Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU4676

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2006
Datum publicatie
10-01-2006
Zaaknummer
00500/05
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU4676
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2004:AO8784
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

1. Afwijzing verzoek tot uitwerking van pv’s eerdere terechtzittingen vóór vastgestelde datum pleidooi en requisitoir, althans tot aanhouding onderzoek teneinde eerst de pv’s te voltooien. 2. Geen grondslagverlating. Tenlastelegging: medeplegen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, al dan niet als bedoeld in art. 1.4 Opiumwet, gevolgd door nadere feitelijke omschrijving na het woord “immers”. Bewezenverklaring: medeplegen binnen het grondgebied van Nederland brengen cocaïne, vrijspraak van 1.4 Opiumwet en feitelijke omschrijving na “immers”. Ad 1. Art. 327 Sv houdt in dat het pv van de terechtzitting – ook indien het onderzoek één of meermalen is onderbroken en afgezien van het geval van schorsing (art. 281.4 Sv) – eerst wordt opgemaakt na sluiting van het onderzoek. Uit art. 365.3 Sv volgt dat verdachte en raadsman daarvan eerst kennis kunnen nemen nadat de uitspraak is ondertekend. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat niet blijkt dat verdachte of diens raadsman door de omstandigheid dat de pv’s niet vóór het in art. 327 Sv vereiste tijdstip beschikbaar waren in enig opzicht is belet datgene naar voren te brengen wat in het belang van de verdediging kon zijn, geeft de afwijzing van de verzoeken geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, meer in het bijzonder niet omtrent art. 6.3.b EVRM en art. 14 IVBPR, terwijl de desbetreffende oordelen toereikend zijn gemotiveerd. Ad 2. Het hof heeft in de bewezenverklaring niet opgenomen de telkens in de tenlastelegging voorkomende passage “al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet”. Het hof heeft de tenlastelegging kennelijk aldus verstaan dat hetgeen daarin telkens na het woord “immers” is opgenomen een nadere omschrijving behelst van bedoeld, telkens alternatief tenlastegelegde handelen i.s.m. art. 1.4 Opiumwet. Die uitleg van de tenlastelegging is met haar bewoordingen niet onverenigbaar en moet in cassatie worden geëerbiedigd. Van die uitleg uitgaande heeft het hof, door bewezen te verklaren dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen op de bewezen verklaarde tijdstippen de desbetreffende hoeveelheden cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en vrij te spreken van het handelen i.s.m. art. 1.4 Opiumwet – met inbegrip van de nadere uitwerking daarvan in de passages volgend op “immers” – de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 327
Wetboek van Strafvordering 350
Wetboek van Strafvordering 365
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 7
NJ 2006, 66
RvdW 2006, 90
NBSTRAF 2006/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2006

Strafkamer

nr. 00500/05

IV/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 januari 2004, nummer 23/003673-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1963, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Rijnmond", Huis van Bewaring "De IJssel" te Krimpen aan den IJssel.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Haarlem van 4 september 2002, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van 1., 2., 4. en 5. telkens "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet, gegeven verbod", 3. "medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet, gegeven verbod", 6. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet, gegeven verbod", 7. "medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken of om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, meermalen gepleegd" en 8. "deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot tien jaren gevangenisstraf, met verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt over de afwijzing van een door de verdediging gedaan verzoek. Dat verzoek strekte er primair toe dat de verdediging voorafgaand aan het op 16 januari 2004 te houden requisitoir en pleidooi afschrift zou worden verstrekt van de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 12 en 19 december 2003. Subsidiair - voor het geval die processen-verbaal niet tijdig beschikbaar zouden komen - strekte het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 19 december 2003 houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De advocaat-generaal vraagt het hof wanneer de processen-verbaal van de terechtzittingen van 12 december jongstleden én heden gereed zullen zijn. De voorzitter merkt op dat de processen-verbaal van de terechtzittingen van 12 én 19 december 2003 op 9 januari 2004 nog niet gereed zullen zijn daar de griffier de aankomende twee weken met vakantie gaat. Voorts merkt de voorzitter op dat bewust gekozen is voor dichtopeenvolgende zittingsdagen teneinde de strafzaken zo spoedig mogelijk af te kunnen doen.

De advocaat-generaal spreekt haar voorkeur uit om de requisitoiren en de pleidooien op één zittingsdag te houden"

3.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 9 januari 2004 houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De raadsman verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik heb begrepen dat de processen-verbaal van de terechtzittingen van 12 en 19 december 2003 nog niet gereed zijn. Dat is buitengewoon ongelukkig. Uw hof zal begrijpen dat het moeilijk is om uit eigen aantekeningen te moeten putten. Ook is het maar de vraag of deze aantekeningen juist zijn. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat uw hof teleologisch te werk gaat, daar de verklaringen van cliënt, zijn medeverdachten en de getuigen later in de processen-verbaal zullen worden vastgelegd.

(...)

Ter terechtzitting van 19 december 2003 was voor de verdediging niet te voorzien dat de processen-verbaal van de terechtzittingen van 12 en 19 december 2003 niet tijdig gereed zouden zijn. Met betrekking tot het op 16 januari 2004 te houden pleidooi draagt de verdediging dan geen kennis van de ter terechtzittingen in hoger beroep afgelegde verklaringen van cliënt (...) én de getuigen. (...)

Primair verzoekt de verdediging uw hof om de processen-verbaal van de terechtzittingen van 12 en 19 december 2003 vóór de terechtzitting van 16 januari 2004 aan de verdediging én de advocaat-generaal ter beschikking te stellen. Indien uw hof hier geen gevolg aan kan of wil geven dan dient de behandeling van de strafzaak tegen cliënt te worden aangehouden. (...)

De advocaat-generaal verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Het openbaar ministerie betreurt het ook dat de processen-verbaal van de terechtzittingen van 12 en 19 december 2003 niet tijdig gereed zullen zijn, maar ter terechtzitting van 19 december 2003 is dit al door uw hof aangekondigd. (...)

De voorzitter merkt op dat het niet ongewoon is een strafzaak in één dag af te doen en dat er dan bij het requisitoir en pleidooi evenmin over een proces-verbaal van de terechtzitting kan worden beschikt.

De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad in raadkamer.

Na beraad in raadkamer verklaart de voorzitter:

Primair is door de verdediging verzocht om vóór de terechtzitting van 16 januari 2004 de processen-verbaal van de terechtzittingen van 12 en 19 december 2003 aan de verdediging én de advocaat-generaal te doen toekomen. Indien het hof het verzoek niet kan honoreren dient de behandeling van onderhavige strafzaak te worden aangehouden. (...)

Het hof heeft al beslist dat het niet mogelijk is het primaire verzoek in te willigen. De verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] heeft/hebben recht op behandeling van zijn/hun strafza(a)k(en) binnen een redelijke termijn. Een gelijktijdige behandeling van onderhavige strafzaak met die van de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] heeft de sterke voorkeur van het hof. Indien het hof zou beslissen tot aanhouding van de behandeling van onderhavige strafzaak dan zou het hof tevens de aanhouding van de behandeling van de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] gelasten, teneinde de strafzaken gelijktijdig te kunnen afdoen.

Aangezien heden ter terechtzitting niet meer alle raadslieden van de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] aanwezig zijn om hun standpunt kenbaar te maken, wordt de raadsman verzocht desgewenst zijn primaire verzoek ter terechtzitting van 16 januari 2004 te herhalen. (...)"

3.4. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 januari 2004 houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De raadsman verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Mede daartoe uitgenodigd door uw ter terechtzitting van 9 januari 2004 uitgesproken woorden heb ik op 14 januari 2004 jongstleden een fax naar uw hof gestuurd. Ik heb daarin mijn ter terechtzitting van 9 januari 2004 gedane verzoek herhaald, te weten dat uw hof zorg dient te dragen dat de verdediging én het openbaar ministerie voorafgaande aan het requisitoir en het pleidooi de beschikking krijgen over de processen-verbaal van de terechtzittingen van 12 en 19 december 2003, met daaraan gehecht de ten overstaan van de rechtbank afgelegde verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]. Subsidiair had ik verzocht ervoor zorg te dragen dat in ieder geval laatstgenoemde verklaringen voorafgaande aan het requisitoir en het pleidooi dienden te worden verstrekt. Indien uw hof mijn primaire verzoek niet zal inwilligen verzoek ik aanhouding van de behandeling van de strafzaak tegen cliënt. Inmiddels hebben de raadslieden van de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] zich achter mijn verzoek geschaard, waarop door de raadsman van medeverdachte [medeverdachte 1] wordt aangegeven dat hij overleg met zijn cliënt hierover heeft gevoerd en dat zijn cliënt wil dat de zaak vandaag wordt afgedaan. Bij deze wil ik heden nogmaals mijn ter terechtzitting van 9 januari 2004 gedane verzoek herhalen.

(...)

De voorzitter onderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad in raadkamer.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot aanhouding van de behandeling van onderhavige strafzaak wordt afgewezen. Het hof handhaaft zijn ter terechtzitting van 9 januari 2004 ingenomen standpunt dat een aanhouding niet door het belang van het onderzoek wordt gevorderd.

In onderhavige strafzaak zijn reeds in een vroeg stadium, te weten op 4 augustus 2003, de zittingsdagen van 12 en 19 december 2003 én 9 en 16 januari 2004 medegedeeld. Destijds is bewust gekozen voor dichtopeenvolgende zittingsdagen teneinde de strafzaken zo spoedig mogelijk af te kunnen doen. Destijds heeft geen van de raadslieden te kennen gegeven dat dit problemen zou kunnen opleveren met betrekking tot een tijdige verstrekking van de processen-verbaal.

Uitgangspunt in de wet is dat het onderzoek ter terechtzitting onafgebroken wordt voortgezet. Onderbrekingen kunnen echter onder meer wegens de uitgebreidheid van het onderzoek worden bevolen. In het onderhavige geval is dat ook gebeurd. De voorzitter heeft ter terechtzitting van 19 december 2003 aangekondigd dat de processen-verbaal van de onderbroken terechtzittingen van 12 en 19 december 2003 op 9 januari 2004 nog niet gereed zouden zijn. Indien het hof het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de onderhavige strafzaak zou honoreren dan zou het onderzoek heden dienen te worden geschorst. Een schorsing van het onderzoek ter terechtzitting dient in het belang van het onderzoek te geschieden. In het onderhavige geval zou schorsing van het onderzoek ter terechtzitting niet in het belang van het onderzoek zijn. Kennis nemen van het op schrift gestelde proces-verbaal van de zitting voorafgaand aan requisitoir en pleidooi is niet een zodanig belang. De raadslieden zijn steeds bij de verhoren ter terechtzitting aanwezig geweest. De standpunten van de verdachten en getuigen waren al van tevoren bekend en duidelijk daar zij over het algemeen al uitvoerig ten overstaan van de rechter-commissaris en de rechtbank hadden verklaard en zij voor het hof hun eerdere verklaringen hebben gehandhaafd.

Het hof heeft meegewogen dat de raadslieden van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] het verzoek tot aanhouding niet ondersteunen. Het belang van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] op behandeling van hun strafzaken binnen een redelijke termijn weegt zwaarder, mede omdat zij zich reeds geruime tijd in voorlopige hechtenis bevinden."

3.5. Art. 327 Sv houdt in dat het proces-verbaal van de terechtzitting - ook indien het onderzoek aldaar één of meermalen is onderbroken en afgezien van het geval van schorsing (art. 281, vierde lid, Sv) - eerst wordt opgemaakt na de sluiting van het onderzoek. Uit art. 365, derde lid, Sv volgt dat de verdachte en de raadsman daarvan eerst kennis kunnen nemen nadat de uitspraak is ondertekend. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat niet blijkt dat de verdachte of diens raadsman door de omstandigheid dat de processen-verbaal niet al vóór het in art. 327 Sv vereiste tijdstip beschikbaar waren, in enig opzicht is belet datgene naar voren te brengen wat in het belang van de verdediging kon zijn, geeft de afwijzing van de in het middel bedoelde verzoeken geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, meer in het bijzonder niet omtrent art. 6, derde lid aanhef en onder b, EVRM en art. 14 IVBPR, terwijl de desbetreffende oordelen van het Hof toereikend zijn gemotiveerd.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof bij de bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 4 en 5 de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

4.2. Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegd dat:

1.

"hij op een of meer tijdstippen in de periode van 15 oktober 2000 tot en met 08 november 2000 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en/of te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 2.561,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van haar mededaders opzettelijk

- een of meer personen benaderd en/of [betrokkene 1] bereid gevonden om cocaine (vanuit Suriname) naar Nederland te vervoeren en/of

- (waarna) die [betrokkene 1] naar Suriname is afgereisd en/of

- (waarna) die [betrokkene 1] de cocaine (op 8 november 2000) naar Nederland heeft getransporteerd, waarbij verdachte en/of haar mededaders (telkens) onderling contact met elkaar onderhielden;"

2.

"hij op een of meer tijdstippen in de periode van 15 november 2000 tot en met 02 december 2000 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en/of te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 2.571 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet, immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van haar mededaders opzettelijk

- een of meer personen benaderd en/of [betrokkene 2] bereid gevonden om cocaine (vanuit Suriname) naar

Nederland te vervoeren en/of

- (waarna) die [betrokkene 2] naar Suriname is afgereisd en/of

- (waarna) die [betrokkene 2] de cocaine (op 2 december 2000) naar Nederland heeft getransporteerd en/of

- hij, verdachte en of zijn mededaders naar Schiphol zijn afgereisd om de cocaine van die [betrokkene 2] in ontvangst te nemen, waarbij verdachte en/of haar mededaders over de uitvoering (telkens) onderling contact met elkaar onderhielden;"

4.

"hij op een of meer tijdstippen in de periode van 15 januari 2001 tot en met 31 januari 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en/of te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet een hoeveelheid (van vermoedelijk 500 gram) van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die Wet, immers

- heeft/hebben een van zijn mededaders opzettelijk personen gezocht en/of gevonden die bereid zouden zijn cocaine naar Nederland te transporteren en/of

- is een van zijn mededaders ([mededader 1]) naar Curacao afgereisd teneinde de cocaine te halen en/of

- heeft een van zijn mededaders ([mededader 1]) de cocaine (op 31 januari 2001) naar Nederland getransporteerd en/of

- was/waren een of meer van zijn mededaders op Schiphol aanwezig teneinde de cocaine in ontvangst te nemen

- heeft/hebben een of meer van zijn mededaders op Schiphol contact gelegd met die [mededader 1] (waarna hij/zij de cocaine in ontvangst heeft/hebben genomen)

- heeft/hebben een of meer van zijn mededaders de cocaine vervoerd (over het Schipholterrein) naar een (vantevoren) afgesproken plaats waarbij hij, verdachte, samen met een of meer van zijn mededaders

- afspraken heeft/hebben gemaakt en/of

- contacten heeft/hebben gelegd en/of onderhouden teneinde het transport mogelijk te maken.

waarna verdachte en/of een of meer van zijn mededaders de cocaine (buiten het Schipholterrein) in ontvangst hebben genomen;"

5.

"hij op een of meer tijdstippen in de periode van 15 januari 2001 tot en met 16 februari 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer en/of te Den Haag, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 7.937 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet, immers

- heeft/hebben een van zijn mededaders opzettelijk personen gezocht en/of gevonden die bereid zouden zijn cocaine naar Nederland te transporteren en/of

- is een van zijn mededaders ([mededader 1]) naar Curacao afgereisd teneinde de cocaine te halen en/of

- heeft een van zijn mededaders ([mededader 1]) de cocaine (op 16 februari 2001) naar Nederland getransporteerd en/of

- was/waren hij, verdachte, en een of meer van zijn mededaders op Schiphol aanwezig teneinde de cocaine in ontvangst te nemen waarbij hij, verdachte, met een of meer van zijn mededaders

- afspraken heeft/hebben gemaakt en/of

- contacten heeft/hebben gelegd en/of onderhouden

teneinde het transport mogelijk te maken."

4.3. Van die tenlastelegging heeft het Hof bewezenverklaard dat:

1.

"hij op 8 november 2000 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 2.561,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;"

2.

"hij op 2 december 2000 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 2.571 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;"

4.

"hij op 31 januari 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de

Opiumwet behorende lijst I;"

5.

"hij op 16 februari 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 7.937 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I."

4.4. Het Hof heeft in die bewezenverklaringen niet opgenomen de telkens in die tenlasteleggingen voorkomende passage "al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet". Die passage duidt op de in die bepaling opgenomen uitbreiding van het in de art. 2 en 3 Opiumwet opgenomen begrip "binnen het grondgebied van Nederland brengen". Volgens die uitbreidende definitie zijn daaronder ook begrepen "elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht". Het Hof heeft de tenlasteleggingen onder 1, 2, 4 en 5 kennelijk aldus verstaan dat hetgeen daarin telkens na het woord "immers" is opgenomen een nadere omschrijving behelst van bedoeld, telkens alternatief tenlastegelegde handelen in de zin van art. 1, vierde lid, Opiumwet.

Die uitleg van de tenlastelegging is met haar bewoordingen niet onverenigbaar en moet in cassatie worden geëerbiedigd.

Van die uitleg uitgaande heeft het Hof, door bewezen te verklaren dat de verdachte tezamen in vereniging met anderen op de onder 1, 2, 4 en 5 bewezenverklaarde tijdstippen de desbetreffende hoeveelheden cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en vrij te spreken van het tenlastegelegde handelen in de zin van art. 1, vierde lid, Opiumwet - met inbegrip van de nadere uitwerking daarvan in de passages volgend op "immers" - de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten.

4.5. Het middel faalt.

5. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Beoordeling van het vierde middel

6.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.

6.2. De verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, heeft op 13 februari 2004 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 24 februari 2005 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 23 augustus 2005 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot strafvermindering.

7. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

Vermindert deze in die zin dat deze negen jaren en zes maanden beloopt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, J.W. Ilsink en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 10 januari 2006.