Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2006:AU3721

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-01-2006
Datum publicatie
20-01-2006
Zaaknummer
R04/132HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2006:AU3721
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antillenzaak; faillissementsrecht, verzoek van derden aan rechter-commissaris op de voet van art. 65 FbNA curatoren te bevelen de afwikkeling van drie samenhangende faillissementen volgens een door de rechter-commissaris goedgekeurde vaststellingsovereenkomst achterwege te laten; recht van derden op ‘repliek’?, beginsel van hoor en wederhoor, aard van de procedure; is de rechter-commissaris aan te merken als een ‘impartial tribunal’ in de zin van art. 6 EVRM?

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 34
NJ 2006, 74
RvdW 2006, 106
JWB 2006/21
JOR 2006/161
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 januari 2006

Eerste Kamer

Rek.nr. R04/132HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

1. [Verzoeker 1],

wonende op Anguilla, British West Indies,

2. BOSUA N.V.,

gevestigd op Sint Maarten, Nederlandse Antillen,

VERZOEKERS tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

1. Mr. A. HUIZING q.q. en R. DE PAUS R.A. q.q., in hun hoedanigheid van curator in het faillissement van Billy Folly Development Corporation N.V.,

kantoorhoudende op Curaçao, Nederlandse Antillen,

2. Mr. F.B.M. KUNNEMAN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Pelican Resort N.V.,

kantoorhoudende op Curaçao, Nederlandse Antillen,

3. Mr. M.R.B. GORSIRA, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [betrokkene 1],

kantoorhoudende te Rotterdam,

VERWEERDERS in cassatie,

advocaten: mrs. D.M. de Knijff en E.A.L. van Emden.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met op 29 juni 2004 respectievelijk op 20 juli 2004 ter griffie van het gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao en Sint Maarten, ingekomen verzoekschriften hebben verzoekers tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker 1] en Bosua - zich gewend tot de rechter-commissaris in de faillissementen van Billy Folly Development Corporation N.V. (hierna: Billy Folly), Pelican Resort N.V. (hierna: Pelican Resort) en van [betrokkene 1] in het gerecht aldaar en verzocht verweerders in cassatie - verder te noemen: de curatoren - te bevelen de voorgenomen handelingen zoals uitgewerkt in de ten processe bedoelde overeenkomst van 26 mei 2004 na te laten.

De curatoren hebben het verzoek bestreden.

De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 14 september 2004:

- [verzoeker 1] niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek;

- Bosua niet-ontvankelijk verklaard voor zover gedaan in de hoedanigheid van aandeelhouder en of beweerdelijk fiduciair eigenares van een deel van de aandelen van Billy Folly en

- het verzoek van Bosua afgewezen voor zover gedaan in de hoedanigheid van betwist concurrent schuldeiser in het faillissement van [betrokkene 1] en van Billy Folly.

De beschikking van de rechter-commissaris is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechter-commissaris hebben [verzoeker 1] en Bosua beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De curatoren hebben verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het verzoek.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Het gaat in cassatie om het volgende. De faillissementen van Billy Folly, Pelican Resort en [betrokkene 1] zijn met elkaar verweven. Bij overeenkomst van 26 mei 2004 zijn tussen de curatoren afspraken gemaakt ten aanzien van de afwikkeling van deze faillissementen. Onder punt 2 van de overeenkomst is onder meer bepaald dat:

"(...) Billy Folly de notesclaim van Pelican Resort tot het beloop van het nog vast te stellen boedeltekort in Pelican Resort (waarschijnlijk) circa Naf. 1,7 mio) met een maximum van Naf. 2 mio als concurrente boedelvordering erkent, terwijl Pelican Resort en Billy Folly de nog lopende procedure staken met compensatie van de kosten en Pelican Resort voorts haar mogelijke verdere of andere aanspraken jegens Billy Folly, haar bestuurders en/of [betrokkene 1] prijsgeeft;

Uitbetaling van deze aldus erkende boedelvordering door curatoren van Billy Folly aan Pelican Resort zal pas plaatsvinden, indien daartegen niet uiterlijk op 30 juni 2004 bezwaren op voet van artikel 65 Fb. bij de rechter-commissaris zijn binnengekomen en, voor zover dergelijke bezwaren wel tijdig zijn binnengekomen, daarop bij in kracht van gewijsde beslissing door de Rechter is beslist."

De overeenkomst van 26 mei 2004 is mede door de toenmalige rechter-commissaris in alle drie de faillissementen voor akkoord ondertekend.

3.2 [Verzoeker 1] en Bosua zijn vóór 30 juni 2004 op de voet van art. 65 lid 1 Faillissementsbesluit 1931 (hierna: FbNA) bij de rechter-commissaris tegen deze overeenkomst opgekomen en hebben hem verzocht de curatoren te bevelen de voorgenomen handelingen zoals uitgewerkt in de overeenkomst van 26 mei 2004 na te laten. [Verzoeker 1] en Bosua hebben daarbij - onder meer - betoogd dat zij als aandeelhouder (gedeeltelijk fiduciair) en als schuldeiser van Billy Folly door de overeenkomst worden benadeeld.

Met betrekking tot dit verzoek hebben de curatoren hun standpunt schriftelijk aan de rechter-commissaris kenbaar gemaakt.

3.3 De rechter-commissaris heeft bij beschikking [verzoeker 1] niet-ontvankelijk verklaard en Bosua niet-ontvankelijk voor zover deze het verzoek heeft gedaan in de hoedanigheid van aandeelhoudster en/of beweerdelijk fiduciair eigenares van een deel van de aandelen van Billy Folly. Voor zover Bosua haar verzoek heeft gedaan in de hoedanigheid van betwist concurrent schuldeiser in de faillissementen van [betrokkene 1] en van Billy Folly, heeft de rechter-commissaris dit afgewezen.

3.4.1 De eerste klacht van het eerste middel houdt kort gezegd in dat de rechter-commissaris het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door [verzoeker 1] en Bosua niet in de gelegenheid te stellen te reageren op het verweerschrift van de curatoren.

3.4.2 Deze klacht faalt, omdat zij berust op de onjuiste opvatting dat uit het beginsel van hoor en wederhoor voortvloeit dat de rechter-commissaris aan [verzoeker 1] en Bosua de gelegenheid had moeten bieden nader te reageren op het standpunt van curatoren. Art. 65 FbNA, dat vrijwel gelijkluidend is aan art. 69 F., biedt aan de daarin genoemden een eenvoudige en snelle mogelijkheid invloed uit te oefenen op het beheer over de failliete boedel en om, zo zij menen dat bij dit beheer fouten worden gemaakt, deze te doen herstellen of voorkomen. Daarmee is niet te verenigen de door het middel voorgestane opvatting dat de rechter-commissaris, nadat deze achtereenvolgens van het standpunt van [verzoeker 1] en Bosua met betrekking tot de overeenkomst tussen de curatoren van 26 mei 2004 en van het standpunt van de curatoren had kennisgenomen, eerst opnieuw aan [verzoeker 1] en Bosua de gelegenheid had moeten bieden hun bezwaren tegen de overeenkomst nader toe te lichten alvorens op de bezwaren te beslissen. Hierbij is nog van belang dat in de klacht niet is aangevoerd dat bij de brief waarin de curatoren hun standpunt met betrekking tot de overeenkomst nader toelichtten nog andere stukken waren gevoegd waarop [verzoeker 1] en Bosua hadden moeten kunnen reageren. De in de klacht als bijkomend aspect benadrukte omstandigheid dat van de beschikking van de rechter-commissaris op de voet van art. 65 FbNA geen hoger beroep openstaat, leidt evenmin tot de gevolgtrekking dat de rechter-commissaris [verzoeker 1] en Bosua om een nadere reactie had moeten vragen.

3.5 De tweede klacht van het eerste middel houdt in dat art. 6 EVRM is geschonden omdat de rechter-commissaris in het onderhavige geval niet als "impartial tribunal" in de zin van dit verdragsartikel kan worden aangeduid, nu deze in de drie faillissementen is betrokken en zijn eerdere bemoeienissen objectief gezien twijfel aan zijn onpartijdigheid rechtvaardigen. De enkele omstandigheid dat de rechter-commissaris in een procedure als de onderhavige al eerder bemoeienis heeft gehad met een zaak, is onvoldoende om objectief gezien de vrees voor partijdigheid te rechtvaardigen. Andere omstandigheden op grond waarvan deze vrees kan worden aangenomen, worden in de klacht niet aangevoerd. Daarenboven zij opgemerkt dat de in de onderhavige procedure betrokken rechter-commissaris een andere is dan de rechter-commissaris die aan de overeenkomst van 26 mei 2004 zijn goedkeuring heeft verleend. De klacht faalt derhalve.

3.6 Het tweede middel, dat de beslissing van de rechter-commissaris betreft [verzoeker 1] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, kan niet tot cassatie leiden omdat het niet voldoet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, P.C. Kop, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 januari 2006.