan door een rechtspersoon, dertienmaal gepleegd" veroordeeld tot:

1. een geldboete van € 360,-,

2. een geldboete van € 540,-,

3. een geldboete van € 440,-,

4. een geldboete van € 220,-,

5. een geldboete van € 540,-,

6. een geldboete van € 440,-,

7. een geldboete van € 330,-,

8. een geldboete van € 540,-,

9. een geldboete van € 1000,-,

10. een geldboete van € 220,-,

11. een geldboete van € 540,-,

12. een geldboete van € 440,-,

13. een geldboete van € 1000,-.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V.Q. Vallenduuk, advocaat te Haarlem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. Het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal is niet binnen de bij de wet gestelde termijn binnengekomen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte niet heeft geoordeeld dat een wettelijke basis voor de aansprakelijkstelling van de verdachte als werkgever voor overtredingen van zijn werknemers ontbrak, nu art. 8:1, tweede lid, Arbeidstijdenbesluit vervoer, zoals dit luidde ten tijde van de tenlastegelegde feiten, niet berustte op een delegatiebepaling opgenomen in een formele wet.

3.2. Het gaat in deze zaak om 13 overtredingen van een voorschrift gesteld bij of krachtens art. 5:12, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet, begaan door de verdachte in haar hoedanigheid van werkgever. Bedoelde voorschriften zijn neergelegd in het Arbeidstijdenbesluit vervoer en betreffen de rij- en rusttijden die een bestuurder in acht dient te nemen. De overtredingen vonden plaats in de periode van 13 juni 2001 tot en met 26 april 2002.

3.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt weergegeven en verworpen:

"Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat artikel 8:1 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer ten tijde van de tenlastegelegde feiten (juni 2001 - april 2002) niet was gebaseerd op een wet in formele zin en derhalve onverbindend is, zodat de verdachte moet worden ontslagen van rechtsvervolging.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Vooraf dient te worden opgemerkt dat bij Koninklijk Besluit van 27 november 2000, Staatsblad 2001, 5, het Arbeidstijdenbesluit vervoer is gewijzigd. Als gevolg daarvan luiden met ingang van 10 januari 2001 de artikelen 2.5:1, vierde lid, 2.5:3 en 8:1 Arbeidstijdenbesluit vervoer, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 2.5:1, vierde lid, Arbeidstijdenbesluit vervoer:

"De bestuurder handelt overeenkomstig de artikelen 8 en 9 van verordening (EEG) nr. 3820/85."

- Artikel 2.5:3 Arbeidstijdenbesluit vervoer:

"De bestuurder handelt overeenkomstig artikel 6 van verordening (EEG) nr. 3820/85."

- Artikel 8:1 Arbeidstijdenbesluit vervoer:

"1. Het niet naleven van de artikelen (...) 2.5:1, vierde lid, 2.5:3 (...) levert een strafbaar feit op.

2. Behoudens (...) wordt, indien de bestuurder werknemer is, ingeval van het niet naleven van een tot de bestuurder gerichte bepaling de werkgever aangemerkt als degene die die bepaling niet heeft nageleefd.

3. Het tweede lid is niet van toepassing indien de werkgever aantoont dat door hem de nodige bevelen zijn gegeven, de nodige maatregelen zijn genomen, de nodige middelen zijn verschaft en het redelijkerwijs te vorderen toezicht is gehouden om de naleving van de bepaling te verzekeren."

De regeling van het Arbeidstijdenbesluit berust op artikel 5:12 Arbeidstijdenwet. Overtreding van voorschriften vastgesteld krachtens artikel 5:12 Arbeidstijdenwet is strafbaar gesteld in artikel 1 (oud) van de Wet op de economische delicten.

Bij wet van 18 april 2002, Staatsblad 2002,238, in werking getreden op 23 juli 2002, is er een tweede lid aan dit artikel toegevoegd, dat luidt:

"Indien een werknemer een tot hem in de op grond van artikel 5:12, tweede lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur gerichte bepaling niet naleeft, kan in die maatregel worden bepaald, dat de werkgever wordt aangemerkt als degene die die bepaling niet heeft nageleefd."

Voor inwerkingtreding van de hierboven genoemde bepalingen uit het Arbeidstijdenbesluit vervoer waren de artikelen 2.5:1, vierde lid, en 2.5:3 Arbeidstijdenbesluit vervoer gericht tot de werkgever in plaats van tot de bestuurder, en hielden zij in dat de werkgever de arbeid zodanig organiseert dat de werknemer niet in strijd handelt met de artikelen 8 en 9 respectievelijk artikel 6 EEG verordening 3820/85.

Met de wetswijziging die heeft geleid tot de hiervoor genoemde bepalingen, is de wetgever in verband met de handhaafbaarheid weer teruggekeerd bij de formulering van de aansprakelijkheid van de werkgever zoals die gold voor de inwerkingtreding van de Arbeidstijdenwet onder de oude Rijtijdenwet 1936, inhoudende:

"Indien een persoon, die in dienstbetrekking als bemanningslid werkzaam is, in strijd handelt met het bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in artikel l, bepaalde wordt zijn werkgever geacht het feit te hebben gepleegd." (Artikel 3, eerste lid).

In de in casu toepasselijke regelgeving is het "fictieve daderschap" echter, anders dan onder de Rijtijdenwet 1936, niet bij of krachtens de wet geregeld, maar bij Koninklijk Besluit. De vraag is of dat in dit geval moet leiden tot onverbindendheid van de bepaling. Vooropgesteld moet worden dat uit de wetsgeschiedenis bij de verschillende wetswijzigingen blijkt dat het steeds de bedoeling van de wetgever is geweest om de werkgever aan te merken als degene die de overtreding pleegt. In verband met die omstreden onverbindendheid heeft de wetgever voor de zekerheid, bij Wet van 18 april 2002 (Staatsblad 2002, 238, inwerkingtreding 23 juli 2002) weer een formeelwettelijke basis gegeven aan het fictieve daderschap, teneinde - zo blijkt uit de Memorie van Toelichting - te voorkomen dat de normering voor rij- en rusttijden niet adequaat kan worden gehandhaafd:

"De Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit vervoer vervangen voor het wegvervoer de Rijtijdenwet 1936 -en het daarop gebaseerde Rijtijdenbesluit. In het Arbeidstijdenbesluit vervoer is aangesloten bij de Europese verordening inzake rij- en rusttijden (Verordening 3820/85EEG). Voor de aansprakelijkheid voor de naleving van de gestelde normen is het beleid van de Rijtijdenwet 1936 voortgezet. Dit betekent dat de werkgever in beginsel verantwoordelijk is voor de naleving van de wettelijke voorschriften."

De regelgeving zoals die in het onderhavige geval geldt verdient niet de schoonheidsprijs, maar het verband tussen het verbod (artikel 2.5:1, vierde lid, respectievelijk 2.5:3 juncto 8:1, tweede lid, Arbeidstijdenbesluit vervoer) en het in artikel 1 van de Wet op de economische delicten genoemde artikel waarop het verbod is gebaseerd (artikel 5:12 Arbeidstijdenwet) is er wel.

In aanmerking genomen dat de wetgever die wettelijke basis wel heeft willen geven en het feit dat de functie van de verbindendheidscontrole door de rechter er met name toe dient om te onderzoeken of de besluitgever de hem gestelde grenzen niet heeft overschreden, zou onverbindendverklaring van de bedoelde bepaling zijn doel voorbij schieten en in strijd zijn met de bedoeling van de wetgever.

Gelet op het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat artikel 8:1, tweede lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer, niet onverbindend is. Het hof verwerpt dan ook het verweer."

3.4. Voor de beoordeling van het middel is het volgende wettelijke kader, zoals dat luidde ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen, van belang:

Art. 5:12 Arbeidstijdenwet:

"1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot bepaalde arbeid of arbeid onder bepaalde omstandigheden die afwijken van of strekken tot aanvulling van het bij paragraaf 5.2 bepaalde, ten aanzien van:

a. de rusttijd;

(...)

c. de arbeidstijd;

(...)

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen (...) regels worden gesteld die afwijken van, in de plaats komen van of strekken tot aanvulling van het bij paragraaf 5.2 bepaalde, ten aanzien van:

a. personen, werkzaam in of op railvoertuigen of motorrijtuigen

(...)."

Het Arbeidstijdenbesluit vervoer:

"Artikel 2.5:1: - 1.In plaats van de artikelen 5:3, tweede en derde lid, en 5:5, tweede lid, van de wet wordt dit artikel toegepast.

(...)

4. De bestuurder handelt overeenkomstig de artikelen 8 en 9 van verordening (EEG) nr. 3820/85.

Artikel 2.5:3: De bestuurder handelt overeenkomstig artikel 6 van verordening (EEG) nr. 3820/85.

Artikel 8:1: - 1. Het niet naleven van de artikelen (...) 2.5:1, vierde lid, 2.5:3 (...) levert een strafbaar feit op.

2. Behoudens (...) wordt, indien de bestuurder werknemer is, ingeval van het niet naleven van een tot de bestuurder gerichte bepaling de werkgever aangemerkt als degene die die bepaling niet heeft nageleefd.

3. Het tweede lid is niet van toepassing indien de werkgever aantoont dat door hem de nodige bevelen zijn gegeven, de nodige maatregelen zijn genomen, de nodige middelen zijn verschaft en het redelijkerwijs te vorderen toezicht is gehouden om de naleving van de bepaling te verzekeren."

Art. 1 WED:

"Economische delicten zijn:

(...)

4°. overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:

de Arbeidstijdenwet, (...) alsmede - voor zover aangeduid als strafbare feiten - het niet-naleven van de voorschriften krachtens de artikelen (...) 5:12, eerste en tweede lid;"

3.5. Uit de Nota van Toelichting op het KB van 7 november 2000, Stb. 2001, 5, tot wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer volgt dat de desbetreffende normen aldus zijn geformuleerd dat, evenals onder het regiem van de Rijtijdenwet 1936 het geval was en ook in de EEG verordening het uitgangspunt is, het erom gaat dat de voorgeschreven rij- en rusttijden worden inachtgenomen, alsmede dat indien de bestuurder geen werkgever of zelfstandige is, doch in dienst is bij een werkgever, de werkgever in beginsel de normadressaat is. Slechts indien blijkt dat de werkgever al hetgeen redelijkerwijze mogelijk is heeft gedaan om de naleving van de desbetreffende voorschriften te verzekeren, is de werknemer, als bestuurder, voor de overtreding aansprakelijk. Aldus komt deze regeling erop neer dat op de werkgever een in het derde lid van art. 8:1 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer nader bepaalde zorgplicht rust om overtreding van de voorschriften met betrekking tot rij- en rusttijden te voorkomen.

3.6. Uit het hiervoor weergegeven wettelijk kader volgt dat de norm alsmede de strafbaarstelling en sanctionering van overtreding daarvan, zijn gebaseerd op art. 5:12 Arbeidstijdenwet en art. 1 (oud) WED, zodat anders dan het middel stelt geen sprake is van strijd met art. 89, tweede lid, GW. Voorzover het middel er voorts over beoogt te klagen dat voor wat betreft bovenweergegeven art. 8:1, tweede lid, Arbeidstijdenbesluit vervoer sprake is van een, gelet op art. 91 Sr ongeoorloofde, afwijking van de deelnemingsregeling van Boek I van het Wetboek van Strafrecht faalt het eveneens. Art. 8:1 Arbeidstijdenbesluit vervoer behelst immers, zoals onder 3.5 is uiteengezet, een zelfstandige strafbaarstelling van schending van een zorgplicht door de werkgever, die niet kan worden beschouwd als een uitbreiding of afwijking van de in Titel V van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht geregelde deelnemingsvormen.

3.7. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 10 januari 2006.