Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU4790

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-01-2006
Datum publicatie
27-01-2006
Zaaknummer
C05/022HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU4790
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2004:AR2197
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geschil tussen voormalige echtelieden omtrent de rechtsgeldigheid van een staande huwelijk (buiten gemeenschap van goederen) gesloten overeenkomst ter verrekening van gelden door de man aan de vrouw ter beschikking gesteld voor de financiering van de verkrijging van een pand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 58
RvdW 2006, 134
JWB 2006/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 januari 2006

Eerste Kamer

Nr. C05/022HR

RM/JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

[de man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. K.G.W. van Oven.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft bij exploot van 17 augustus 1994 verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Gravenhage en, voorzover in cassatie van belang, gevorderd de overeenkomst tussen partijen van 30 april 1982 nietig te verklaren, althans de overeenkomst te vernietigen.

De man heeft de vordering bestreden en zijnerzijds in reconventie gevorderd, kort gezegd:

a. te verklaren voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig is;

b. (na wijziging van eis) te verklaren voor recht dat de antiquiteiten, zilveren voorwerpen, alsmede de boeken met betrekking tot kunstnijverheid en zilver welke door hem zijn aangekocht staande het huwelijk en als vermeld op de als productie 7 bij conclusie van repliek overgelegde lijst (hierna: de lijst) uitsluitend hem in eigendom toebehoren.

De vrouw heeft de vorderingen van de man bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 31 januari 1996 in conventie de vordering afgewezen en in reconventie de vordering onder (a) toegewezen, maar de vordering onder (b) afgewezen.

Tegen dit vonnis hebben zowel de vrouw als de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. In hoger beroep heeft de vrouw haar eis vermeerderd met, voor zover in cassatie van belang, een vordering tot verklaring voor recht dat de op de lijst vermelde voorwerpen toebehoren aan de vrouw.

Op verzoek van de man heeft het hof bij tussenarrest van 14 juni 2000 beide zaken gevoegd. Na een tussenarrest van 27 maart 2002, waarbij het hof het verzoek van de man om opdracht te geven tot een onderzoek naar de authenticiteit van de door hem ter griffie gedeponeerde origineel van de akte van 30 april 1982 heeft afgewezen, en verder processueel debat heeft het hof bij eindarrest van 15 september 2004 het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover daarbij in reconventie de vordering onder b. is afgewezen. In zoverre opnieuw rechtdoende, heeft het hof alsnog voor recht verklaard dat de op de lijst vermelde voorwerpen de man uitsluitend in eigendom toebehoren, het vonnis voor het overige bekrachtigd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het tussenarrest van 27 maart 2002 en het eindarrest van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen laatstgenoemde arresten van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaar-ding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof van 15 september 2004 en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De vrouw en de man zijn op 25 februari 1970 te Voorburg buiten gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

(ii) Bij beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 juli 1994 is tussen partijen echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 20 november 1995 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

(iii) Een op 30 april 1982 gedagtekende onderhandse akte (hierna ook: de overeenkomst) houdt onder meer in dat de vrouw, ter verrekening van de gelden door de man aan haar ter beschikking gesteld voor de financiering van de verkrijging van het gehele pand [a-straat 1] te [plaats A], de helft van voormeld pand in economische eigendom aan de man overdraagt, "die deze overdracht aanneemt, zodat bij een ontbinding van het huwelijk tussen ondergetekenden beide partijen ieder voor de helft gerechtigd zullen zijn in de waarde van het onroerend goed na aftrek van de op dat moment openstaande hypothecaire schuld".

Blijkens de akte had de vrouw tezamen met haar zuster de onverdeelde eigendom van voormeld pand en heeft zij haar zuster "uitgekocht" voor een bedrag van ƒ 178.200,--.

3.1.2 De vrouw heeft in conventie gevorderd - kort gezegd en voor zover in cassatie van belang - nietigverklaring althans vernietiging van de overeenkomst. De man heeft de vordering van de vrouw bestreden en in reconventie gevorderd - kort gezegd - (a) een verklaring voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig is en (b) (na wijziging van eis) een verklaring voor recht dat de op een overgelegde lijst vermelde voorwerpen (antiek, zilver en boeken) uitsluitend hem in eigendom toebehoren.

3.1.3 De rechtbank heeft in conventie de vordering van de vrouw afgewezen en in reconventie de vordering van de man onder (a) toegewezen, doch de vordering onder (b) afgewezen.

3.1.4 De vrouw en de man zijn ieder voor zich van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gekomen. De vrouw heeft haar eis vermeerderd met - onder meer - een vordering tot verklaring voor recht dat de op de bedoelde lijst vermelde voorwerpen aan haar toebehoren. Het hof heeft de zaken gevoegd.

3.1.5 In het tussenarrest heeft het hof het verzoek van de man afgewezen om opdracht te geven tot een onderzoek naar de authenticiteit van het door hem ter griffie gedeponeerde origineel van de akte van 30 april 1982. In het eindarrest heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover daarbij in reconventie de vordering onder (b) is afgewezen en alsnog voor recht verklaard dat de op de lijst vermelde voorwerpen uitsluitend de man in eigendom toebehoren, het vonnis voor het overige bekrachtigd en het anders of meer gevorderde afgewezen.

3.2 De onderdelen I.1-I.5 van het middel komen met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van het hof dat, anders dan de vrouw heeft gesteld, niet aannemelijk is dat de man de ter griffie gedeponeerde akte van 30 april 1982 heeft vervalst of gemanipuleerd.

De in deze onderdelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.3.1 Onderdeel II van het middel richt zich tegen de verwerping door het hof van de grieven 7 en 2 van de vrouw. In grief 7 voerde de vrouw aan dat de rechtbank haar ten onrechte gebonden heeft geacht aan de overeenkomst. Volgens de vrouw verzetten de redelijkheid en billijkheid zich tegen uitvoering van de overeenkomst, omdat - kort gezegd - de man door de transactie ten nadele van de vrouw is bevoordeeld. In grief 2 voerde de vrouw aan dat bij uitvoering van de overeenkomst sprake is van een ongeoorloofde schenking.

De overwegingen 19 en 23 van het hof, waartegen het onderdeel zich richt, luiden als volgt:

"19. (...) Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de betaling van f 178.200,00 - inzake aankoop van de helft van het woonhuis aan de [a-straat] te [plaats A] - aan de zuster van de vrouw geheel ten laste van de man is gekomen. Door de vrouw is in het geding gebracht de eindafrekening opgesteld door notaris [notaris 1] voornoemd. Het hof verwijst naar deze afrekening. Uit de eindafrekening volgt:

• overmaking inzake verkoop huis [b-straat 1] te [plaats A] f 48.507,00,

• restitutie extra rente f 10.053,33,

• uit te betalen aan [de zuster] te [plaats B] f 178.200,00,

• resteert f 132.452,00.

De woning aan de [b-straat 1] behoorde in volle eigendom toe aan de man.

In punt 8 van de conclusie van repliek heeft de vrouw erkend dat het resterende gedeelte van het bedrag van f 260.000,00, zijnde dit f 132.452,00, is aangewend voor de verbouwing van de woning aan de [a-straat] te [plaats A]. (...). Naar het oordeel van het hof behoort overeenkomstig de regels van zaaksvervanging tot het eigen vermogen van de man de netto-opbrengst van het woonhuis [b-straat 1] te [plaats A]. Hieronder verstaat het hof in dit geval het bedrag van f 48.507,00 en het bedrag dat de man aan boete rente heeft terugontvangen van f 10.053,33 in totaal f 58.560,33. Uitgaande van de niet weersproken stelling van de man dat hij van de hypothecaire geldlening van f 260.000,00 een bedrag van f 120.000,- voor zijn eigen rekening neemt, brengt dit met zich mede dat de man het aandeel van de zuster van de vrouw in de woning aan de [a-straat] te [plaats A] heeft gefinancierd. Naar het oordeel van het hof is het niet onredelijk dat de man voor de door hem gedane investering in de woning aan de [a-straat] te [plaats A] voor de helft gerechtigd is in de vorm van economische eigendom. Op grond daarvan is het hof van oordeel dat de man door de onderhavige transactie - zoals vastgelegd in de onderhandse akte van 30 april 1982 - niet is bevoordeeld.

(...)

23. In grief 2 stelt de vrouw dat er sprake is van een ongeoorloofde schenking. Het hof leest deze grief in die zin dat de vrouw van mening is dat de rechtbank ten onrechte niet heeft overwogen dat er sprake is van een ongeoorloofde schenking tussen de man en de vrouw indien uitvoering wordt gegeven aan hetgeen in de onderhandse akte van 30 april 1982 is vastgelegd. Gezien het hof in rechtsoverweging 19 heeft gesteld behoeft deze grief geen verdere bespreking. Van schenking tussen de man en de vrouw is naar het oordeel van het hof geen sprake. Ook grief 2 treft geen doel."

3.3.2 Onderdeel II.1 klaagt dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rov. 19 dat de vrouw niet heeft weersproken de stelling van de man dat hij van de hypothecaire geldlening van ƒ 260.000,-- een bedrag van ƒ 120.000,-- voor zijn eigen rekening neemt.

3.3.3 Het onderdeel slaagt. De in het onderdeel aangeduide passages uit de gedingstukken in hoger beroep laten geen andere conclusie toe dan dat de vrouw de voormelde stelling van de man gemotiveerd heeft betwist. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is het gewraakte oordeel van het hof dan ook niet begrijpelijk.

3.3.4 Onderdeel II.2 betreft rov. 19 van het hof en klaagt dat het hof onvoldoende duidelijk heeft gemaakt hoe de berekening op basis van de eindafrekening opgesteld door notaris [notaris 1] kan bijdragen aan zijn oordeel dat de zuster van de vrouw niet is uitgekocht met de hypothecaire geldlening van ƒ 260.000,--.

Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof is immers wel degelijk ervan uitgegaan dat de zuster van de vrouw is uitgekocht met (onder meer) de hypothecaire geldlening van ƒ 260.000,--. Dat wordt niet anders doordat het hof bij de beoordeling van de vraag of dit heeft meegebracht dat de man het aandeel van de zuster van de vrouw in de woning aan de [a-straat] te [plaats A] heeft gefinancierd, in aanmerking heeft genomen dat de man van deze hypothecaire geldlening een bedrag van ƒ 120.000,-- voor zijn eigen rekening neemt.

3.3.5 Onderdeel II.3, dat zich richt tegen het oordeel van het hof in rov. 19 dat de man door de in de akte van 30 april 1982 vastgelegde transactie niet is bevoordeeld, en onderdeel II.4, dat zich keert tegen rov. 23, bouwen voort op onderdeel II.1. Zij slagen eveneens.

3.4 De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 september 2004;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, E.J. Numann, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 27 januari 2006.