Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU5684

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-02-2006
Datum publicatie
03-02-2006
Zaaknummer
C04/308HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU5684
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geschil tussen de advocaat van een inmiddels overleden patiënt en aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis over de vraag of het recht van de patiënt op vergoeding van immateriële schade (smartengeld) is overgegaan op diens erven; vraag of de advocaat een mededeling in de zin van art. 6:106 lid 2 BW heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2006, 121
JOL 2006, 64
RvdW 2006, 164
VR 2006, 77
JWB 2006/41
JA 2006/36 met annotatie van K. Aantjes
PS-Updates.nl 2019-0269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 februari 2006

Eerste Kamer

Nr. C04/308HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. G.C. Makkink,

t e g e n

de vennootschap naar buitenlands recht ST. PAUL INTERNATIONAL INSURANCE COMPANY LIMITED,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: St. Paul - heeft bij exploot van 9 april 2002 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [eiser] te veroordelen om aan St. Paul te betalen een bedrag van € 18.151,21 (ƒ 40.000,--), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2001, althans vanaf de dag der dagvaarding, en

2. [eiser] te veroordelen tot betaling van de kosten van preprocessuele rechtsbijstand van € 3.976,57, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf der dag der dagvaarding.

[Eiser] heeft de vorderingen bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 12 december 2002 [eiser] veroordeeld aan St. Paul te betalen een bedrag van € 18.151,21, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, [eiser] in de kosten van de procedure aan de zijde van St. Paul veroordeeld, dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. St. Paul heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 29 juni 2004 heeft het hof in het principaal en in het incidenteel hoger beroep het vonnis van de rechtbank van 12 december 2002 bekrachtigd, [eiser] in de kosten van het principaal appel aan de zijde van St. Paul veroordeeld, St. Paul in de kosten van het incidenteel appel aan de zijde van [eiser] veroordeeld, dit arrest, voor zover het de proceskosten-veroordeling in het incidenteel appel betreft, uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

St. Paul heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor St. Paul mede door mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 29 juni 2004 en tot verwijzing van de zaak.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Wat betreft de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar de punten 1-7 van de conclusie van de Procureur-Generaal en naar het hiervoor onder 1 overwogene.

Kort samengevat gaat het in cassatie om het volgende.

(i) [Betrokkene 1] heeft in juni 1997 een hersenoperatie ondergaan in het Academisch Ziekenhuis Utrecht (hierna: het ziekenhuis), na welke operatie hij letsel heeft opgelopen.

(ii) [Eiser] heeft als advocaat van [betrokkene 1] een brief gedateerd 18 september 1998 gestuurd aan het ziekenhuis met voorzover in deze procedure van belang de volgende inhoud:

"Hierbij bericht ik u in vervolg op mijn brief van 29 mei jl. in verband met bovenvermelde zaak dat cliënt, [betrokkene 1], u aansprakelijk stelt voor de schade die het gevolg is van het letsel dat hij heeft opgelopen in uw ziekenhuis in aansluiting op de hersenoperatie die op 24 juni 1997 bij hem is uitgevoerd (...)"

(iii) Op 15 maart 1999 is [betrokkene 1] overleden.

(iv) St. Paul, de aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis, heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat het recht van [betrokkene 1] op smartengeld bij gebreke van een mededeling in de zin van art. 6:106 lid 2 BW niet op diens erven is overgegaan en dat het nalaten zo'n mededeling te doen een beroepsfout van [eiser] vormt. Zij stelt dat de erven te dier zake een vordering tot vergoeding van vermogensschade jegens [eiser] toekomt gelijk aan het bedrag van ƒ 40.000,-- waarop het smartengeld in een vaststellingsovereenkomst van 11 april 2001 tussen St. Paul en de erven is bepaald, en dat zij deze vordering vervolgens, tegen betaling van dat bedrag, krachtens cessie heeft gekregen. St. Paul heeft van [eiser] betaling van het bedrag in kwestie gevorderd. Deze vordering is door de rechtbank toegewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

3.2 Het middel houdt, kort gezegd, de klacht in dat het oordeel van het hof dat het ziekenhuis uit de hiervóór in 3.1 onder (ii) vermelde brief van 18 september 1998 redelijkerwijs niet behoefde af te leiden dat [betrokkene 1] daadwerkelijk genoegdoening van ander nadeel dan vermogensschade wenste, onbegrijpelijk is, althans blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

3.3 Het recht op vergoeding van immateriële schade is een hoogstpersoonlijk recht in dier voege dat de benadeelde zelf moet laten blijken dat hij genoegdoening voor ander nadeel dan vermogensschade wenst (HR 20 september 2002, nr. C00/328, NJ 2004, 112). In de onderhavige procedure is uitgangspunt dat aan dit vereiste is voldaan. St. Paul heeft slechts aangevoerd dat de brief van 18 september 1998 niet de door art. 6:106 lid 2 BW vereiste mededeling aan het ziekenhuis inhield dat [betrokkene 1] op vergoeding van immateriële schade aanspraak maakte, en dat [eiser] door die mededeling niet in de brief op te nemen een beroepsfout heeft begaan.

Het middel bestrijdt terecht niet het oordeel van het hof in rov. 4.2.2 dat voor het antwoord op de vraag of een mededeling aangemerkt kan worden als een mededeling van de benadeelde ([betrokkene 1]) waarin deze aanspraak maakt op smartengeld bepalend is de betekenis die degene tot wie de mededeling was gericht (het ziekenhuis) daaraan in de gegeven omstandigheden heeft toegekend en heeft mogen toekennen. In het licht van de strekking van art. 6:106 lid 2, zoals deze naar voren komt uit de in de conclusie van de Procureur-Generaal weergegeven ontstaansgeschiedenis van deze bepaling en de Kamerstukken betreffende wetsvoorstel 28781 (zie punt 13 van de conclusie), is er geen reden om aan de inhoud van de bedoelde mededeling verdergaande eisen te stellen.

3.4 Ten aanzien van de vraag welke betekenis in dit opzicht moet worden gehecht aan de brief van 18 september 1998 overwoog het hof vervolgens:

"(...) In de brief van 18 september 1998 van [eiser] (...) is uitsluitend sprake van een algemene aansprakelijkstelling van het ziekenhuis voor de schade als gevolg van het opgelopen letsel (eerste alinea), wordt vervolgens uiteengezet waarop die aansprakelijkheid zou berusten en wordt besloten met de vraag of het ziekenhuis aansprakelijkheid aanvaardt (laatste alinea). Het ziekenhuis behoefde uit deze brief redelijkerwijs niet af te leiden dat de benadeelde daadwerkelijk genoegdoening van ander nadeel dan vermogensschade wenste. Het hof verwijst ook naar hetgeen het onder 4.2.5 zal overwegen."

In rov. 4.2.5 komt het hof tot het oordeel dat de reactie van St. Paul namens het ziekenhuis geen erkenning inhoudt dat het ziekenhuis/St. Paul de brief van 18 september 1998 daadwerkelijk heeft begrepen als mede strekkend tot het verkrijgen van vergoeding van immateriële schade.

3.5 Het middel wijst in de onderdelen A en B op hetgeen [eiser] gesteld heeft omtrent de door [betrokkene 1] geleden schade en wat het ziekenhuis daarover bekend was - welke stellingen kort samengevat inhielden dat [betrokkene 1] een ernstige hersenbeschadiging had opgelopen en zijn schade aldus in belangrijke en omvangrijke mate uit ander nadeel dan vermogensschade bestond en dat dit aan het ziekenhuis bekend was -, en wijst voorts erop dat uit art. 6:95 in verbinding met art. 6:106 voortvloeit dat [betrokkene 1] recht had op vergoeding van zowel vermogensschade als ander nadeel, en dat het naar de thans in de maatschappij heersende opvattingen algemeen gebruikelijk is om in dergelijke gevallen van ernstige letselschade niet slechts vergoeding van vermogensschade te vorderen. Het klaagt terecht dat in het licht van dit een en ander zonder nadere, door het hof niet gegeven, motivering niet begrijpelijk is waarom het ziekenhuis de mededeling in de brief van 18 september 1998 dat [betrokkene 1] het ziekenhuis aansprakelijk stelde "voor de schade die het gevolg is van het letsel dat hij heeft opgelopen (...)" niet behoefde op te vatten als mede betrekking hebbend op immateriële schade.

Nu deze klacht slaagt, behoeft het middel voor het overige geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 29 juni 2004;

verwijst het geding naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt St. Paul in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 829,96 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, E.J. Numann, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 3 februari 2006.