Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU4756

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-01-2006
Datum publicatie
27-01-2006
Zaaknummer
41744
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU4756
In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2005:AT4665
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 3a Besluit voorkoming dubbele belasting 1989. Een te late vaststelling van een beschikking tot vaststelling van een naar een volgend jaar over te brengen buitenlands onzuiver inkomen heeft geen gevolg voor de geldigheid van die beschikking.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 10:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2006/136 met annotatie van J.W. Zwemmer
FED 2006/38
V-N 2006/11.3 met annotatie van Redactie
FutD 2006-0171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 41.744

27 januari 2006

EC

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 januari 2005, nr. BK-02/04967, betreffende na te melden beschikking op de voet van artikel 3a van het Besluit voorkoming dubbele belasting 1989 (hierna: het Besluit).

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Bij beschikking van 15 maart 2002 heeft de Inspecteur het ingevolge het Besluit naar het jaar 1999 over te brengen buitenlandse onzuivere inkomen van belanghebbende uit de Verenigde Staten van Amerika vastgesteld op ƒ 618.025 negatief. Deze beschikking is na daartegen gemaakt bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 9 augustus 2005 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 205.868. In zijn aangifte had belanghebbende een negatief buitenlands inkomen over 1998 ten bedrage van ƒ 35.979,79 opgenomen. Op het aanslagbiljet, dat is gedagtekend 5 februari 2002, is niet afzonderlijk melding gemaakt van enige vaststelling ter zake van dat (negatieve) buitenlandse inkomen. Bij de bestreden beschikking van 15 maart 2002, gegeven namens de Inspecteur door B, is op grond van artikel 3a, leden 1 en 5, van het Besluit het naar 1999 over te brengen verlies wegens negatieve inkomens uit de V.S. over de jaren 1995 tot en met 1998 vastgesteld op ƒ 618.025, in welk bedrag is begrepen een negatief buitenlands onzuiver inkomen in 1998 van ƒ 35.980. Op het door belanghebbende tegen die beschikking gemaakte bezwaar is namens de Inspecteur beslist door H.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 3a van het Besluit niet inhoudt dat indien in afwijking van dat artikel de in dat artikel bedoelde beschikking op een afzonderlijk biljet met een aparte dagtekening wordt vermeld en dat biljet korte tijd na het aanslagbiljet wordt verzonden, de beschikking als niet geldig dient te worden beschouwd.

Middel 1 bestrijdt dit oordeel met het betoog dat indien de beschikking niet tijdig wordt gegeven, het gevolg daarvan is dat het bedrag van het negatieve buitenlandse inkomen daarna niet meer in aanmerking mag worden genomen. Voor dit gevolg kan echter geen beroep worden gedaan op de tekst van artikel 3a, lid 1, van het Besluit. Uit artikel 3a, lid 5, van het Besluit valt voorts op te maken dat de besluitgever dat gevolg juist niet heeft gewild. Immers, blijkens de tweede en derde volzin van artikel 3a, lid 5, van het Besluit kan een negatief buitenlands onzuiver inkomen binnen een in de derde volzin daartoe vermelde termijn, in een volgend jaar ook dan in aanmerking worden genomen indien de inspecteur dit niet bij beschikking heeft vastgesteld. Voorts blijkt uit het in onderdeel 2.12 van de conclusie van de Advocaat-Generaal opgenomen citaat uit de Nota van toelichting bij het Besluit, dat met het bepaalde in de leden 1 en 2 van artikel 3a is beoogd de rechtszekerheid te dienen. Uit een oogpunt van rechtszekerheid verliest de vaststelling van een beschikking als de onderhavige haar zin niet indien die vaststelling geschiedt na de vaststelling van de aanslag over het betrokken jaar. Derhalve bestaat er geen grond om aan het termijnvoorschrift van artikel 3a, lid 1, van het Besluit een andere betekenis te hechten dan de door het Hof genoemde, te weten dat een belastingplichtige die belang heeft bij een tijdige vaststelling van het in een volgend jaar op de voet van artikel 3, leden 3 en 4, van het Besluit in aanmerking te nemen negatieve buitenlandse onzuivere inkomen, zich in rechte kan voorzien. Middel 1 faalt derhalve.

3.3. Middel 2 strekt ten betoge dat het Hof in het kader van het door belanghebbende ingestelde beroep mede had moeten onderzoeken of het in de onderhavige beschikking verdisconteerde negatieve buitenlandse onzuivere inkomen stammend uit jaren vóór 1998, voor het juiste bedrag is overgebracht van 1997 naar 1998. Het middel stuit af op 's Hofs in cassatie niet bestreden vaststelling dat laatstbedoeld bedrag door de Inspecteur is vastgesteld bij een beschikking van 4 mei 2000. Gelet op het bepaalde in artikel 3a, lid 1, van het Besluit brengt die omstandigheid mee dat voor het in rechte bestrijden van dat bedrag als onderdeel van het bedrag van het van 1998 naar 1999 overgebrachte negatieve buitenlandse onzuivere inkomen geen rechtsmiddel openstond. Middel 2 kan derhalve niet slagen.

3.4. Middel 3 klaagt dat het Hof heeft verzuimd nader onderzoek in te stellen naar de vraag in hoeverre de ambtenaar die in mandaat de onderhavige beschikking heeft vastgesteld, feitelijk betrokken is geweest bij de beslissing op het daartegen gemaakte bezwaar. In 's Hofs oordeel dat uit de gedingstukken noch uit hetgeen is komen vast te staan, naar voren komt dat de Belastingdienst het voorschrift van artikel 10:3, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht in formele of materiële zin heeft overtreden, ligt besloten dat het Hof niet aannemelijk acht geworden dat de primaire beslissing en de beslissing op het bezwaar feitelijk zijn genomen door dezelfde ambtenaar. Tot een verdergaand onderzoek dan waarop dat oordeel is gegrond, was het Hof niet gehouden. Voorzover het middel erover klaagt dat het Hof geen acht heeft geslagen op hetgeen door belanghebbende voor het Hof is aangevoerd, mist het, gelet op de door het Hof gegeven motivering, feitelijke grondslag. Middel 3 faalt derhalve eveneens.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2006.