Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU3948

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-01-2006
Datum publicatie
17-01-2006
Zaaknummer
03250/04
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU3948
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 359a Sv. Verbalisanten zijn na melding van een sterke weedlucht onrechtmatig binnengetreden in een woning bij afwezigheid van de bewoner (op de machtiging tot binnentreden was niet het hokje aangekruist dat bij dringende noodzakelijkheid ook in afwezigheid van de bewoner kan worden binnengetreden). Binnen op de grond zien zij 2795 gram weed liggen. Vervolgens wordt de komst van de RC afgewacht en wordt bij een doorzoeking in totaal 49 kg softdrugs inbeslaggenomen. Het hof verwierp een tot bewijsuitsluiting strekkend verweer en volstond met de constatering van de onrechtmatigheid van het binnentreden. 1. ‘s Hofs oordeel dat de doorzoeking in de woning van verdachte, die heeft plaatsgevonden onder leiding van de RC, rechtmatig is geweest, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. ‘s Hofs oordeel dat de uit deze doorzoeking verkregen onderzoeksresultaten niet als rechtstreeks gevolg van het eerdere onrechtmatig binnentreden door de opsporingsambtenaren van het bewijs moeten worden uitgesloten, is onjuist noch onbegrijpelijk. 2. ‘s Hofs oordeel dat geen uitzondering moet worden gemaakt wat betreft een deel van hetgeen door de RC is aangetroffen en inbeslaggenomen, te weten een hoeveelheid van 2795 gram 'weed', die in eerste instantie reeds door de opsporingsambtenaren was waargenomen, nadat zij - onrechtmatig - de woning van verdachte waren binnengetreden, is onjuist noch onbegrijpelijk, in het licht van de door het Hof vastgestelde omstandigheden van het geval.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359a
Algemene wet op het binnentreden
Algemene wet op het binnentreden 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 25
NJ 2006, 495 met annotatie van P. Mevis
RvdW 2006, 117
NBSTRAF 2006/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 januari 2006

Strafkamer

nr. 03250/04

SG/IC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 15 juli 2004, nummer 24/000547-03, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Groningen van 1 april 2003 - de inleidende dagvaarding wat betreft feit 2 nietig verklaard en voorts de verdachte ter zake van 1. "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van tweehonderd uren, subsidiair honderd dagen hechtenis met onttrekking aan het verkeer en teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte art. 359a, eerste lid onder b, Sv buiten toepassing heeft gelaten, althans dat het Hof het verweer dat de onderzoeksresultaten van de onrechtmatige binnentreding van de woning van de verdachte niet aan het bewijs mogen bijdragen, onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

3.2. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

i) Nadat aan de regiopolitie Groningen was gemeld dat in een flatgebouw aan [de a-straat] te [plaats A] een sterke weedlucht viel waar te nemen, is een onderzoek ingesteld. Geconstateerd is dat de weedlucht in het gebouw waarschijnlijk afkomstig was uit de woning van de verdachte. Naar aanleiding hiervan is door de hulpofficier van justitie een 'machtiging tot binnentreden in een woning' verleend. In die machtiging is niet het hokje aangekruist bij de voorgedrukte tekst dat bij dringende noodzakelijkheid in geval van afwezigheid van de bewoner(s) de onderhavige woning kan worden binnengetreden.

ii) Opsporingsambtenaren, in het bezit van deze machtiging, hebben - toen op aanbellen niet werd gereageerd - een ruit van de voordeur ingeslagen en zijn de woning van de verdachte binnengetreden. In de woonkamer is op de grond een hoeveelheid 'weed' (2795 gram) aangetroffen. Verder werd in de nabijheid van afgesloten kledingkasten een doordringende weedlucht waargenomen. De Officier van Justitie en de Rechter-Commissaris zijn van deze bevindingen in kennis gesteld. In afwachting van de komst van de Rechter-Commissaris hebben de opsporingsambtenaren het onderzoek in de woning gestaakt.

iii) Vervolgens heeft onder leiding van de Rechter-Commissaris een doorzoeking in de woning van de verdachte plaatsgevonden, waarbij de afgesloten kasten zijn opengemaakt. Tijdens deze doorzoeking is de verdachte in zijn woning aangekomen.

iv) In totaal is in de woning van de verdachte ongeveer 20 kilo marihuana en ongeveer 29 kilo hash in beslag genomen.

3.3. Overeenkomstig de inleidende dagvaarding is ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 2 april 2002 te [plaats A] opzettelijk aanwezig heeft gehad in een woning aan [de a-straat],

- ongeveer 29 kilo hashish, en

- ongeveer 20 kilo marihuana/hennep,

zijnde hashish en hennep middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II."

3.4. Het arrest van het Hof houdt met betrekking tot een gevoerd verweer het volgende in:

"Door de raadsman van verdachte is aangevoerd - kort gezegd - dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 1 telastegelegde feit nu de politie de woning van verdachte is binnengetreden op een moment dat verdachte niet thuis was terwijl de last tot binnentreden geen machtiging bevatte om binnen te treden bij afwezigheid van de bewoner. Deze onrechtmatige binnentreding zou tot gevolg moeten hebben dat de onderzoeksresultaten die hierdoor zijn verkregen niet aan het bewijs kunnen en mogen bijdragen.

Het Hof is met de raadsman van oordeel dat het binnentreden door de politie onrechtmatig is geweest. Nu daarnaar geen nader onderzoek is ingesteld, kan het hof niet vaststellen dat het ontbreken van genoemde machtiging op een vergissing berust. Echter onder de omstandigheden van het geval, te weten:

- dat klachten over een sterke weedlucht en de constatering daarvan aanleiding waren een machtiging ter opsporing van strafbare feiten zonder toestemming van de bewoner van de woning aan [a-straat 1] te [plaats A] af te geven,

- dat - na de onrechtmatige binnentreding - door de politie op de vloer van die woning weed werd aangetroffen en softdrugsgerelateerde goederen,

- dat vervolgens verder zoeken wordt gestaakt, de rechter-commissaris wordt ingelicht en op rechtmatige wijze huiszoeking wordt verricht,

is het hof van oordeel dat in dit geval kan worden volstaan met de vaststelling dat binnentreding door de politie onrechtmatig was en hoeft deze onrechtmatigheid in casu niet te leiden tot bewijsuitsluiting van de onderzoeksresultaten die zijn verkregen bij de huiszoeking."

3.5.1. Het oordeel van het Hof dat de doorzoeking in de woning van de verdachte, die heeft plaatsgevonden onder leiding van de Rechter-Commissaris, rechtmatig is geweest, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

In de overwegingen van het Hof ligt voorts als zijn oordeel besloten dat de uit deze doorzoeking verkregen onderzoeksresultaten niet als rechtstreeks gevolg van het eerdere onrechtmatig binnentreden door de opsporingsambtenaren van het bewijs moeten worden uitgesloten. Dat oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

3.5.2. Het middel faalt derhalve voorzover het er over klaagt dat het aantreffen van de verdovende middelen nadat de doorzoeking onder leiding van de Rechter-Commissaris een aanvang had genomen, niet tot het bewijs had mogen worden gebezigd.

3.6.1. Het middel bevat voorts de klacht dat het Hof in ieder geval had moeten motiveren waarom het aantreffen van 2795 gram 'weed' op de vloer van de woonkamer niet van het bewijs behoefde te worden uitgesloten. In de hiervoor onder 3.4 weergegeven overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat geen uitzondering moet worden gemaakt voor wat betreft een deel van hetgeen door de Rechter-Commissaris is aangetroffen en inbeslaggenomen, te weten een hoeveelheid van 2795 gram 'weed', die in eerste instantie reeds door de opsporingsambtenaren was waargenomen, nadat zij - onrechtmatig - de woning van de verdachte waren binnengetreden. Dit oordeel geeft evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de door het Hof vastgestelde omstandigheden van het geval, niet onbegrijpelijk.

3.6.2. Het middel is dus ook in zoverre tevergeefs voorgedragen.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, J.P. Balkema, J.W. Ilsink en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 januari 2006.